2022Lokaal06 - Zwerfvuilkosten doorrekenen.jpg
Provider image

Vanaf 2023 moeten de lidstaten van de EU de kosten voor het opruimen van zwerfvuil doorrekenen aan de producenten van onder andere drankverpakkingen en sigaretten. De Vlaamse lokale besturen geven jaarlijks meer dan 144 miljoen euro uit aan zwerfvuilbeheer. Als ze deze kosten aan de producenten doorrekenen, ligt dat in lijn met de vraag van de VVSG om milieukosten zoveel mogelijk te internaliseren en de producenten volledig verantwoordelijk te stellen voor producten wanneer die afval worden.

Op 5 juni 2019 keurde het Europees Parlement de Europese Richtlijn Single Use Plastics (EU 2019/904) goed. Die heeft tot doel de effecten van kunststofproducten voor eenmalig gebruik op mens en milieu te voorkomen, te verminderen en de overgang naar een circulaire economie te bevorderen. Een van de maatregelen is dat lidstaten de kosten voor het opruimen van zwerfvuil van die wegwerpproducten – officieel ‘kunststofproducten voor eenmalig gebruik’ – verhalen op de oorspronkelijke producent. Het gaat niet alleen om de kosten voor het inzamelen van afval van deze producten via straatvuilnisbakken en het machinaal en manueel opruimen van het zwerfvuil ervan, ook sensibiliseringscampagnes vallen eronder.

Mede op vraag van de VVSG werd deze richtlijn in 2021 met een potentieel breder toepassingsgebied omgezet in het Vlaamse Materialendecreet. Bedoeling van de Vlaamse regelgeving is dus de kosten niet alleen door te rekenen aan de producenten van kunststofproducten, maar potentieel aan de producenten van alle fracties in het zwerfvuil. Ook aluminium blikjes kom je bijvoorbeeld veel tegen in zwerfvuil, maar die vallen niet onder de Europese Richtlijn. Het kan niet de bedoeling zijn dat een producent zich aan de kosten kan onttrekken door een ander type verpakkingsmateriaal te gebruiken.

OVAM-onderzoek brengt nodige data in kaart

De doorrekening van de zwerfvuilkosten aan de producenten is complex, de OVAM voerde er de afgelopen maanden en jaren al verschillende onderzoeken voor uit. Een tweejaarlijks onderzoek brengt de hoeveelheid zwerfvuil en de bijhorende beleidskosten in kaart. In 2019 werd 22.641 ton zwerfvuil opgeruimd, en dat is een stijging met 11% sinds 2015. Het zwerfvuilbeheer kost de gemeenten, en dus ook de belastingbetaler, handenvol geld. In 2019 ging het om meer dan 160 miljoen euro, waarvan de lokale besturen meer dan 144 miljoen euro op zich namen.

Om de kosten te verdelen over de verschillende betrokken producenten bracht de OVAM via metingen op meer dan 6500 locaties in Vlaanderen de samenstelling van zwerfvuil in kaart. Aantallen, gewichten en volumes werden genoteerd. Het volume is een belangrijke parameter voor het vuilnisbakkenbeleid en het transport van het ingezamelde afval, het gewicht is dan weer relevant voor transport en verwerking. Het aantal stuks heeft invloed op de arbeidsintensiviteit van het opruimen en de kwaliteit van het straatbeeld. Uit de resultaten blijkt dat 35% van het volume zwerfvuil bestaat uit flesjes en blikjes; tabaksproducten zoals sigarettenpeuken en -doosjes vormen in aantallen dan weer 42,5% van het zwerfvuil. Ballonnen en vochtige doekjes, twee fracties waarvoor Europa verplicht de kosten door te rekenen aan de producenten, maken maar een zeer klein deel van het zwerfvuil uit. Het is nu dus aan de Vlaamse regering om aan te duiden voor welke fracties de kosten doorgerekend zullen worden aan de producenten. Aangezien de andere Belgische gewesten een gelijkaardige regeling moeten uitwerken met de producenten, zal dit waarschijnlijk geregeld worden via een Interregionaal Samenwerkingsakkoord (ISA). Zo’n ISA bestaat er al voor de financiering van de inzameling van huishoudelijk verpakkingsafval.

Zodra bekend is welke producenten welk deel van de kosten moeten dragen, moet de totale vergoeding van de producenten ook verdeeld worden over de verschillende Vlaamse gemeenten. De OVAM heeft daar in overleg met de VVSG een verdeelsleutel voor uitgewerkt. Die vertrekt van de oppervlakte van zwerfvuilgevoelige gebieden in een gemeente, bijvoorbeeld stopplaatsen voor het openbaar vervoer, afvalverzamelplaatsen of winkelstraten. Op basis van de vervuilingssnelheid van al die locaties heeft de OVAM berekend welke inspanning, uitgedrukt in een percentage, elke gemeente in Vlaanderen moet doen om het huidige kwaliteitsniveau van het openbaar domein op het vlak van zwerfvuil te bereiken. Dat percentage zou dan meteen ook het aandeel zijn dat ze ontvangen uit de totale vergoeding van de producenten.

 

Producenten willen regie over zwerfvuilbeleid

Fost Plus, Comeos en Fevia lanceerden in december 2021 een voorstel om het beheer van zwerfvuil onder te brengen bij Fost Plus. Fost Plus, dat namens de producenten van verpakkingen instaat voor de coördinatie en financiering van de inzameling van huishoudelijk verpakkingsafval, zou dan contracten afsluiten met lokale besturen waarin onderhandeld moet worden over welke vergoeding de producenten betalen voor welke activiteit. Dit voorstel gaat in tegen de manier waarop de OVAM deze doorrekening heeft voorbereid, namelijk door de totale vergoeding voor heel Vlaanderen vast te leggen en deze via een verdeelsleutel over de gemeenten te verdelen. —

 

Piet Coopman is VVSG-stafmedewerker afvalbeleid Coördinator Interafval
Voor Lokaal 06 | 2022

Standpunt: gemeenten regisseur van lokaal zwerfgoedbeleid

De Raad van Bestuur van de VVSG nam in maart 2022 een standpunt in over de doorrekening van de zwerfvuilkosten aan de producenten. De VVSG vraagt de timing van de Europese Richtlijn te respecteren en de kosten dus zeker vanaf januari 2023 door te rekenen.

Ze steunt daarbij ook de manier waarop de OVAM deze doorrekening heeft voorbereid, meer specifiek op basis van de beschikbare data uit het tweejaarlijks onderzoek naar de beleidskosten en de fractietelling wat betreft de samenstelling. Nog volgens de Raad van Bestuur van de VVSG kan het niet de bedoeling zijn dat de verpakkingsproducenten het lokale zwerfvuilbeleid mee gaan aansturen. Dat zou immers gebeuren, wanneer Fost Plus de regie voor het lokale zwerfvuilbeleid zou opnemen. Het beheer van de openbare ruimte is een kerntaak van lokale besturen.

Wanneer verpakkingsproducenten dat beleid mee zouden bepalen, zou de nadruk vooral liggen op meer opruimen, terwijl dat geen structurele oplossing is voor het zwerfvuilprobleem. In die zin zijn de belangen van de verpakkingsproducenten niet in overeenstemming met de manier waarop de lokale besturen de bestrijding van zwerfvuil willen organiseren, namelijk via sterk preventief beleid.