cash-cent-child-1246954.jpg
Provider image

Vandaag zijn ruim 600 Vlaamse lokale besturen voor hun tweede pensioenpijler aangesloten bij het initiatief van de VVSG en de toenmalige RSZPPO : een groepsverzekering aangehouden bij Belfius Insurance en Ethias. Eind 2021 eindigt dit aanbod. Ondertussen werken de VVSG en OFP Provant aan een nieuwe oplossing.

Aanbod tweede pensioenpijler vanaf 2022

Situering

De meeste Vlaamse lokale besturen zijn tot eind 2021 voor het aanvullende pensioen voor hun contractanten aangesloten bij de groepsverzekering bij Belfius Insurance of Ethias. Deze groepsverzekering kwam in 2010 tot stand na een overheidsopdracht door de toenmalige RSZPPO, mede op initiatief van de VVSG (zie onderaan deze pagina). De beide verzekeraars hebben de lopende groepsverzekeringsovereenkomst in juni 2021 opgezegd, met ingang van 1 januari 2022. Dat betekent dat de Vlaamse lokale besturen op zoek moeten naar een nieuwe oplossing.

De VVSG wil hen hierin maximaal ondersteunen. Ze was in 2020, dus ruim voor de opzegging door de verzekeraars, al bezig met het onderzoeken van mogelijke nieuwe pistes voor de aanvullende pensioenen. Sinds 2010 is er immers enorm veel veranderd. Een aanvullend pensioen voor contractanten van lokale besturen is zo goed als veralgemeend, met bovendien het sectorale akkoord van 2020 dat een minimumbijdrage van 2,5% oplegt. Verder zijn er almaar meer contractanten, ook voor leidinggevende en staffuncties. Door de ‘Wet Bacquelaine’ van 2018 kunnen besturen zelfs een korting op de responsabiliseringsbijdrage krijgen als ze een voldoende hoge tweede pijler aanbieden aan hun contractanten.

Daarnaast rees de vraag naar de mogelijkheid om een aanvullend pensioen ook in kapitaal uit te betalen, was er de dreigende stopzetting van de groepsverzekering door de aanhoudend lage marktrente (wat intussen ook is gebeurd), waren andere aanbieders van aanvullende pensioenen in de publieke sector op zoek naar schaal, enz. Om al die redenen gaf de VVSG in 2020 aan Everaert Actuaries de opdracht om voorstellen te formuleren voor een aanpassing van de aanvullende pensioenen, met drie randvoorwaarden: de oplossing moest billijk zijn voor de medewerkers, betaalbaar en voorspelbaar voor de besturen en beschikbaar op de markt.

Op basis van de conclusies van de studie voerde de VVSG verkennende gesprekken met diverse betrokken spelers. Dat leidde in september 2021 tot een princiepsakkoord met OFP Provant om tegen 2022 een nieuw aanbod voor aanvullende pensioenen door lokale besturen klaar te hebben.

Daarnaast werd ook een intentieverklaring afgesloten tussen OFP Vlaams Pensioenfonds, OFP Provant en de VVSG waarin de drie zich engageren om de komende jaren te werken aan meer samenwerking (tot mogelijk zelfs een samensmelting) rond aanvullende pensioenen binnen de publieke sector in Vlaanderen.

Nieuw Webinar (ipv 9 december): dinsdag 21 december (10.00-12.00 uur)

Documentatie:

Wat is het verschil tussen een groepsverzekering en een pensioenfonds?

Om te voorzien in een aanvullend pensioen voor werknemers moet een werkgever een beroep doen op een pensioeninstelling. Werkgevers mogen het aanvullend pensioen immers niet zelf organiseren, dit moet worden ‘geëxternaliseerd’. De pensioeninstelling int de bijdragen, belegt ze, berekent de aanvullende pensioenen en betaalt ze uit.

Er bestaan twee soorten pensioeninstellingen. De eerste mogelijkheid is om bij een verzekeraar een groepsverzekering af te sluiten. In ruil voor het betalen van bijdragen staat die verzekeraar dan in voor alle verplichtingen waartoe de werkgever zich heeft verbonden. Een groepsverzekering is dus een verzekeringsproduct, aangeboden door een verzekeraar. Tot eind 2021 hebben de meeste Vlaamse lokale besturen een groepsverzekering bij Belfius Insurance of Ethias.

Een tweede mogelijkheid is dat de werkgever toetreedt tot een pensioenfonds (instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, IBP, ook wel OFP of Organisme voor de Financiering van Pensioenen genoemd). Dit is een specifieke rechtspersoon die uitsluitend belast is met de financiering van pensioenen. OFP Provant en OFP Vlaams Pensioenfonds zijn hiervan voorbeelden.

Beide systemen hebben voor- en nadelen. Door een beroep te doen op een groepsverzekering wordt de werkgever ‘ontzorgd’, want de verzekeraar neemt, uiteraard tegen een vergoeding voor de kosten (maar met ook de mogelijkheid van een winstdeelname), alle verplichtingen op zich. Een IBP daarentegen moet alles zelf organiseren, maar dat betekent ook dat alle opbrengsten en kosten binnen het IBP blijven. Qua beleggingen is een IBP wat vrijer dan een groepsverzekering, maar beide types pensioeninstellingen moeten er natuurlijk wel voor zorgen dat alle financiële engagementen worden nagekomen. Dat wordt ook gecontroleerd, door de FSMA en voor verzekeraars ook door de Nationale Bank van België.

De VVSG koos uiteindelijk voor een pensioenfonds. De belangrijkste reden is dat het via die weg mogelijk zou zijn om op termijn te komen tot één publieke speler voor aanvullende pensioenen in Vlaanderen. Bovendien is het potentiële aantal besturen-werkgevers (meer dan 600) en contractanten (meer dan 75.000) groot genoeg om een kostenefficiënt systeem uit te bouwen.

Hoe zit het met de wetgeving overheidsopdrachten?

Toetreden tot een groepsverzekering kan alleen na toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten, omdat het bestuur een dienst inkoopt tegen een (kosten)vergoeding. De groepsverzekering bij Belfius Insurance en Ethias kwam in 2010 tot stand na een overheidsopdracht door de toenmalige RSZPPO op initiatief van de VVSG.

Om toe te treden tot een pensioenfonds dat zelf de wetgeving op de overheidsoipdrachten respecteert, is geen overheidsopdracht vereist. Het bestuur wordt door de toetreding immers lid van de algemene vergadering en kan mogelijk ook een bestuurder afvaardigen. Dat betekent dat besturen impact uitoefen op het beleid van het pensioenfonds, en dan speelt de zogenaamde ‘in house doctrine’. Dit systeem is vergelijkbaar met wat geldt als een gemeente een beroep doet op de intercommunale waartoe ze zelf behoort. Ook dan speelt de wetgeving overheidsopdrachten niet. Opgelet, het pensioenfonds zelf zal voor het inkopen van diensten uiteraard wel de wetgeving overheidsopdrachten moeten respecteren.

Wat is OFP Provant?

OFP Provant is een organisme voor de financiering van de pensioenen (dus een aparte juridische entiteit), dat in 2009 werd opgericht door het provinciebestuur van Antwerpen. Het biedt een aanvullend pensioen aan voor de contractanten van de verschillende provinciale instellingen zelf. Daarnaast kunnen ook lokale besturen in de provincie Antwerpen toetreden tot OFP Provant. OFP Provant bedient vandaag een honderdtal besturen, goed voor ruim 7.000 contractanten.

OFP Provant past als pensioenplan een 'vasteprestatieplan' toe (zie verder op deze pagina), met een uitkering in rente. Het had eind 2020 ca. 120 miljoen euro aan activa in portefeuille, bij een jaarlijkse inlage die richting de 10 miljoen euro gaat. De financiële activa zijn een stuk ruimer dan de pensioenverplichtingen die op OFP Provant rusten. Het fonds haalde de voorbije jaren een gemiddeld rendement van ruim 6%, maar rendementen uit het verleden bieden uiteraard geen enkele garantie voor de toekomst.

Alle aangesloten lokale besturen hebben een vertegenwoordiger in de algemene vergadering, een deel daarvan is ook aanwezig in de raad van bestuur. Gedeputeerde Jan De Haes is voorzitter van OFP Provant.

Waarom onderhandelde de VVSG alleen met OFP Provant?

De gesprekken met OFP Provant startten pas na een uitgebreide verkenning van de sector en een studie door Everaert Actuaries in opdracht van de VVSG. OFP Provant heeft al jaren ervaring met het aanvullende pensioen van provinciale en lokale besturen in de provincie Antwerpen. OFP Provant gaat de bestaande structuur ter beschikking stellen van alle lokale besturen en die ook grondig aanpassen, zowel qua beleid, ondersteunende diensten, pensioenplan, enz. Ook de naam verandert, want OFP Provant wordt vanaf 2022 OFP Prolocus. Dat alles wordt in een statutenwijziging gegoten die op 17 december 2021 aan de algemene vergadering van OFP Provant wordt voorgelegd.

Daarnaast is ook OFP Vlaams Pensioenfonds op de achtergrond betrokken via de intentieverklaring voor intensieve samenwerking die in mei 2021 werd afgesloten tussen OFP Provant, OFP Vlaams Pensioenfonds en de VVSG. OFP Vlaams Pensioenfonds kan statutair ook een aanbod ontwikkelen voor lokale besturen, maar doet dat tot vandaag niet. Uit een analyse is gebleken dat OFP Vlaams Pensioenfonds zich onvoldoende snel (tegen 2022) kon aanpassen aan de massale toetreding van Vlaamse lokale besturen. Voor sommige zaken was zelfs een decreetswijziging vereist, wat natuurlijk tijd vergt.

Wat is de rol van de VVSG in dit dossier?

De VVSG heeft alleen een faciliterende rol. De uiteindelijke beslissing m.b.t. een aanvullend pensioen voor de eigen contractanten moet genomen worden door elk lokaal bestuur. Om deze beslissing te faciliteren, onderhandelde de VVSG met OFP Provant met het oog op de omvorming tot OFP Prolocus, met de RSZ, Sigedis en de KSZ (voor de financiële en gegevensstromen), met de FSMA (toezichthouder), met de vakorganisaties (met het oog op een nieuw kaderpensioenreglement dat door Comité C1 wordt goedgekeurd), enz. Bedoeling is om in het voorbereidende traject de besturen maximaal te ontzorgen. Er komen ook modelbeslissingen, documenten ter ondersteuning van de communicatie voor de medewerkers, enz.

Welke voor- en nadelen heeft het VVSG-aanbod?

Het belangrijkste voordeel van de geplande nieuwe tweede pensioenpijler is de ontzorging die de VVSG aanbiedt. Op tal van punten die werkgevers anders zelf moeten regelen, zal de VVSG voorbereidend werk leveren. Zo wordt er op het niveau van Comité C1 gewerkt aan een kaderpensioenreglement, met daarin de belangrijkste kenmerken van het nieuwe pensioenplan. Dat reglement zal gelden voor alle besturen die toetreden, zodat ze over die elementen niet meer nog eens zelf met de vakorganisaties moeten onderhandelen. De VVSG wil verder het bestaande systeem waarbij de bijdragen geïnd worden via de RSZ-aangifte behouden. Daarvoor komt er een overeenkomst met o.a. de RSZ. Ook dat is een faciliteit die besturen (of hun pensioeninstelling) zelf niet meer moeten regelen. Voorts zijn er de contacten met de toezichtsautoriteit FSMA, waardoor van meet af aan zeker is dat de aanvullende pensioenen volledig volgens de (steeds strengere) regels worden georganiseerd. Door toe te treden vermijden de besturen natuurlijk ook een toch wel complexe overheidsopdracht, op een domein waarover lokaal vaak relatief weinig expertise voorhanden is. Het belangrijkste voordeel ligt echter in de kostenefficiëntie. Pensioeninstellingen zijn aan zware eisen en dus vaste kosten onderworpen qua beheer, financieel beleid, transparantie, dienstverlening, enz. Door veel besturen met hun contractanten te verzamelen in één entiteit, ontstaan er positieve schaaleffecten, en dus lagere kosten per aangeslotene.

Het belangrijkste nadeel van het stopzetten van de groepsverzekering is het verlies van het gegarandeerde rendement. Een werknemer voor wie een aanvullend pensioen wordt opgebouwd, heeft op het moment van de pensionering de zekerheid van een bepaald minimumrendement, de zogenaamde ‘WAP-rente’. Vandaag bedraagt die 1,75% per jaar actieve dienst. Als de beleggingen van de pensioeninstelling dat rendement niet halen (bv. wegens slechte prestaties op de financiële markten), dan kan een werkgever aangesproken worden om het verschil bij te passen, want hij heeft zich geëngageerd tegenover zijn medewerker. In de aflopende groepsverzekering bij Belfius Insurance en Ethias was dat verplichte minimumrendement afgedekt door de verzekeraars zelf. Zij pasten het noodzakelijke verschil desgevallend bij en konden de werkgevers-besturen hiervoor niet aanspreken. Hier ligt meteen ook de belangrijkste reden waarom de overeenkomst werd opgezegd, want de verzekeraars moesten de voorbije jaren telkens veel geld toevoegen om aan de verplichtingen te voldoen. Welke toekomstige oplossing er ook komt (een nieuwe groepsverzekering of een pensioenfonds), geen enkele aanbieder zal nog willen of kunnen werken met een dergelijk gegarandeerd rendement. Op dat vlak gaan de besturen er dus op achteruit. Het is wel de bedoeling dat de hierboven aangehaalde voordelen, gekoppeld aan een financieel beleid dat de kans op extra tussenkomsten van de werkgevers klein houdt, opwegen tegen dit belangrijke nadeel.

Wat is een pensioenplan, en welke soorten bestaan er?

Een pensioenplan is de manier waarop de belofte van de werkgever aan de werknemer om te voorzien in een aanvullend pensioen, concreet vorm krijgt. In elk plan is het zo dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de aan de werknemer gedane pensioenbelofte. De werkgever mag een pensioenplan niet zelf uitvoeren maar is verplicht om dit toe te vertrouwen aan een aparte juridische entiteit: een pensioeninstelling (verzekeraar of pensioenfonds). De werkgever zal de pensioenbelofte aan de werknemer financieren door betalingen te doen aan deze pensioeninstelling. Deze laatste belegt deze middelen zo goed mogelijk en zorgt ook voor de administratieve opvolging.

Blijken de financiële middelen die de pensioeninstelling op de pensioendatum heeft te laag om in de belofte of het wettelijke minimum te voorzien, dan zal de pensioeninstelling de werkgever aanspreken om het verschil bij te passen.

Het wettelijke minimum bestaat erin dat voor de jaren actieve dienst de werknemer ten minste recht heeft op een kapitalisatie aan de zogenaamde 'WAP-rente', een rendement bepaald door de wet aanvullende pensioenen (WAP). Die WAP-rente bedraagt vandaag 1,75% per jaar. Bijzonder aan de aflopende groepsverzekering bij Belfius Insurance en Ethias is dat de verzekeraars zelf het risico afdekten van een onvoldoende financiering t.o.v. het wettelijk minimum: de werkgevers konden hiervoor dus niet worden aangesproken. Mede door de lage marktrente bestaan dergelijke garanties vandaag niet meer. Deze garantie was ook de hoofdreden waarom de verzekeraars de overeenkomst hebben opgezegd.

Er bestaan drie soorten pensioenplannen:

  • Vastebijdragenplan ('defined contribution'): bij een dergelijk plan garandeert de werkgever een bepaalde bijdrage op het loon (bv. 3%). Deze toekenningen ontvangen het rendement dat door de pensioeninstelling wordt gehaald. Dat rendement kan positief of negatief zijn. De financiering door de werkgever bedraagt elk jaar minimaal de toekenning, m.a.w. de werkgever is elk jaar verplicht de toekenning te volstorten aan de pensioeninstelling, ongeacht de financiële toestand van de pensioeninstelling. De aflopende groepsverzekering bij Belfius Insurance en Ethias was van het type 'vaste bijdragen'. Het is de bedoeling dat ook het nieuwe aanbod deze vorm aanneemt.
  • Cash balance: bij een dergelijk plan garandeert de werkgever een bepaalde toekenning op het loon (bv. 3%). Deze toekenningen ontvangen een vastgelegd rendement (bv. 0%). De financiering door de werkgever wordt bepaald volgens de financiële toestand van de pensioeninstelling. Als de financiële markten het goed doen en er een een voldoende hoge financiële buffer is opgebouwd, kan de pensioeninstelling beslissen om de bijdrage van de werkgevers te laten dalen en/of een deel van het overrendement aan de werknemers te laten toekomen. 
  • Vasteprestatiesplan ('defined benefit'): bij dit type plan garandeert de werkgever een te bereiken doel, wat de medewerker dus op het einde van de loopbaan als aanvullend pensioen zal krijgen, bv. uitgedrukt als een percentage van het verschil tussen een rustpensioen als statutair ambtenaar en een wettelijk pensioen. De financiering door de werkgever wordt bepaald volgens de financiële toestand van de pensioeninstelling. Vandaag past OFP Provant een dergelijk plan toe.

Hoe gaat OFP Prolocus beleggen?

Een IBP heeft ruimere beleggingsmogelijkheden dan een groepsverzekeraar. Een pensioenfonds moet zich dus niet beperken tot zogenaamde Tak 21- (de huidige groepsverzekering) of Tak 23-producten. Bovendien kunnen de aangesloten besturen-werkgevers ook meer wegen op de keuzes op het vlak van beleggingen van de reserves, uiteraard binnen de financiële en prudentiële vereisten van de toezichthouder, het FSMA.

Verder zullen de reserves van de besturen die vandaag bij OFP Provant zijn aangesloten binnen OFP Prolocus in een afzonderlijk vermogen worden aangehouden, dus los van de reserves die vanaf 2022 worden opgebouwd door de besturen die nieuw aansluiten. Elk van beide afzonderlijke vermogens zullen, uiteraard met de nodige afstemming en rekening houdend met de wettelijke vereisten, een eigen beleggingsbeleid voeren, aangepast aan de aangegane engagementen, de risico-appetijt, enz.

Het toekomstige OFP Prolocus zal, in het verlengde van de burgemeestersconvenanten en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, heel zwaar inzetten op de duurzaamheid van de beleggingen. Ook voor OFP Provant is dat vandaag trouwens al een belangrijk aandachtspunt.

Welke besturen kunnen toetreden tot OFP Prolocus?

Alle Vlaamse lokale besturen die konden toetreden tot de groepsverzekering bij Belfius Insurance en Ethias, kunnen ook aansluiten bij OFP Prolocus. Het gaat dus o.m. om gemeenten en OCMW's, hulpverleningszones, politiezones, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, autonome gemeentebedrijven, gemeentelijke vzw's, welzijnsverenigingen en andere samenwerkingsverbanden van OCMW's, provincies en provinciale instellingen, enz.

Hoeveel kost de toetreding tot OFP Prolocus?

De belangrijkste kosten voor een bestuur hangen natuurlijk samen met het engagement van het bestuur zelf tegenover de eigen contractanten, uitgedrukt in een percentage van het loon. In meer dan de helft van de gevallen is dat vandaag al 3% of meer. Op dat vlak verandert er niets tegenover het huidige systeem.

Daarnaast wordt bekeken of het, vanuit voorzichtigheidsoogpunt, nuttig is om ook enkele jaren aan bufferfinanciering te doen, zodat de besturen niet om de haverklap moeten worden aangesproken worden om een eventueel tekort bij te passen. Die extra bijdrage is niet verloren, maar komt bij de reserves van elk bestuur en is dus bruikbaar om financiële tegenvallers te compenseren. 

Een derde luik wordt gevormd door de effectieve kosten die het pensioenfonds moet maken om te functioneren: personeelskosten, kosten van allerhande (vaak verplichte en strikt gereglementeerde) dienstverlening, opgelegde jaarlijkse communicatie aan de contractanten van de aangesloten besturen, organisatie van een aanspreekpunt voor vragen, enz. Een deel van die kosten hangt niet of nauwelijks samen met de omvang de pensioeninstelling, zodat iedereen er baat bij heeft dat zo veel mogelijk besturen met zoveel mogelijk contractanten aansluiten. Zo worden de kosten per aangeslotene beperkt. Zoals het er nu naar uitziet, zullen de kosten ca. 1000 euro per jaar per werkgever en 10 euro per jaar per aangesloten medewerker bedragen. Het is mee de taak van de VVSG om toe te zien op maximale kostenefficiëntie. In elk geval moet dit aanbod een stuk goedkoper zijn dan wanneer besturen dit individueel zouden aanpakken.

De door de nieuw toegetreden besturen betaalde kosten zullen de eerste drie jaar in een apart segment binnen OFP Prolocus worden opgespaard. De werkelijke kosten zullen in die periode worden vereffend uit een bestaande buffer van OFP Provant. Na drie jaar zal dan een meer defintief koistensysteem van kracht worden, dat rekening houdt met de werkelijke kosten enerzijds, en het effectieve aantal besturen en aangesloten werknemers anderzijds.

Hoe zullen de financiële stromen verlopen?

De bedoeling van het nieuwe systeem is om besturen maximaal te ontzorgen. Wat ze kennen van de groepsverzekering, nl. de inning van de bijdragen via de RSZ, blijft behouden. Dat betekent dat er een eerste financiële stroom zal zijn tussen het bestuur en de RSZ via de kwartaalaangiften. De RSZ zal van OFP Prolocus het percentage krijgen dat het elk kwartaal moet toepassen op de volledige contractuele loonmassa van het bestuur, dus zonder verbijzondering per medewerker. Ook als het bestuur met een zogenaamde step rate werkt (zie elders op deze pagina) zal dat het geval zijn. Dat percentage zal OFP Prolocus berekenen aan de hand van enerzijds de toezegging door het bestuur en anderzijds de eventuele tijdelijke bufferfinanciering. Daarnaast zal OFP Prolocus jaarlijks aan de RSZ vragen om een bijkomend bedrag te innen bij de besturen. Dat bedrag zal bestaan uit enerzijds de ontbrekende financiering (zodat de mate van bufferfinanciering voor alle besturen gelijk is) en anderzijds de jaarlijkse kosten.

De bedragen die de RSZ int, vloeien vervolgens (al dan niet via maandelijkse voorschotten) naar OFP Prolocus. Dat doet de nodige berekeningen om de juiste bedragen op de pensioenrekeningen van de medewerkers bij te schrijven. De ontvangsten voor de kostenvergoeding zal OFP Prolocus de eerste drie jaar opsparen, tot er meer duidelijkheid is over het werkelijke kostenniveau en het aantal aangesloten besturen en medewerkers.

Bij de pensionering van een medewerker ontstaat een derde stroom, nl. tussen OFP Prolocus en de gepensioneerde voor de uitbetaling van de opgebouwde reserves onder de vorm van een eenmalig kapitaal of een rente.

Wat verandert er voor de werknemers?

Zo weinig mogelijk. Het doel van het nieuwe systeem is om zo dicht mogelijk bij het huidige te blijven, zeker wat betreft de engagementen tegenover de contractanten. Over het nieuwe kaderpensioenreglement wordt ook onderhandeld binnen het Vlaamse Comité C1, met de bedoeling om op Vlaams niveau te komen tot maximale overeenstemming met de vakorganisaties.

Zoals de bestaande groepsverzekering, zal ook het nieuwe aanbod uitsluitend werken met werkgeversbijdragen en niet met werknemersbijdragen. Er is dus geen impact op het nettoloon van de contractanten. Ook de bestaande overlijdensdekking blijft behouden. Net als vandaag komt er dan weer geen vergoeding voor arbeidsongeschiktheid.

Besturen die zich hebben verbonden tot een bepaalde bijdrage op het loon (bv. 3%), zullen dat kunnen blijven doen onder het nieuwe stelsel. Daarnaast is er het door de wetgever opgelegde minimumrendement van vandaag 1,75%, waaraan elk systeem van aanvullende pensioenen moet voldoen. Er komen wellicht wel meer mogelijkheden voor werkgevers om het bijdragepercentage te laten afhangen van de hoogte van het loon, om zo het verschil tussen het laatste loon en het wettelijk pensioen extra te verkleinen. Dat is de zogenaamde 'step rate'. Besturen kunnen die toepassen omdat de berekening van het wettelijke pensioen vandaag geen rekening houdt met het loongedeelte boven de ca. 60.000 euro per jaar. Door op het loongedeelte daarboven een hogere toezegging (bv. 4%) toe te passen dan op het loongedeelte onder die grens (bv. 3%), kan een deel van dat negatieve effect worden geneutraliseerd.

Voor wie in 2022 of later als contractant met pensioen gaat, verandert er zeker wel iets. Ten eerste zal iedereen de mogelijkheid hebben om het aanvullende pensioen in kapitaal of in een levenslange rente te laten uitbetalen. Dat laatste zal echter, zoals de wet voorschrijft, alleen kunnen als die levenslange rente ten minste ca. 660 euro per jaar bedraagt, een jaarlijks te indexeren bedrag dat door de wetgever wordt opgelegd. In de huidige groepsverzekering was die keuze er eerst niet, maar door een uitspraak van de FSMA werd die in 2021 toch ingevoerd. Doordat dit pensioenplan pas in 2010 startte, kregen de meeste mensen die tot nu toe met pensioen gingen het aanvullend pensioen toch in kapitaal uitgekeerd, omdat de rente niet boven de wettelijke minimumdrempel kwam.

Daarnaast zal wie vanaf 2022 met pensioen gaat, mogelijk twee aanvullende pensioenen uitbetaald krijgen: één van Belfius Insurance of Ethias (tenzij de daar opgebouwde reserves zouden worden overgedragen) en een tweede van OFP Prolocus. Doel is in elk geval dat dit administratief zo goed en toegankelijk mogelijk wordt georganiseerd.

Voor de werknemers komt er een bijkomend voordeel, nl. de dekking van o.a. moederschapsrust, adoptieverlof, arbeidsongeval en beroepsziekte als gelijkgestelde periode. Dat is een verbetering tegenover de huidige groepsverzekering.

Voorts gaan de door de besturen betaalde kosten niet af van de bijdragen, maar komen ze erbovenop, zodat een groter deel van de financiering de medewerkers zelf ten goede komt. Dat is een extra voordeel voor de medewerkers.

Wat gebeurt er met de bij Belfius Insurance en Ethias opgebouwde reserves?

Tot begin 2022 blijven de reserves verder aangroeien met de bijdragen van de besturen die betrekking hebben op lonen van 2021 en met de rendementen op de financiële markten. Als er verder niets gebeurt, blijven de reserves nadien verder oprenten, en worden ze uiteraard ook gebruikt om de beloofde aanvullende pensioenen te betalen voor prestaties van contractanten tot eind 2021. Het rendement van 1,75% (en voorheen 3,35%) blijft hierbij gegarandeerd, wat betekent dat werkgevers hiervoor niet aangesproken kunnen worden.

Wat er uiteindelijk met de reserves gebeurt, maakt het voorwerp uit van extra onderzoek. Die beslissing moet ook niet nu genomen worden, maar kan ook nog later vallen. Afwegingen die daarbij kunnen spelen zijn het gegarandeerde rendement versus de kans op hogere (of het risico op lagere) rendementen binnen de nieuwe entiteit. Ook de administratieve eenvoud (één pensioeninstelling voor wie met pensioen gaat) of complexiteit (meer dan één pensioeninstelling) kan een rol spelen.

Wat gebeurt er de komende periode?

De VVSG bereidt samen met OFP Provant momenteel alle volgende stappen voor, met o.m. overleg met de FSMA (toezichthouder), de RSZ (voor de financiële en gegevensstromen), de vakorganisaties (voor het nieuwe kaderpensioenreglement - de eerste bespreking op het Vlaamse Comité C1 vond plaats op 10 november 2021), enz. Besturen die van oordeel zijn dat ze in dit nieuwe aanbod hun gading zullen vinden, hoeven in afwachting nog zelf geen stappen te zetten. Besturen die liever hun eigen weg gaan, beginnen het best nu aan een omgevingsverkenning, die kan resulteren in een overheidsopdracht voor een nieuwe groepsverzekering of het onderzoeken van de voorwaarden om toe te treden tot een bestaand pensioenfonds.

In februari 2022 zal de VVSG aan de Vlaamse lokale besturen modelbeslissingen bezorgen, met o.m.:

  • de toetreding tot OFP Prolocus
  • de beslissing over het toezeggingspercentage (bv. 3%) en de eventuele 'step rate' (zie hoger)
  • de afgevaardigde namens het bestuur in de algemene vergadering

De VVSG zal de besturen ook informeren over het noodzakelijke plaatselijke sociaal overleg.

Volgens de huidige planning zullen de besturen hierover tegen half mei 2022 een beslissing moeten nemen. Op 17 december 2021 worden de statuten van het huidige OFP Provant aangepast, met o.m. de naamsverandering tot Prolocus, de wijziging van de bestuursorganen, de toelating van andere dan alleen Antwerpse besturen, enz.

Voor alle duidelijkheid: de nieuwe tweede pijler zal gelden vanaf 1 januari 2022, dus deels met terugwerkende kracht. Uiteraard blijft de mogelijkheid bestaan dat besturen die vandaag bij de groepsverzekering zijn aangesloten nog later toetreden, maar dat is niet wenselijk. Ze hebben zich immers tegenover hun contractuele medewerkers verbonden om te voorzien in een tweede pensioenpijler. Bovendien moet bij een latere aansluiting ook van alles worden geregulariseerd, wat de kosten opdrijft.

Zal alles tijdig klaar zijn om de korting op de responsabiliseringsbijdrage te blijven genieten? 

Door de wet van 2018 krijgen besturen met een voldoende hoge tweede pijler voor hun contractanten korting op de responsabiliseringsbijdrage (deel van de financiering van het ambtenarenpensioen). Nu de groepsverzekering stopt en het nieuwe aanbod nog niet helemaal klaar is, stellen besturen de vraag of die korting gegarandeerd is.

Vandaag is het antwoord ja. Federaal minister van pensioenen Lalieux is zich bewust van de opzegging van de groepsverzekering (waarbij trouwens, naast Vlaamse, ook tal van Waalse en Brusselse besturen zijn aangesloten) en dus de noodzakelijke tijd die nodig is om een nieuw systeem op te zetten. Ze gaf al aan dat voor 2022 een verklaring op eer door de besturen zal volstaan waarin ze aangeven dat ze blijvend middelen uittrekken voor een aanvullend pensioen van ten minste 3%, tenzij op dat moment al een nieuwe pensioeninstelling is aangesteld. Het attest van april 2022 met betrekkiing tot de situatie van 2021 zal voor de besturen die tot eind dit jaar zijn aangesloten bij de groepsverzekering nog van Belfius Insurance en Ethias moeten komen. We verwijzen naar dit nieuwsbericht.

Groepsverzekering Belfius Insurance / Ethias (tot eind 2021)

Ruim 600 lokale besturen (gemeenten, OCMW's, OCMW-verenigingen, autonome gemeentebedrijven en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, provincies..), naast ook enkele Brusselse en tientallen Waalse lokale besturen, hebben zich aangesloten bij het initiatief van de VVSG en de toenmalige Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor Provinciale en Plaatselijke Overheden (RSZPPO) om werk te maken van de uitbouw van een tweede pensioenpijler voor hun ca. 80.000 contractuele personeelsleden.

Besturen die willen aansluiten kunnen zich baseren op het kaderpensioenreglement waarover onderhandeld werd in het Vlaams comité C1, aangevuld met de ingangsdatum, het bijdragepercentage en, in voorkomend geval, een inhaaltoelage. De VVSG heeft hiervoor een model van raadsbesluit opgesteld voor de gemeente- en OCMW-raad, en voor de hulpverleningszone.   Er is ondertussen ook een model beslissing voor besturen die het personeel van hun woonzorgcentrum willen aansluiten, en een model beslissing voor besturen die naar het FPD-pensioenplan willen overstappen. Het kaderpensioenreglement bindt het bestuur tegenover zijn contractueel aangestelde personeelsleden.

De RSZPPO heeft als opdrachtencentrale een Europese overheidsopdracht uitgeschreven om een pensioenverzekeraar aan te duiden: de samenwerking tussen Belfius Verzekeringen en Ethias in een tijdelijke handelsvennootschap. In totaal komen 100.000 contractuele medewerkers bij de lokale besturen in aanmerking. De Federale Pensioendienst en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hebben ondertussen de rol van de RSZPPO overgenomen, de eerste als opvolger van de opdrachtencentrale en als voorzitter van het Toezichtscomité Tweede Pijler Lokale Contractanten; de RSZ voor het doorsturen van de nodige gegevens (o.m. over tewerkstelling en salaris) aan de groepsverzekeraar.

Tussen het bestuur en de groepsverzekeraar wordt een groepsverzekeringsreglement afgesloten. Zie ook de bijlagen over de omzettingscoëfficënt die toepasselijk is bij de omzetting van het kapitaal in rente voor de aanvullende pensioenen opgenomen in de periode 2010-2015, voor de aanvullende pensioenen die opeisbaar waren in de periode 2016-2021 en voor de aanvullende pensioenen van dit pensioenplan die ingaan vanaf 2022.

Alle technische en inhoudelijke regelingen over de tweede pensioenpijler worden opgevolgd en afgewerkt door de groepsverzekeraar, de Tijdelijke Handelsvennootschap Belfius Verzekeringen - Ethias Lokale Contractanten. In het Toezichtscomité volgen de VVSG en de drie vakbondsorganisaties onder voorzitterschap van de FPD het geheel op samen met Belfius Verzekeringen en Ethias.

Algemene mailbox voor vragen over de tweede pensioenpijler: k12@rsz.fgov.be of bij uw plaatselijke contactpersoon.

Het attest dat besturen moeten afleveren dat ze in orde zijn met de Wet van 30 maart 2018 moet bezorgd worden aan de financiële dienst van de Federale Pensioendienst via HB4@sfpd.fgov.be.

Meer informatie over de groepsverzekering