Voedselnoodhulp: Aan tafel met Jusra Baki
Wat schuilt er achter voedselnoodhulp in Vlaanderen? In deze reeks delen onderzoekers, hulpverleners, vertegenwoordigers van lokale besturen en ervaringsdeskundigen hun inzichten. Gesprekken met inzichten die je blik verruimen. Vandaag spreken we met Jusra Baki (AP Hogeschool). Voor haar onderzoek Food Care(opent nieuw venster) onderzocht ze hoe mensen in kwetsbare situaties keuzes maken over voeding.
Gaat voedselnoodhulp over honger bestrijden of over extra budgetruimte creëren?
Die tegenstelling zien we in onderzoek eigenlijk niet terug. Voedselnoodhulp vervult in de praktijk meerdere functies tegelijk, en welke functie op de voorgrond staat, verschilt sterk per context en per huishouden.
Voor sommige mensen is voedselnoodhulp een manier om acute voedseltekorten op te vangen. Voor anderen creëert ze vooral ademruimte binnen een al zeer krap budget, waardoor bijvoorbeeld vaste kosten of medische uitgaven betaald kunnen worden. Beide realiteiten bestaan naast elkaar en zijn vaak verweven.
Tegelijk blijft de vraag bestaan: zolang sociaaleconomische ongelijkheid bestaat, zullen we voedselonzekerheid blijven kennen. De discussie gaat dan niet alleen over de vraag of voedselnoodhulp nodig is, maar ook hoe en met welk soort voedsel we dat organiseren, en welke rechtvaardigheid we daarbinnen nastreven.
Het wordt problematisch als voedselnoodhulp structurele armoede verdoezelt of normaal wordt als antwoord op inkomensproblemen. Vanuit dat perspectief is voedselnoodhulp nooit een doel op zich, maar altijd een noodmaatregel binnen een breder sociaal beleid.
“Voedselnoodhulp is nooit een doel op zich, maar een noodmaatregel binnen een breder sociaal beleid.
Jusra BakiOnderzoeker AP Hogeschool, Kenniscentrum Mens & Maatschappij
Veel voedselhulp vertrekt van voedseloverschotten. Werkt dat systeem?
Veel voedselhulp is georganiseerd rond voedseloverschotten en wil tegelijk twee doelen bereiken: overschotten verminderen en mensen ondersteunen die zelf onvoldoende voedsel kunnen betalen. In de praktijk blijkt echter dat een groot deel van dit voedsel bij aankomst bij de eindgebruiker niet meer geschikt is voor consumptie, bijvoorbeeld door slechte opslag, invriezen en ontdooien, of doordat het gaat om producten die niet passen binnen een gezond dieet of het dieet van het huishouden.
Daar ontstaat een paradox. Mensen zouden gezond moeten eten, maar het aanbod en de omstandigheden maken dat vaak onmogelijk.
Effect meten vraagt meer dan cijfers
Hoe kunnen beleidsmakers een voedselnoodhulpactie effectief evalueren?
Dat begint met de vraag wat je onder effectiviteit verstaat. Als je alleen kijkt naar het aantal bereikte mensen of naar het volume verdeelde voedseloverschotten, blijft een groot deel van de impact buiten beeld.
Binnen veel onderzoeken, en ook Food Care, tonen we aan dat evaluatie meerdimensionaal moet gebeuren. Naast bereik en continuïteit zijn onder meer de volgende vragen essentieel:
- Sluit het aanbod aan bij de noden en leefwereld van mensen?
- Wordt de impact op gezondheid meegenomen, en voldoet het voedsel aan de voedingsaanbevelingen van onder andere de Hoge Gezondheidsraad en het Vlaams Instituut Gezond Leven?
- Worden keuzevrijheid en waardigheid gerespecteerd in de manier waarop mensen worden voorzien en bejegend?
- Is de hulp toegankelijk zonder extra drempels?
Daarnaast is het cruciaal om ervaringen en behoeften van gebruikers systematisch te integreren in evaluaties, niet als bijlage maar als volwaardig criterium.
Als je mag kiezen: maaltijdcheques of producten verstrekken?
Deze vraag laat zich moeilijk beantwoorden als persoonlijke voorkeur. Ook als gezinnen zelf kunnen kiezen, blijft die keuze sterk afhangen van de context. Zowel maaltijdcheques als voedselbedeling via voedselbanken, sociale kruideniers of sociale restaurants hebben voor- en nadelen.
Veel hangt af van de gezinsgrootte, de kookmogelijkheden, schulden, mobiliteit, het beschikbare voedingsbudget en de lokale infrastructuur. Daarnaast moet je je afvragen in welke mate maaltijdcheques het gezinsbudget echt versterken. Zonder inzicht op het noodzakelijke voedingsbudget per huishouden kun je moeilijk beoordelen of zulke maatregelen voldoende zijn en op termijn standhouden.
Voedselnoodhulp wordt vaak langdurig gebruikt, terwijl ze in principe tijdelijk zou moeten zijn. Zolang inkomens structureel ontoereikend blijven, blijft het beleid beperkt tot symptoombestrijding. Vanuit dat perspectief lijkt het aangewezen om maaltijdcheques inkomensgerelateerd en structureel toegankelijk te maken, zowel voor werkenden als voor mensen die niet kunnen werken, én voor zij die onder of rond de armoedegrens leven. Verschillende partners pleiten hiervoor terecht, aangezien voeding een directe impact heeft op onze gezondheid.
Keuzevrijheid bepaalt mee de kwaliteit
Uit Food Care blijkt ook dat veel vormen van voedselnoodhulp onvoldoende aansluiten bij de voedingsaanbevelingen, onder meer door de afhankelijkheid van reststromen. Die verschillende vormen botsen vaak op beperkingen in kostprijs, aanbod en keuzevrijheid. Daardoor moeten gezinnen bijkopen in lokale (super)markten om volwaardige maaltijden te kunnen bereiden.
Belangrijker dan de precieze vorm van voedselhulp is dus de vraag hoeveel keuzevrijheid mensen krijgen en in welke mate het aanbod aansluit bij hun dagelijkse realiteit. Voor mensen met dieetbeperkingen, religieuze voedingsvoorschriften of culturele eetpatronen zijn de alternatieven vaak beperkt. Informele netwerken en burgerinitiatieven kunnen dan een belangrijke rol spelen, maar die blijven in onderzoek vaak onder de radar.
Een mooi voorbeeld hiervan zijn buurtkeukens die met vrije bijdragen werken. Deelnemers kiezen daar zelf wat ze voor een warme maaltijd kunnen betalen en de kookploeg eet vaak gratis mee. De Kompaan in Borgerhout is zo’n voorbeeld. Hoewel ook zij werken met voedseloverschotten, bieden ze keuzevrijheid in wat iemand op zijn bord schept, en zijn de maaltijden voedzaam en kwaliteitsvol (vegetarisch, met veel gezonde proteïnen zoals linzen en kikkererwten).
Hoewel dit geen traditionele voedselnoodhulp is, draagt hun werkwijze bij aan sociale verbinding, voedseltoegang en waardigheid. Ze toont dat voedselondersteuning ook op andere manieren structurele ongelijkheid kan verzachten. Vanuit Food Care pleiten we daarom niet voor één model, maar voor flexibele, combineerbare vormen van voedselondersteuning, gekoppeld aan structurele maatregelen die inkomens versterken en voedseltekorten structureel aanpakken.
“Belangrijker dan de vorm van voedselhulp is de vraag hoeveel keuzevrijheid mensen krijgen.
Jusra BakiOnderzoeker AP Hogeschool, Kenniscentrum Mens & Maatschappij
Sociale steun helpt, maar mag niet verplichten
Moet voedselnoodhulp ook sociale ontmoeting en begeleiding bieden?
Dat kan een duidelijke meerwaarde zijn, maar het is niet in elke context vanzelfsprekend of wenselijk. Voor sommige mensen verlaagt een sociaal aanbod de drempel en doorbreekt het isolement. Voor anderen moet voedselnoodhulp net discreet en functioneel blijven.
Voor mensen met een klein netwerk of beperkte toegang tot hulp kan een betrouwbare tussenpersoon cruciaal zijn om ook andere sociale rechten op te nemen. Maar dat lukt alleen als medewerkers en vrijwilligers over voldoende sociale en interculturele vaardigheden beschikken. Food Care toont dat vooroordelen tegenover gebruikers nog te vaak voorkomen. Dat kan de toegang tot hulp in de praktijk bemoeilijken.
Als je begeleidende maatregelen structureel inbedt, bijvoorbeeld als voorwaarde voor financiering, dan moet je ook voldoende vorming en ondersteuning voorzien. Vrijwilligers moeten genoeg ruimte en tijd krijgen om gebruikers te leren kennen en vertrouwen op te bouwen.
De kern blijft voor ons dat sociale ontmoeting nooit verplicht of voorwaardelijk mag zijn. Een vrijblijvend en respectvol aanbod, waarbij mensen zelf kiezen of ze deelnemen, sluit het best aan bij de principes die wij vooropstellen.
Vrijwilligers dragen veel verantwoordelijkheid
Hoe belangrijk zijn vrijwilligers in de voedselnoodhulp in Vlaanderen?
Vrijwilligers spelen vandaag een onmisbare rol in de organisatie van voedselnoodhulp. Hun engagement en lokale verankering maken veel initiatieven mogelijk. Tegelijk toont ons onderzoek ook hoe kwetsbaar die sterke afhankelijkheid is.
De uitdagingen zitten onder meer in de continuïteit, de draagkracht en de vergrijzing van vrijwilligersgroepen. Bovendien komen vrijwilligers vaak in complexe situaties terecht, zonder dat ze daarvoor altijd voldoende ondersteuning of opleiding krijgen.
We benadrukken ook het belang van kritische reflectie op vooroordelen, bijvoorbeeld wat als gezonde voeding geldt. Voedingsnormen zijn cultureel bepaald. Zonder kennis van diverse keukens dreig je de leefwereld en competenties van gebruikers te miskennen.
Dat roept ook een bredere vraag op: waar ligt de grens tussen vrijwillig engagement en de structurele verantwoordelijkheid van overheden? Vrijwilligers kunnen veel betekenen, als ze de nodige ondersteuning en scholing krijgen. Maar ze kunnen structurele tekorten in het sociaal beleid niet opvangen.
Moet voedselhulp vooral gericht zijn op logistieke efficiëntie (zoals het verdelen van overschotten), of moeten gezondheid, keuzevrijheid en waardigheid altijd primeren?
Deze vraag vertrekt van een tegenstelling die in de praktijk minder scherp is dan ze lijkt. Efficiëntie is belangrijk, maar mag nooit een doel op zich worden. Logistieke keuzes moeten in dienst staan van gezondheid, keuzevrijheid en waardigheid.
Als efficiëntie leidt tot een aanbod dat mensen niet kunnen of willen gebruiken, dan verlies je net effectiviteit. Je ziet dat bijvoorbeeld wanneer voedsel zich opstapelt in huishoudens zonder dat het echt wordt geconsumeerd, door beperkte bewaarmogelijkheden, dieetkeuzes of de verplichting om bepaalde producten mee te nemen.
De uitdaging is dus niet kiezen tussen efficiëntie en waardigheid, maar systemen ontwerpen waarin beide elkaar versterken. Dat vraagt afstemming, lokale flexibiliteit en betrokkenheid van gebruikers. Ons onderzoek toont bovendien dat voedseloverschotten vaak slecht aansluiten bij gezonde voeding. Vet- en suikerrijke producten zijn nu eenmaal sterk aanwezig in reststromen. Tegelijk legt men de verantwoordelijkheid nog te vaak bij de gebruiker, terwijl prijs, beschikbaarheid en de energie- en tijdskost van bereiding het eetgedrag sterk beïnvloeden.
Lokale besturen verbinden en sturen
Welke uitdagingen en kansen zien jullie voor lokale besturen?
Lokale besturen zitten in een spanningsveld. Ze staan dicht bij de praktijk en bij de noden van gebruikers, maar werken binnen bovenlokale beleidskaders waarop ze maar beperkt wegen.
Een belangrijke kans ligt in een sterke regierol. Lokale besturen kunnen welzijn, gezondheid, armoedebeleid en lokale initiatieven met elkaar verbinden. Ze kunnen voor afstemming, kwaliteitskaders en ondersteuning zorgen, zonder alles zelf te organiseren.
Tegelijk is het essentieel dat ze blijven benoemen waar hun mandaat en draagkracht stoppen. De structurele oorzaken van voedselonzekerheid moet je ook op Vlaams en federaal niveau aanpakken.
Initiatieven zoals gesubsidieerde schoolmaaltijden tonen dat investeren in gezonde voeding op jonge leeftijd loont. Het draagt bij aan een betere fysieke en mentale gezondheid en levert op lange termijn maatschappelijke winst op, zoals bijvoorbeeld blijkt uit GoodFood@School van Rikolto.
Er loopt wel een maatschappelijk debat over de rol van scholen. Sommigen beschouwen gezonde voeding uitsluitend als een verantwoordelijkheid van ouders. Maar het belang van gezonde schoolmaaltijden ligt niet in de eerste plaats in het bestrijden van voedselonzekerheid, en ook niet in het corrigeren van vermeende tekorten aan kennis, motivatie of bereidheid bij gezinnen in kwetsbare situaties. De essentie ligt elders. Gezonde schoolmaaltijden vormen een structureel tegengewicht voor een voedselomgeving waarin goedkope, vet- en suikerrijke producten overal aanwezig zijn en waarin kinderen en jongeren bijzonder vatbaar zijn voor commerciële en prijsgerichte prikkels. In tegenstelling tot volwassenen beschikken zij in mindere mate over de mogelijkheid om deze prikkels te weerstaan of eraan te ontsnappen.
Door op school gezonde maaltijden aan te bieden en leerlingen te betrekken bij keuzes in het voedingsaanbod, begrens je die invloed en plaats je voeding tijdelijk in een andere context. Subsidies voor scholen met kinderen uit gezinnen met beperkte financiële middelen vormen daarbij een essentiële randvoorwaarde om financiële drempels weg te nemen en te waarborgen dat alle leerlingen effectief toegang hebben tot een gezonde maaltijd op school.
Auteur
-
StevenDesairStafmedewerker sociale voedselstrategieën
Fotograaf
- Lies Engelen Photography
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsUp to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenPraktijkvoorbeelden
-
Antenne in Oostende: méér dan een sociale kruidenier
Maatschappelijke dienstverleningLokaal sociaal beleidArmoedeWerk, sociale economie en activering -
De Wisselaar: Beerse - Oostende
Maatschappelijke dienstverleningLokaal sociaal beleidWerk, sociale economie en activering -
De Knoop in Ninove
Zorg en gezondheidArmoedeMaatschappelijke dienstverleningLokaal sociaal beleid
Relevante kennisgroepen
Nieuws
-
Nieuws
Tweede en derde golf kloppen tegelijk aan bij OCMW’s
Lokaal sociaal beleid -
Verhaal
OCMW-verhaal: activering krijgt lokaal vorm
Maatschappelijke dienstverleningLokaal sociaal beleidWerk, sociale economie en activering -
Nieuws
DigiCheck meet digitale basisvaardigheden van medewerkers
Maatschappelijke dienstverleningDigitale transformatieDiversiteit en gelijke kansenPersoneelsbeleid
Relevante opleidingen
- Provincie Vlaams-Brabant - Provinciehuis Leuven, Provincieplein, Leuven, België
Voedselnoodhulpdag Vlaams-Brabant