2021Lokaal05 Onroerend erfgoed laat niemand onberoerd.png
Provider image

Als het aan minister Matthias Diependaele ligt, krijgen steden en gemeenten meer verantwoordelijkheid voor het onroerende erfgoed. Hij wil hen nog meer betrekken bij de keuze van wat erfgoed is, bij de herbestemming van gebouwen en bij de instandhouding ervan. ‘Lokale besturen zijn de motor van het onroerenderfgoedbeleid.’

Matthias Diependaele is naast minister van Begroting en Wonen ook minister van Onroerend Erfgoed. ‘Maar van de drie bevoegdheden is onroerend erfgoed het leukst. Naast de grote uitdagingen die de andere beleidsdomeinen ook kennen, denk maar aan de financiële kant van de zaak, is onroerend erfgoed ook boeiend en ontroerend. Erfgoed bepaalt mee de identiteit van ons allen, onroerend erfgoed is de materiële uitdrukking van die identiteit, mensen voelen zich erbij betrokken, en wat je ermee doet, kan een positieve impact hebben op onze samenleving. Dat maakt onroerend erfgoed zo boeiend, iedereen voelt zich aangesproken.’

Welke grote lijnen wil je met het nieuwe beleid uitzetten?
‘Ik wil nog meer mensen meer betrekken bij het onroerend erfgoed en de verantwoordelijkheid spreiden. Ik wil lokale besturen meer betrekken bij het Vlaamse beleid en de Vlaamse overheid tot dichter bij het lokale beleid brengen. Lokale besturen voelen het beste aan wat belangrijk is voor de mensen in hun dorpen of wijken. We weten allemaal dat het Antwerpse Steen, de Gentse Sint-Baafskerk of de Leuvense Abdij van het Park waardevol patrimonium is, maar de Vlaamse overheid kan niet inschatten of de Sint-Gaugericuskerk in mijn Zottegemse dorp Sint-Goriks-Oudenhove enig belang heeft. Als inwoners vinden we ze belangrijk, alleen al omwille van de cafeetjes met hun terrassen aan elke kant van de kerk.’

Maar is ze ook nog belangrijk als kerk?
‘Dan kom ik op de tweede krijtlijn van het vernieuwde onroerenderfgoedbeleid: erfgoed moet een betekenisvolle plaats in de publieke ruimte innemen. Bij de bouw van het Gravensteen moesten steden zich tegen aanvallen kunnen beschermen. In de periode dat er veel steenkool werd ontgonnen, werden enorme mijngebouwen neergepoot. Al onze kerken dateren uit de tijd dat er veel gelovigen waren. Deze gebouwen kunnen hun oorspronkelijke functie niet behouden, toch niet allemaal. Het is niet zo simpel om mijngebouwen of kerken een nieuwe betekenisvolle rol in de openbare ruimte te geven, want erfgoed is een deel van het publieke leven. Dat voel je als je een glas drinkt op de Antwerpse Grote Markt of als je de trein neemt in het Gentse Sint-Pieters-station.

Een voorbeeld dat de complexiteit van herbestemmen goed illustreert, is de Gentse Sint-Annakerk. In deze tijd zijn er minder kerkgangers, veel kerken spelen zelfs wekelijks niet meer de rol van gebedshuis, terwijl de renovatie en het onderhoud handenvol geld kosten. Hoe kunnen we toch betekenis geven aan die miljoenen euro renovatie? Je moet weten dat die Sint-Annakerk al tien jaar niet meer te bezichtigen is. Doodjammer is dat. Daarom wordt er gezocht naar een nieuwe invulling.

Een invulling die aansluit bij de oorspronkelijke functie vonden we niet en niet alle kerken kunnen een culturele bestemming krijgen, bovendien heeft de Sint-Annakerk een resonantie van acht seconden, niet bepaald ideaal voor muziekuitvoeringen. Toen kwam Delhaize met een voorstel. Ik begrijp de emoties heel goed, een supermarkt in de kerk voelt vreemd aan maar wie verder nadenkt, ziet dat dit een goede oplossing is, want zo moet Delhaize mee investeren, ze moet conserveren, want niet alles kan zomaar als je eigenaar bent van erfgoed, en ten derde wordt het gebouw weer toegankelijk.’

Een boekhandel in de kerk zoals in Maastricht is toch een mooiere invulling dan een supermarkt?
‘Dat klopt, maar er zijn veel minder boekhandels dan er kerken zijn. Vlaanderen telt 1800 parochiekerken waarvan er 600 beschermd zijn. Een supermarkt hoeft niet dé oplossing te zijn, maar het is niet simpel om frisse ideeën te vinden.’

Wat is de derde krijtlijn in je beleid?
‘Naast meer betrokkenheid en een plaats in de publieke ruimte wil ik ook meer aandacht besteden aan het onderhoud van ons onroerend erfgoed. Verval kwetst de mensen, mensen willen zien dat mooie gebouwen goed onderhouden worden. Daarom zet ik meer in op onderhoud. Tot nu toe was het dikwijls lang wachten op een renovatie, waardoor het gebouw ondertussen in een zeer slechte toestand verkeerde en er dikwijls al veel verloren ging. Ik wil dit omkeren en in plaats van te kunnen rekenen op maximaal 25.000 euro per jaar voor het onderhoud van een gebouw verhogen we dat tot maximaal 250.000 euro, twee keer op vijf jaar tijd. Dat wordt de standaardpremie.

We berekenen het premiebedrag op basis van de kostenraming of offerte. We controleren welke werken in aanmerking komen voor een erfgoedpremie. Het gebruikelijke premiepercentage blijft op 40 procent. Daarnaast komen er bijzondere premies waarin we een element van competitiviteit steken. Projecten zullen worden afgewogen op hun creatieve invulling of op meerwaarde doordat ze een nieuwe taak of plaats in de publieke ruimte krijgen. Voor de zomer lanceren we de eerste oproepen: eentje voor scholen, een voor toerisme naast een voor herbestemming van kerken, maar ook eentje voor een nieuwe economische invulling. Na corona willen we de economische groei weer doen aantrekken en dit past in het relanceplan. Uiteraard gaat dit om beschermde monumenten, maar zo kan een beschermd industrieel gebouw een nieuwe invulling krijgen.’

In de visienota noem je de lokale besturen ook de motor van het lokale onroerenderfgoedbeleid. Wat verwacht je van een goede motor?
‘Een herverdeling van de verantwoordelijkheden. Enerzijds nemen we gezamenlijk de verantwoordelijkheid op, met als idee dat lokale besturen het beste oordeel kunnen vellen als het op erfgoed aankomt. Maar ook is er een onderhoudsplicht van monumenten, en die krijg je zodra het gebouw op de inventaris staat.’

Zijn lokale besturen klaar voor meer verantwoordelijkheid?
‘Ik kan ze alleen maar aanmoedigen om hiervan gebruik te maken en de ruimte te nemen die ze krijgen. In de contacten van het laatste jaar zie ik veel enthousiasme, en dat is hartverwarmend. Erfgoed heeft duidelijk een meerwaarde voor de inwoners, voor onze samenleving, maar die staat ook voor gigantische uitdagingen.’ ‘Lokale besturen kennen de gemeenschappen in hun dorpen en wijken, want ze staan er dicht bij. Zo was vóór de lockdown een heel dorp aanwezig bij de heropening van een klein parochiekerkje. Die erfgoedwaarde was eerder beperkt, maar er speelden ook andere afwegingen mee waarom dat kerkje belangrijk was.’ 

‘Of neem nu het mijnerfgoed, jarenlang werd dat verwaarloosd, nu beoordelen we dat anders, want de visie op erfgoed is evolutief. Dat is niet verkeerd. Je kunt niet alles beschermen of houden zoals het was. Je kunt je ook de vraag stellen of we nu erfgoed bouwen voor de toekomst. Er moet ruimte zijn voor vernieuwing en je moet ook zuinig zijn met bescherming.’

Bedoel je dat er te veel werd beschermd in het verleden?
‘We moeten het bestand doorlichten om te weten of de bescherming nog klopt. Dat is een terechte oefening. Wat beschermen we op het Vlaamse niveau en wat laten we over aan het lokale niveau? Vlaanderen moet zuiniger kijken naar zijn instrumenten.’ ‘Het is gevoelig om een voorbeeld van een monument te geven, maar neem nu een fictief voorbeeld uit het roerend erfgoed, zoals Autoworld. Ze hoeven daar niet van elk model tien exemplaren bij te houden. En ook daar komt de rol van het lokale bestuur om de hoek kijken, want de stad of gemeente kan dat het best lokaal inschatten.’

Een aantal gemeenten vragen zich af of ze aan deze verwachtingen tegemoet kunnen komen.
‘Onze rol blijft. Veel gemeenten vonden ook dat ze te weinig inspraak hadden en dat was terecht. Erfgoed is emotie en identiteit en daarbij spelen lokale besturen een belangrijke rol. Er is geen besparing gepland. Integendeel, het premiesysteem is een plusoperatie, van een stijging van tien miljoen de eerste twee jaar en dan drie jaar twintig miljoen, zodat we op tachtig miljoen euro extra uitkomen.’ ‘Daarnaast hebben we een eenmalig relanceplan van 100 miljoen euro, vooral voor een economische relance in de renovatie- en bouwsector, maar ook om aan de Europese duurzaamheidsvoorwaarden te voldoen. Hiervan werd al 57 miljoen euro vastgelegd, onder meer voor duurzaamheidsingrepen.

Van de dertien centrumsteden zijn alleen Leuven, Roeselare en Turnhout al onroerenderfgoedgemeente. Hoe ga je de andere centrumsteden verleiden om ook onroerenderfgoedgemeente te worden?
‘Hiervoor moet de politieke wil aanwezig zijn. Hopelijk komt die wil er, nu we hen meer invulling voor dat eigenaarschap geven. Door een grotere verantwoordelijkheid worden ze hopelijk meer verleid. Je ziet dat al wel. Leuven heeft er hard mee gewerkt, kleinere gemeenten ook, ze willen die rol op zich nemen. Ik heb er alle vertrouwen in dat het zal groeien.’

Zeventig procent van de gemeenten is aangesloten bij een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. Hoe verhouden zij zich tot de huidige regiovorming?
‘In analyses wordt al jaren de vinger op de wonde gelegd: het intergemeentelijk landschap is te versnipperd. Nu worden de eerste voorzichtige stappen gezet om dat op orde te krijgen. Het is ook een uitdaging voor de vakministers, en voor mijn bevoegdheid wonen is dat nog moeilijker dan voor onroerend erfgoed. Maar de oefening is terecht, ik sta erachter, het is een goede zaak.’

Die intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten vallen niet per se gelijk met de regio’s of hun subregio’s?
‘De lokale besturen hebben tien jaar de tijd om dat kader aan te passen. Zelf vind ik dit schitterend voor de Vlaamse Ardennen, omdat je dan met dezelfde gemeenten werkt aan onroerend erfgoed, toerisme en sport, ook met de horeca en de lokale economie kun je dan prachtige dingen realiseren door al die domeinen op elkaar af te stemmen.’ ‘Als ik het goed voorheb, moet alles waarvoor Vlaanderen bevoegd is tegen 2024 in dezelfde regio georganiseerd zijn, en de gemeentelijke samenwerkingsverbanden voor bijvoorbeeld onroerend erfgoed of toerisme tegen 2031, al zijn uitzonderingen mogelijk.’

Welke andere uitdagingen zie je nog voor in de toekomst?
‘Hoe kunnen we privékapitaal aantrekken en andere financieringsbronnen aanboren? We denken hierbij aan een erfgoedloterij, maar door de bevoegdheidsverdeling in dit land is dat niet zo evident.’ ‘Daarnaast hebben we het Heritaverhaal met de ledenwerving waarbij mensen zeer betrokken zijn, zodat erfgoed zo breed mogelijk wordt gedragen. Weet je, we hebben een nulmeting verricht waarbij blijkt dat zeventig procent van de mensen zich bij erfgoed betrokken voelt. Als je zo’n hoge nulmeting hebt, is het natuurlijk niet zo eenvoudig om dat te verbeteren. Open Monumentendag is een sterk merk met elk jaar zo’n 400.000 bezoekers.’ ‘De meeste privé-eigenaars zetten zich met hart en ziel in voor het erfgoed, dat doe je zeker niet voor de subsidies. Maar met zin voor de instandhouding. Grotere ontwikkelaars kunnen ook een rol spelen, zo zal een privéontwikkelaar in Brugge na twintig jaar verkommering de oude Weylerkazerne een nieuwe bestemming geven als appartementen.’ ‘Wij mogen trots zijn op ons erfgoed en we mogen er meer mee uitpakken. Onroerend erfgoed speelt een rol in eigenwaarde en als bindmiddel voor de samenleving die meer is dan de optelling van individuen. Erfgoed is een deel van de identiteit, het is er de materiële veruitwendiging van.’ •

 

Marlies van Bouwel is hoofdredacteur van Lokaal en Lieselot Decalf is VVSG-stafmedewerker cultuur en erfgoed
Voor Lokaal 05 | 2021