Met het Decreet van 15 juli 2016 betreffende het Integraal handelsvestigingsbeleid (kortweg het decreet IHB) legde de Vlaamse Regering de krijtlijnen vast voor een meer duurzame organisatie van de detailhandel in Vlaanderen. Lees hier de Memorie van Toelichting. Een belangrijke rol is weggelegd voor de gemeentebesturen die verschillende instrumenten krijgen aangereikt om een ruimtelijk handelsbeleid te voeren.

We bundelden alle informatie op volgende webpagina’s

Daarbij leggen we ook telkens de link met relevante instrumenten en bepalingen die voortvloeien uit andere initiatieven en regelgeving.  We verwijzen ook maximaal naar de meest relevante informatie en documentatie die over deze onderwerpen beschikbaar is. Op deze manier kan deze en bovenstaande webpagina’s beschouwen als een wegwijs doorheen het integraal handelsvestigingsbeleid.

 

1. Historiek

Startnota Winkelen in Vlaanderen (2010)

De basis voor het huidige integraal handelsvestigingsbeleid werd gelegd in 2010. Op 23 juli 2010 keurde de Vlaamse regering op initiatief van toenmalig Vlaams minister-president Kris Peeters de startnota 'Winkelen in Vlaanderen goed. Deze ‘winkelnota’ vormde de basis voor verder overleg over een beleid van kernversterking zoals ook afgesproken in het Vlaamse regeerakkoord.

In de nota was er in de eerste plaats aandacht voor de ruimtelijk-economische aspecten. Dit leidde onder meer naar een ban op bijkomende handels- en horecazaken op bedrijventerreinen en een afwegingskader voor grootschalige detailhandel.

Daarnaast omhelsde de winkelnota ook een ondersteunend economisch luik.  Dit leidde tot een leidraad voor de opmaak van een strategisch commercieel plan en de lancering van twee subsidieoproepen om de kernversterking op gemeentelijk niveau een duwtje in de rug te geven.

Winkelnota 2.0 (2012)

Anderhalf jaar later keurde de Vlaamse regering de nota ‘Winkelen in Vlaanderen 2.0’ goed. Met dit  vervolg op de startnota legde het enerzijds de krijtlijnen vast voor de toekomstige regionalisering van de wet op de handelsvestigingen: een actievere benutting van enkele bestaande ruimtelijke instrumenten, de integratie van de socio-economische vergunning in de omgevingsvergunning en het handelsvestigingsconvenant.

Anderzijds bevatte ook deze nota enkele financiële stimulansen voor gemeenten in de vorm van een subsidieprogramma ‘handelskernversterking’ met drie luiken: aankoop van handelspanden, renovatie van handelspanden en kernversterkende maatregelen.

 

 

2. Het decreet integraal handelsvestigingsbeleid in een notendop

Na de startnota in 2010 en de winkelnota 2.0 in 2012 duurde het tot 2016 vooraleer het decreet integraal handelsvestigingsbeleid het licht zag. Uiteindelijk keurde de Vlaamse regering het decreet goed op 22 april 2016 en werd het gepubliceerd in het Staatsblad op 29 juli 2016.

Vooraleer uitvoeriger in te gaan op de verschillende onderdelen, schetsen we hier het decreet in het kort.

2.1 Vier basisdoelstellingen

De vier decretale doelstellingen van het integraal handelsvestigingsbeleid vormen de basis voor de visievorming op de verschillende bestuursniveaus, voor de vertaling in planningsinstrumenten en voor de beoordeling van een vergunningsaanvraag.

  1. Het creëren van duurzame vestigingsmogelijkheden voor kleinhandel, met inbegrip van het vermijden van ongewenste kleinhandelslinten
  2. Het waarborgen van een toegankelijk aanbod voor consumenten
  3. Het waarborgen en versterken van de leefbaarheid in het stedelijk milieu, met inbegrip van het versterken van kernwinkelgebieden
  4. Het bewerkstelligen van een duurzame mobiliteit

Deze doelstellingen worden uitvoerig besproken en ontleed in de leidraad IHB, meer bepaald in hoofdstuk 1.4 en in de bijlage 10.1 tot en met 10.4.

 

2.2 Van assortimenten naar kleinhandelscategorieën

De vele assortimenten die gehanteerd werden ten tijde van de IKEA-wet zijn herleid tot 4 categorieën van kleinhandelsactiviteiten.

  • Categorie A: verkoop van voeding
    Dit zijn alle kleinhandelsbedrijven die levensmiddelen verkopen. Deze winkels voorzien in de dagelijkse behoeften van consumenten, waardoor er sprake is van een hogere bezoekersfrequentie en meer verkeersimpact. Daardoor zijn er andere noden naar ruimtelijke spreiding en toegankelijkheid.
  • Categorie B: verkoop van goederen voor persoonsuitrusting
    Hieronder worden alle kleinhandelsbedrijven verstaan die textiel, kleding, modeaccessoires, schoenen, lederwaren, sieraden, reukwerk, cosmetica en andere persoonlijke verzorgingsproducten verkopen. Consumenten bezoeken vaak meerdere winkels tijdens één bezoek, waardoor ze ruimtelijk dikwijls beter als één geheel worden samengebracht.
  • Categorie C: verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw
    Vanwege de grondgebondenheid van handelsactiviteiten in planten en bloemen worden tuincentra regelmatig toegelaten op locaties waar andere handelsactiviteiten planologisch niet toegelaten worden, zoals agrarisch gebied. Tuincentra hebben vaak grote handelsoppervlakten nodig, waardoor ze geen plaats vinden in kernen. Het is niet wenselijk dat tuincentra zich richten op of omgevormd worden tot andere categorieën.
  • Categorie D: verkoop van andere producten.
    Hieronder verstaan we alle andere kleinhandelsbedrijven, in het bijzonder maar niet limitatief winkels die huishoudartikelen, elektro (bruin- en witgoed), wooninrichting, doe-het-zelfmaterialen, auto- en fietsartikelen en alle vrijetijdsproducten verkopen. Zij hebben vaak nood aan grotere oppervlakten en hebben dus een relatief grote ruimtelijke impact.

De beperking tot slechts 4 categorieën leidt tot een sterk verminderde vergunningsplicht. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden van gemeenten om te sturen op assortimenten of het type winkels.

Hier vind je de omzettingstabel om de oude assortimenten te vertalen naar de huidige kleinhandelscategorieën. 

2.3 Van een federale naar een Vlaamse vergunning

Dé aanleiding voor het decreet IHB was uiteraard de regionalisering van de bevoegdheid inzake de socio-economische vergunning, naar aanleiding van de zesde staatshervorming.  Dit decreet vervangt dus de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen (de zogenaamde IKEA-wet). Daarbij nam Vlaanderen verschillende elementen over, andere zaken wijzigde het – al dan niet radicaal. 

Wat blijft er behouden

  • Vergunningsplicht voor handelsvestigingen vanaf 400 m²
  • Begrippen zoals handelsbedrijf, handelsgeheel en netto handelsoppervlakte

Enkele belangrijke wijzigingen

  • Van losstaande vergunning naar een integratie in de omgevingsvergunning
  • Van 4 wettelijke criteria naar een ruimer toetsingskader: geldende planologische voorschriften, de vier decretale doelstellingen, de bestaande toestand en beleidsmatig gewenste ontwikkelingen.
  • De stilzwijgende goedkeuring bij het uitblijven van een beslissing is vervangen door een stilzwijgende weigering.
  • Van tientallen assortimenten naar 4 kleinhandelscategorieën. De belangrijke wijziging van de aard van de handelsactiviteit is vervangen door een wijziging van de categorieën.
  • De vergunningsprocedure wijzigde grondig: in bepaalde gevallen (grote dossiers) is de gemeente niet langer verantwoordelijk, de termijnen wijzigen, meer inspraakmogelijkheden.
  • De vereenvoudigde procedure voor beperkte verhuizingen (max. 1000 meter) is geschrapt. De vereenvoudigde procedure voor beperkte uitbreidingen (max. 20% netto handelsoppervlakte en/of max. 300 m²) is vervangen door een vrijstelling voor wijzigingen van max. 10% en/of 300m².
  • Het Nationaal-Sociaal Economisch Comité voor de Distributie (advies over vergunningen) en het Interministerieel Comité voor de Distributie (beroepsinstantie) zijn verdwenen. Het decreet creëert het Comité voor Kleinhandel, weliswaar met een andere rol.
  • De informatieplicht ten aanzien van de buurgemeenten is verdwenen.
  • Op het vlak van de handhaving blijft enkel een administratief spoor bestaan, de strafrechtelijke procedure is geschrapt.

 

2.4 Integrale benadering van het handelsvestigingsbeleid

Het decreet IHB handelt niet alleen over de vergunningen, integendeel. Het beoogt namelijk een uitdrukkelijke samenhang tussen de verschillende beleidsfasen: van de formulering van een visie (na analyse) over de vertaling in ruimtelijke planningsinitiatieven tot de beoordeling van vergunningsaanvragen.

Tegelijkertijd beoogt het een zelfde integraliteit tussen de verschillende overheidsniveaus (door de afstemming van de Vlaamse, provinciale en gemeentelijke visies op dezelfde overkoepelende doelstellingen) en tussen verschillende beleidsdomeinen (economie, ruimtelijke ordening, mobiliteit en milieu), onder meer via de integratie in de omgevingsvergunning.  Dit laatste betekent ook dat de aanvraag en beoordeling van een kleinhandelsvergunning ook via het omgevingsloket verloopt.

Deze ruimere ambitie op het vlak van integraliteit ontbrak volledig in de federale wet die enkel handelde over het vergunningenluik.

2.5 Instrumentarium

In het verlengde van die verruimde scope omvat het decreet ook een instrumentarium.  Enerzijds verruimt het de mogelijkheid van bestaande instrumenten (ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen), anderzijds creëert het ook een regelgevend kader voor een bestaande praktijk: het handelsvestigingsconvenant. In het voorontwerp van decreet was er ook nog sprake van kleinhandelsreglementen waarmee overheden nog meer beperkingen zouden kunnen opleggen. Dit instrument haalde echter het uiteindelijke decreet niet.

Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de decreetgever dat gemeenten de detailhandelsvisies vertalen in ruimtelijke plannen, zodat deze ook rechtsgeldig en met de nodige rechtszekerheid kunnen doorwerken in het vergunningenbeleid. In het verleden was dit ook al (deels) mogelijk, maar door het decreet IHB kan een gemeente via RUP of verordening nu ook:

  • Verschillende normen (minimale en/of maximale oppervlakte) opleggen voor de vier categorieën van detailhandel, incl. uitsluiten van bepaalde categorieën
    Voorheen kon dit enkel voor de gehele functie ‘handel’
  • Afbakenen van kernwinkelgebieden en winkelarme gebieden (in combinatie met voorgaande mogelijkheid, nl. specifieke bepalingen voor de vier kleinhandelscategorieën)
  • Verschillende bepalingen opnemen voor nieuwe, dan wel bestaande kleinhandel
  • De vrijstellingstermijnen voor kortlopende kleinhandelsactiviteiten inperken

Met het handelsvestigingsconvenant introduceert de regelgever een nieuw instrument dat gemeenten de mogelijkheid geeft om op vrijwillige basis afspraken te maken met ontwikkelaars of exploitanten van kleinhandelsbedrijven over onder meer een rationeel aanbod- en locatiebeleid; gezamenlijke initiatieven en de bekostiging ervan; en de participatie aan kernversterkend beleid (bv. in de vorm van een financiële bijdrage). Over het convenant bestaan heel wat misvattingen. Zo is het allesbehalve het ultieme vangnet voor afspraken die niet toegelaten zijn in het kader van een RUP, verordening of vergunning. Ook convenanten moeten immers de Europese mededingingsregels en de Dienstenrichtlijn respecteren.

 

3. Meer info?

Het is duidelijk dat het integraal handelsvestigingsbeleid heel wat wijzigingen met zich meegebracht heeft, zeker ook op gemeentelijk vlak.  Door de gefaseerde inwerkingtreding en de stapsgewijze vertaalslag naar de (lokale) praktijk is er een wirwar aan documentatie en informatie ontstaan.  Om te vermijden dat u door de bomen het bos niet meer ziet, zetten we hieronder de voornaamste bronnen op een rijtje. In de onderliggende hoofdstukken verwijzen we op meer gedetailleerde wijze  naar specifieke onderdelen van deze bronnen.

 

 

4. Inwerkingtreding decreet IHB

De inwerkingtreding van het IHB-decreet verliep gefaseerd. Hieronder een overzicht van de verschillende mijlpalen.

De enige artikelen die nog in werking moeten treden (artikelen 28, 29, 41 en 51), betreffen enkele wijzigings- en opheffingsbepalingen.