Scroll naar beneden voor de lijst met documenten

Update 20/12/2022 - Rechtspraak veroordeelt Fedasil tot opheffing code 207 – Impact OCMW-dienstverlening voor asielzoekers

Door de verzadiging van het opvangnetwerk voor verzoekers internationale bescherming (asielzoekers) krijgen heel wat verzoekers internationale bescherming (IB) niet de opvangplaats waar ze recht op hebben. De verzoeker IB kan dan een eenzijdig verzoekschrift indienen bij de arbeidsrechtbank die Fedasil dan zal veroordeling tot het toekennen van een opvangplaats. Na veroordeling moet Fedasil binnen de 24u of 48u opvang verlenen en dit onder dreiging van een dwangsom. Enkele maanden geleden kon Fedasil meestal nog na enkele weken een opvangplaats geven. Nu loopt de wachttijd na een veroordeling al op tot enkele maanden. Die situatie heeft de arbeidsrechters ertoe gebracht om hun veroordelingen aan te passen. Fedasil wordt nu niet alleen veroordeeld tot het verlenen van opvang maar ook tot het opheffen van de toewijzing aan een opvangstructuur, de zgn. code 207 (no show). Verzoekers zonder code 207 in het wachtregister hebben recht op maatschappelijke dienstverlening door het OCMW als ze ook de andere voorwaarden vervullen.

In de praktijk heft Fedasil de codes 207 niet op. De OCMW’s worden vervolgens geconfronteerd met verzoekers IB die zo’n veroordeling voorleggen en een equivalent leefloon vragen. Het probleem is dat de OCMW’s geen partij zijn bij het geding waarbij Fedasil veroordeeld wordt en dat de veroordeling dus niet tegenstelbaar is aan het OCMW. Bovendien is het wachtregister een authentieke bron van informatie voor de OCMW’s en worden zij geacht om rekening te houden met de gegevens die in het wachtregister staan. Dus ook met de niet door Fedasil opgeheven code 207. En verzoekers IB met een code 207 hebben geen recht op maatschappelijke dienstverlening (art. 57ter OCMW-wet). De verzoeker IB heeft dan geen andere optie dan een beroep in te dienen tegen de weigeringsbeslissing van het OCMW waarna de arbeidsrechter het OCMW zal veroordelen.

Om deze verspilling van middelen zowel voor justitie als voor de OCMW’s te vermijden, vraagt de POD MI in de Echo van 30 november 2022 dat de OCMW's de dossiers met zo'n veroordeling samen met vermelding van de naam van de hulpvrager aan de POD MI bezorgen. De POD MI zal het dossier dan samen met Fedasil bekijken. Voor zover er geen tegenindicatie is, zal Fedasil de code 207 no show in de door de POD MI gesignaleerde dossiers prioritair behandelen en de code 207 op korte termijn opheffen. Zodra die opheffing gebeurd is, kan het OCMW een equivalent leefloon toekennen als ook de andere voorwaarden vervuld zijn. Als de opheffing toch niet gebeurt, kan het OCMW dat signaleren aan de POD MI. 

Voorlopig zijn we enkel op de hoogte van Franstalige rechtspraak. Bezorg ons de veroordelingen die aan jullie voorgelegd worden zodat wij dit mee kunnen opvolgen.

Update 20/12/2022 - Verzadigd Opvangnetwerk – Verplichte en vrijwillige opheffing toewijzing opvangstructuur (code 207) op basis van tewerkstelling

Om de verzading van het opvangnetwerk te verminderen, heeft de federale overheid opnieuw een maatregel genomen die verzoekers internationale bescherming (IB) toelaat om de opvang te verlaten. Deze maatregel kan ook gevolgen hebben voor de lokale besturen. Door de opheffing van de toewijzing aan een opvangstructuur (hierna de code 207) kunnen deze verzoekers IB immers het recht op maatschappelijke dienstverlening openen. Dit betekent dat ze een equivalent leefloon en andere aanvullende hulp kunnen vragen indien ze ook de andere toekenningsvoorwaarden vervullen. De VVSG is bezorgd over de gevolgen van deze nieuwe maatregel en wil de impact ervan opvolgen.

Opheffing van de toewijzing aan een opvangstructuur: instructie Fedasil

De instructie van Fedasil van 10 november 2022 herneemt voor de verplichte opheffing van de code 207 de voorwaarden voorzien in de bestaande regeling voor werkende bewoners van opvangstructuren. Bij de vrijwillige opheffing zijn de voorwaarden heel wat ruimer. (Zie VVSG-Nota Werken en Verblijf in een LOI voor meer informatie over de bestaande regeling)

De instructie is in werking getreden op 14 november 2022.

Voorwaarden verplichte opheffing

In tegenstelling tot de bewoordingen in de instructie, wordt de verplichte opheffing niet alleen toegepast op bewoners van collectieve opvangstructuren maar ook op LOI-bewoners (update per mail van 22 november 2022).

In de collectieve opvangstructuren wordt de code 207 verplicht opgeheven als de tewerkstelling voldoende zekerheid biedt op basis van een stabiele arbeidsovereenkomst en een voldoende hoog loon. Dat betekent concreet:

  • een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van minstens 6 maanden of een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur EN
  • een maandelijks nettoloon hoger dan het leefloon voor die categorie.

Met deze voorwaarden zou vermeden moeten worden dat de betrokkenen kort na hun vertrek een beroep moeten doen op het OCMW voor een (aanvullend) leefloon of hulp bij het vinden van huisvesting. In de praktijk blijkt dat zeker niet altijd altijd het geval. OCMW's met een opvangcentrum op hun grondgebied melden dat zij al hulpvragen krijgen van verzoekers IB die een verplichte opheffing hebben gekregen nog voordat de betrokkene de opvangstructuur verlaten heeft. Het gaat vooral over hulpvragen i.v.m. huisvesting. De mogelijkheden van deze verzoekers IB op de huurmarkt werden dus niet realistisch ingeschat.

In de LOI wordt de code 207 verplicht opgeheven als de LOI-bewoner al meer dan 6 maanden aan het werk is en nog steeds aan het werk was eind september 2022. Bovendien moet de LOI-bewoner ofwel gedurende de eerste 6 maanden van 2022 minstens een loon gelijk aan 6 maanden leefloon ontvangen hebben ofwel tussen januari 2021 en juni 2022 minstens een loon gelijk aan 12 maanden leefloon ontvangen hebben. Ook al vermeld de opheffingsbeslissing een vertrektermijn van 32 dagen, toch geldt voor de LOI-bewoners een vertrektermijn van 2 maanden.

Fedasil wil de maatregel in eerste instantie toepassen op alleenstaanden en koppels zonder kinderen. Die aanpak wordt ongetwijfeld mee ingegeven door de situatie op de huisvestingsmarkt. De betrokken bewoners moeten de collectieve opvangstructuur in principe (zie verder) immers binnen de maand verlaten maar er is geen huisvestingsvoorwaarde voor de opheffing. Ook met een loon dat minstens gelijk is aan het leefloon, is het vinden van een woning binnen één maand niet evident (zie verder onder flankerende maatregelen). In de reeds bestaande regeling voor werkende bewoners van opvangstructuren was de vertrekperiode dan ook beduidend langer (zie VVSG-Nota Werken en Verblijf in een LOI voor meer informatie over de bestaande regeling).

Er werden 360 beslissingen tot verplichte opheffing genomen. De meeste betrokken bewoners moesten de opvangcentra verlaten omtrent 24 december. Fedasil heeft de vertrekdatum uitgesteld. Eerst tot 9 januari 2023 en vervolgens tot 23 janauri 2023. Nadien kunnen de opvangcentra nog uitstel aanvragen via Match-IT. Daar gelden dezelfde procedure en criteria als bij andere transitiedossiers (bewijs zoektocht huisvesting etc). Op die manier loopt de uitstroom van deze groep bewoners op dezelfde wijze als de uitstroom van bewoners die moeten vertrekken na een positieve beslissing.

Voorwaarden vrijwillige opheffing

De code 207 kan opgeheven worden voor bewoners die op het moment van de aanvraag cumulatief de volgende voorwaarden vervullen:

  • al minstens 4 maanden ononderbroken in de opvang verblijven; 
  • alle volwassen gezinsleden moeten een lopend verzoek internationale bescherming hebben (geen Dublin); 
  • tewerkstellingsvoorwaarde: 
    • ofwel betaald werk hebben maar de tewerkstelling beantwoordt niet aan de voorwaarden voor een verplichte opheffing van de code 207
    • ofwel regelmatig gewerkt hebben tijdens de voorbije 4 maanden
    • ofwel concrete vooruitzichten hebben op werk op zeer korte termijn
    • te bewijzen met een arbeidsovereenkomst, loonfiches of elk ander bewijs van werk of verbintenis op korte termijn.
  • Huisvestingsvoorwaarde: 
    • een duurzame verblijfsoplossing hebben die de betrokkene in staat stelt om ten laatste 30 dagen na de indiening van de aanvraag te vertrekken 
    • te bewijzen door een adres op te geven.

Bij de vrijwillige opheffing is er geen voorwaarde m.b.t. de hoogte van het loon. Fedasil zal de aanvraag bekijken en al dan niet goedkeuren. Het is onduidelijk in welke mate het loon een rol speelt. De instructie vermeldt enkel dat er met de hoogste lonen gestart wordt. Verder biedt de huisvestingsvoorwaarde ook weinig garanties. Het opgeven van een adres is te vrijblijvend. Indien Fedasil de opheffing toestaat, bepaalt Fedasil ook de vertrektermijn. Hier voorziet de instructie dus geen vaste vertrektermijn van één maand zoals bij de verplichte opheffing.

Flankerende maatregelen

Om het vinden van huisvesting te faciliteren voor de bewoners die de opvang verlaten na een verplichte of een vrijwillige opheffing van de code 207, zal er bij samenwoonst met een gastgezin geen rekening gehouden worden met elkaars inkomen. Deze maatregel geldt tot 1 april 2023. Ook al vermeldt de instructie van Fedasil de erkend vluchtelingen en subsidiair beschermden die deze status minder dan 6 maanden geleden gekregen hebben ook als doelgroep van deze maatregel, voor de POD MI is de maatregel enkel van toepassing op de verzoekers IB die onder de instructie vallen. In de Echo van 30 november 2022 bevestigt de POD MI enerzijds dat het samenwonen geen impact heeft op de berekening van het (equivalent) leefloon waarop zij eventueel recht hebben en dit tijdens de eerste 3 maanden toekenning maar anderzijds verwijst de POD MI naar de doelgroepen van de instructie van Fedasil waarmee dus enkel de verzoekers IB bedoeld worden. Het OCMW van de plaats van inschrijving voor het hoofdverblijf in het wachtregister is bevoegd.

Concreet kan er vanaf 8 december 2022 een specifieke code LOG (07) in IT 141 gezet worden waardoor beide gezinnen als aparte gezinnen beschouwd worden, te vergelijken met de code (LOG) 06 bij de tijdelijk beschermden uit Oekraïne. Na 6 maanden vanaf de inschrijving vervalt de code (LOG) 07 in IT 141. Lees meer in de Instructie van het Rijksregister.

Fedasil bekijkt ook nog op welke manier er na vertrek nog sociale ondersteuning en dan vooral ondersteuning met betrekking tot het verzoek IB geboden kan worden. Dat moet evenwel nog concreet uitgewerkt worden.

Impact op de OCMW's

Het is onduidelijk hoe groot die impact zal zijn. Er werden 360 beslissingen tot verplichte opheffing genomen. Hoeveel bewoners in aanmerking komen voor een vrijwillige opheffing is ook nog niet duidelijk.

De vraag is hoeveel bewoners een aanvraag vrijwillige opheffing willen doen. De vorige instructie van Fedasil van 12 juli 2022 waarbij een vrijwillige opheffing op basis van tewerkstelling mogelijk was, had niet zoveel succes. Lees hier meer. Nu wil Fedasil de bewoners er evenwel ook op wijzen dat er begin 2023 een gewijzigde regeling komt voor werkende bewoners waarbij het de bedoeling is dat de bijdrage die werkende bewoners moeten betalen eindelijk ook effectief geïnd zal worden. Dat de collectieve opvangstructuren niet kunnen nagaan welke bewoners werken en dat Fedasil de bijdragen niet int als die niet vrijwillig betaald worden, is immers al langer een pijnpunt in de bestaande regeling. Lees meer in de VVSG-nota Werken en Verblijf in een LOI.

Zoals steeds bij dergelijke maatregelen tot opheffing van de code 207, is de opheffing definitief zodra de betrokkene de opvangstructuur verlaten heeft. Als de verzoeker IB nadien zijn werk verliest, is er dus geen terugkeer naar de opvang mogelijk en kan de betrokkene een beroep doen op het OCMW.

Installatiepremie en huurwaarborg

Zoals gezegd krijgen de OCMW's nu al hulpvragen van bewoners die de opvang moeten verlaten en die geen woning vinden. Ook de vraag naar installatiepremie en huurwaarborg wordt gesteld.

Verzoekers IB die een opvangstructuur voor asielzoekers verlaten, hebben recht op een tegemoetkoming voor de installatie in een woning. Al naargelang de situatie en de voorwaarden die vervuld zijn, zal dat een installatiepremie op basis van de OCMW-wet zijn of de huisvestingskosten asielzoekers op basis van artikel 5 van het ministerieel besluit van 30 januari 1995.

Als de eerste huisvesting na het verlaten van de opvangstructuur, een tijdelijke opvang bij familie of vrienden is, dan is de verzoeker IB op dat moment te beschouwen als dakloze. Als de verzoeker IB deze tijdelijke opvang verlaat en een woning vindt, verliest de betrokkene de hoedanigheid van dakloze en kan hij/zij een tegemoetkoming voor de installatie in die woning vragen. Als ook de andere voorwaarden vervuld zijn, krijgt de betrokkene de installatiepremie voorzien in de OCMW-wet. De verzoeker IB heeft in dit geval immers ofwel een loon ofwel reeds een (aanvullend) equivalent leefloon gehad.

Als de eerste huisvesting na het verlaten van de opvangstructuur een eigen woning is, verliest de betrokkene de hoedanigheid van dakloze en kan hij/zij een tegemoetkoming voor de installatie in die woning vragen. Een verblijf in een opvangstructuur van Fedasil wordt gelijkgesteld met dakloos zijn. In dit geval had de betrokkene voordien de hoedanigheid van verzoeker IB en kan het OCMW de huisvestingskosten asielzoekers ten laste nemen. De huisvestingskosten asielzoekers is een regeling die wat in de vergetelheid is geraakt. Hier lees je er meer over. Wat de voorwaarde betreft dat de huisvesting moet plaatsvinden in de gemeente van het steunverlenend OCMW, sie stelt in deze gevallen geen probleem. De verzoeker IB heeft immers in de opvangstructuur van Fedasil nog geen steunverlening gekregen van een OCMW. Indien de verzoeker IB vanuit een opvangstructuur in gemeente A naar een eigen woing in gemeente B gaat, dan zal het OCMW van gemeente B het eerste OCMW zijn dat een vorm van steun zal toekennen. 

Verzoeker IB komen niet in aanmerking voor een huurwaarborglening omdat ze ingeschreven zijn in het wachtregister. Als een hulpvraag voor een huurwaarborg gesteld wordt, is dat inderdaad een hulpvraag die het OCMW beoordeelt zoals alle andere hulpvragen voor een huurwaarborg.

 Beoordeling van de maatregel

De VVSG blijft van mening dat dergelijke maatregelen te vermijden zijn. Zowel voor de OCMW’s die al zwaar overbevraagd zijn als voor de betrokken verzoekers IB zelf.

Bij de verplichte opheffing bestaat het risico dat zij geen eigen woning vinden en dan een beroep moeten doen op opvang bij familie en vrienden waarbij het risico bestaat dat zij kort nadien dakloos worden. Bij de vrijwillige opheffing bestaat het risico dat zij toch niet duurzaam terecht kunnen op het opgegeven adres, ook vaak van familie of vrienden. In beide gevallen is de kans behoorlijk groot dat zij op een gegeven moment moeten vertrekken, ook al wordt er met elkaars inkomen geen rekening gehouden. Dan moet er een andere oplossing gevonden worden en dat zal niet eenvoudig zijn want de private huurmarkt is compleet verzadigd. Zo ontstaat een risico op dakloosheid. Dat kan ook ernstige gevolgen hebben voor het verloop van de procedure IB.

De VVSG wil de impact van deze instructie op de OCMW’s kunnen opvolgen. Laat het ons dus weten als jullie een hulpvragen van deze groep ontvangen. Fabienne.crauwels@vvsg.be

Impulsfonds: Premie voor openen LOI-plaatsen overtuigt niet

Vrijdag 2 september 2022 verstuurde Fedasil een oproep aan de lokale besturen om bijkomende LOI-plaatsen te openen. Om de lokale besturen over te streep te trekken, is er voor het eerst een Impulsfonds dat premies geeft in functie van het type LOI-plaats dat bijkomend geopend wordt (meer details in de oproep). Uit de eerste reacties blijkt dat er weinig enthousiasme is om op deze vraag van Fedasil in te gaan. Niet omdat de lokale besturen niet beseffen hoe ernstig de opvangcrisis is. Wel omdat er nog steeds geen antwoorden zijn op de vragen die de lokale besturen nu al meerdere jaren stellen. Bovendien staan de lokale besturen momenteel onder zware druk door de energiecrisis, de opvang en begeleiding van tijdelijk beschermde vluchtelingen uit Oekraïne, een steeds nijpender wordend personeelstekort en de nasleep van de coronacrisis.

Voor de lokale besturen is de opvang van verzoekers internationale bescherming (IB) nog steeds belangrijk. Zij organiseren immers vele duizenden opvangplaatsen voor verzoekers IB in lokale opvanginitiatieven (LOI). Na vele opeenvolgende opbouw-en-afbouw-bewegingen is het draagvlak voor het openen van bijkomende LOI-plaatsen sterk aangetast. Om dat draagvlak te herstellen, verwachten de lokale besturen een antwoord op hun vragen.

Algemeen is er absoluut nood aan meer stabiliteit op langere termijn in het opvangnetwerk. Concreet voldoende structurele opvangplaatsen, effectief gerealiseerde bufferplaatsen en een systeem van monitoring om sneller te kunnen ingrijpen bij dreigende overbezetting van het opvangnetwerk.

Specifiek is er nood aan zekerheid m.b.t. de rol van de LOI in het toekomstige opvangbeleid zowel qua opgevangen personen (niet alleen transitieopvang maar ook voldoende verzoekers IB met een hoge beschermingsgraad) en aantal LOI-plaatsen met een gegarandeerde stabiele bezetting als qua ruimere ondersteuning zoals het zoeken naar huisvesting, de beschikbaarheid van tolken en dergelijke meer. Ook de volledige financiering van de opvang van verzoekers IB door de federale overheid moet gegarandeerd en het gebruik van de reserves moet verduidelijkt worden waarbij het mogelijk moet worden om die reserves in te zetten om renovaties door te voeren of af te ronden.

Ten slotte is er ook het grote tekort aan betaalbare kwaliteitsvolle woningen. Om meer LOI-plaatsen te openen, moeten de lokale besturen ook woningen huren. Zo komen zij in concurrentie met hun hulpvragers die in hetzelfde segment van de huurmarkt op zoek zijn naar een geschikte woning.

Opvangmodel Verzoekers Internationale Bescherming

In het opvangmodel voor verzoekers internationale bescherming (IB) is collectieve opvang het uitgangspunt. Individuele opvang in onder andere lokale opvanginitiatieven (LOI) is ofwel het sluitstuk (de zgn.transitieopvang) ofwel eerder de uitzondering. Dit opvangmodel moet leiden tot een efficiënt(er) beheer van het opvangnetwerk en toelaten om meer in te zetten op de toewijzing van de meest aangepaste opvangplaats van bij het indienen van de verzoek IB. In werkelijkheid werd het opvangnetwerk de laatste jaren vooral geconfronteerd met crisissituaties die gepaard gingen met indrukwekkende opbouw gevolgd door al even indrukwekkende afbouw. Een groot aandachtspunt voor de OCMW’s is dan ook het tegengaan van de sterke schommelingen in het opvangnetwerk. Vooral de laatste opbouw-en-afbouw beweging in 2018 heeft het draagvlak bij de lokale besturen voor het openen van bijkomende LOI-plaatsen aangetast. Lokale besturen vragen meer stabiliteit op langere termijn gericht op het verzekeren en respecteren van hun rol in de opvang van verzoekers IB.

De federale overheid wil een stabiel en flexibel opvangmodel met voldoende bufferplaatsen en oog voor een langetermijnbeleid. Daarbij wordt gestreefd naar een nieuw evenwicht tussen collectieve opvangcentra en individuele opvangplaatsen. Voor de meeste verzoekers IB zal de opvang nog steeds collectief zijn maar er is ook sprake van individuele opvang voor gezinnen met kinderen naast de specifiek kwetsbare verzoekers en verzoekers met een hoge beschermingsgraad die nu al in de individuele opvang terechtkunnen. De federale overheid is zich er ook van bewust dat er ongenoegen en frustraties zijn bij de lokale besturen. Daarom wil de federale overheid een dialoog met de lokale besturen  aangaan om samen tot betere samenwerkingsverbanden te komen. Voorlopig is die dialoog evenwel nog steeds niet opgestart. Om het draagvlak voor bijkomende LOI-plaatsen te vergroten, verwachten de lokale besturen een helder antwoord op hun vragen. Zij hebben nood aan zekerheid m.b.t. hun rol in het toekomstige opvangbeleid zowel qua opgevangen personen, aantal LOI-plaatsen en bezettingsgraad als qua ruimere ondersteuning zoals het zoeken naar huisvesting, de beschikbaarheid van tolken en dergelijke meer.

 Voor de LOI betekent het opvangmodel concreet dat zij momenteel instaan voor:

◾ de transitie-opvang: de opvang van bewoners die al een positieve beslissing gekregen hebben (erkenning, subsidiaire bescherming, regularisatie ten gronde, enz. voor zover het een verblijfsrecht van meer dan 3 maanden betreft) met als doel dat zij binnen de 2 maanden (2 keer verlengbaar met telkens 1 maand) het LOI kunnen verlaten voor een eigen woning;
 hoge beschermingsgraad: de opvang van verzoekers IB die afkomstig zijn uit een land waarvoor er een hoge beschermingsgraad geldt (concreet 80% positieve beslissingen), die op een beslissing ten gronde van het CGVS wachten en die al minstens 2 maanden in een collectief opvangcentrum verblijven;
specifieke kwetsbare groepen: In principe worden deze verzoekers IB  aan de NGO's toegewezen die specifieke opvangplaatsen voorzien hebben waar extra en/of specifieke begeleiding geboden wordt maar ook de LOI kunnen een specifiek aanbod hebben.

In tijden van hoge bezetting van het opvangnetwerk kan er afgeweken worden van dit opvangmodel.

Volgens de VVSG is de transitie-opvang een moeilijke opdracht waarvan het succes niet alleen bepaald wordt door de inspanningen die het LOI en de bewoner leveren maar ook door heel wat externe factoren. Daarom heeft de VVSG er van bij de start op aangedrongen dat de uitstroomtermijn moet toelaten om duurzame huivesting te vinden. Duurzame huisvesting betekent dat bewoners niet onder tijdsdruk in een te dure woning terecht komen of in een woning in slechte staat of tijdelijk opgevangen worden door familie en vrienden waarna de zoektocht in nog lastigere omstandigheden verdergezet moet worden. De uitstroomtermijn van 2 maanden kon uiteindelijk toch 2 keer met telkens één maand verlengd worden (in uitzonderlijke gevallen langer). Uit de recenste bevraging van de VVSG volgt evenwel dat een meerderheid van de LOI er niet in slaagt om de termijn van 4 maanden te respecteren. De VVSG pleit nog steeds voor een grondige evaluatie van de uitstroomtermijn waarbij niet alleen wordt nagegaan of de 4 maanden gehaald worden maar ook hoe vaak er duurzame huisvesting gevonden wordt.

Volgens de VVSG staat de voorwaarde dat verzoekers IB met een hoge beschermingsgraad pas naar een LOI kunnen als ze al minstens 2 maanden in een collectief opvangcentrum opgevangen werden, haaks op de doelstelling om deze groep verzoekers IB versneld te integreren. Een andere bezorgdheid is dat er zo bijna geen verschil meer is tussen de transitie-opvang en de opvang hoge beschermingsgraad. Ten minste in de periodes dat het CGVS binnen de streeftermijn van maximaal 6 maanden een beslissing kan nemen, wat in periodes van verhoogde instroom niet altijd het geval is.

Voor de LOI is het nochtans belangrijk dat zij ook nog verzoekers IB in procedure gedurende een langere periode kunnen begeleiden en niet alleen voor de uitstroom van bewoners met een positieve beslissing moeten zorgen. Dat zijn ten slotte twee verschillende opdrachten. Als de LOI hoofdzakelijk instaan voor de uitstroom, dreigen opgebouwde expertise in het begeleiden van verzoekers IB en de rond het LOI uitgebouwde netwerken van andere hulpverleners, organisaties en vrijwilligers verloren te gaan.  Volgens de VVSG moet de toewijzing na maximaal 4 weken gebeuren tenzij er duidelijke tegenindicaties zijn.

De VVSG pleit voor een evaluatie van het opvangmodel zodat er desgevallend bijgestuurd kan worden.

 

Instructies Fedasil en VVSG-nota's

Hier vindt u de meest relevante instructies van Fedasil alsook een aantal VVSG-nota's.

Recente items

Premie voor openen extra lokale opvangplaatsen overtuigt niet 1
Nieuws - 09-09-2022
Premie voor openen extra lokale opvangplaatsen overtuigt niet
# Vreemdelingen, Materiële opvang, Samenleving, gezin & welzijn Lees meer