Lagere tarieven en toch meer belastingontvangsten
Hoewel de tarieven van de gemeentelijke aanvullende personenbelastingen al een tijdje licht dalen, komen er toch meer inkomsten binnen. Lokaal zocht uit hoe dat komt.
Alle Vlaamse gemeenten, op De Panne, Knokke-Heist en Koksijde na, heffen een aanvullende belasting op de personenbelasting (APB). De gemeenteraden zijn vrij om het tarief ervan te bepalen, zolang het niet meer dan één cijfer na de komma telt. Besturen die minder dan 5% heffen, krijgen wel minder geld uit het Gemeentefonds.
De APB is, net als de opcentiemen op de onroerende voorheffing, een aanvullende belasting. Dat betekent dat het gemeentelijke tarief wordt toegepast op de te betalen basisbelasting, in dit geval de personenbelasting. Als iemand bijvoorbeeld 50.000 euro verdient en daarop 15.000 euro personenbelasting moet betalen, komt daar bij een APB-tarief van 7,5% (de huidige mediaan bij de Vlaamse gemeenten) 15.000 x 7,5% = 1125 euro voor de gemeente bovenop. Het APB-tarief wordt dus niet rechtstreeks berekend op het belastbare inkomen (50.000 euro in dit voorbeeld).
Wat een gemeente als ontvangsten uit de APB kan halen, is afhankelijk van een reeks factoren. Ten eerste is er uiteraard de bevolkingsgrootte, want hoe meer inwoners er zijn, hoe hoger het volume aan verdiende inkomens.
Inkomens
Ten tweede speelt de hoogte van de inkomens van de inwoners een belangrijke rol. Voor alle duidelijkheid, in ons land worden de inkomens belast in de woonplaats en niet (deels) in de gemeente waar mensen werken. Tussen de Vlaamse gemeenten zijn de verschillen qua gemiddeld inkomen groot. Zo lag het gemiddeld belastbaar inkomen per inwoner in Vlaanderen in 2022 op 23.272 euro, met een minimum van 16.759 euro in Mesen en een maximum van 32.961 euro in Sint-Martens-Latem, net geen twee keer zoveel dus.
De evolutie van de inkomens wordt uiteraard bepaald door de economische omstandigheden, zoals de conjunctuur, de situatie op de arbeidsmarkt en de inflatie. De voorbije twintig jaar groeiden de totale belastbare inkomens in Vlaanderen met 3,75% per jaar, maar in 2021 was dat met 4,02% en in 2022 zelfs met 8,08%. Die sterke groei kwam er ondanks de coronapandemie, en hij was vooral te wijten aan de hoge inflatie, met geregelde aanpassingen van de lonen en uitkeringen aan de levensduurte.
Fiscaliteit
Een derde bepalende factor voor de gemeentelijke APB-inkomsten is de belastingwetgeving van de Vlaamse en de federale overheid. Het is immers door de toepassing van die regels dat de te betalen personenbelasting wordt bepaald. Een specifiek kenmerk van de Belgische fiscaliteit is de progressiviteit van de belastingtarieven: op de onderste schijf van het inkomen betaal je geen belastingen, en op de hogere schijven een oplopend tarief tot maximaal 50%.
Met dat systeem wordt de personenbelasting niet alleen ingezet als middel om inkomsten voor de Staat te realiseren, maar ook als instrument voor herverdeling. Het gevolg is wel dat iemand met een hoger inkomen niet alleen meer belastingen in euro betaalt – dat zou ook het geval zijn zonder progressieve aanslagvoeten –, maar ook in procent van het verdiende inkomen. Voor de inkomens verdiend in 2022 lag de gemiddelde belastingdruk (berekend als de personenbelasting in verhouding tot het belastbare inkomen) in Vlaanderen op 22,48%. Het laagste cijfer zagen we in grensgemeente Baarle-Hertog (14,07%, doordat een belangrijk deel van de verdiende inkomens in Nederland worden belast), het hoogste in Tervuren (28,27%).
Voor alle duidelijkheid: de geciteerde gegevens zijn gemiddelden voor de betrokken gemeenten, berekend door het totaal aan aangerekende personenbelastingen te delen door de som van de belastbare inkomens verdiend door de eigen inwoners. Voor de individuele belastingplichtigen telt uiteraard enkel de eigen situatie: iemand met een laag inkomen in Tervuren betaalt dezelfde personenbelasting als in Baarle-Hertog, voor een goede verdiener geldt mutatis mutandis hetzelfde. Die gemiddelde belastingdruk van 22,48% in 2022 ligt trouwens wat hoger dan de jaren voordien, zoals blijkt uit grafiek 1. Dat heeft te maken met het feit dat er meer mensen aan het werk zijn – een beroepsinkomen levert meer belastingen op dan een vervangingsinkomen –, maar ook met de niet volledige indexering van de belastingschalen, waardoor een groter deel van de inkomens tegen het hoogste marginale tarief belast wordt. In grafiek 1 is ook duidelijk te zien dat de personenbelasting vooral in het begin van deze eeuw sterk verlaagd is. Het effect van de belastingvermindering onder de regering-Michel (2014- 2018) is een stuk minder groot.
Grafiek 2 bevat de te betalen personenbelasting per inwoner. Die bevat een bijna continu stijgende lijn, op de beperkte daling in 2003-2004 na. Wat mensen aan personenbelasting betalen hangt immers niet alleen af van de fiscale wetgeving (zichtbaar in grafiek 1), maar ook van wat ze verdienen. In grafiek 2 is de forse stijging van de laatste jaren goed te zien, met de hoge inflatie als belangrijkste factor. In Sint-Martens-Latem betaalden mensen op basis van de inkomens van 2022 gemiddeld 9041 euro personenbelasting, terwijl het in Mesen om maar 2534 euro ging. De factor 1,97 voor de verhouding tussen de Vlaamse gemeenten met het hoogste en het laagste inkomen per inwoner, is door de progressiviteit van de belastingtarieven dus gestegen naar een factor 3,57.
Gemeentelijk tarief
Als vierde en laatste bepalende factor speelt het gemeentelijke APB-tarief. Dat varieerde in het aanslagjaar 2023, dat relevant is voor de hier behandelde inkomens van 2022, van 0% in De Panne, Knokke-Heist en Koksijde tot 9% in Mesen. De mediaan bedroeg 7,5%, een tarief dat 47 van de 300 gemeenten op dat moment toepasten. Ruim 70% van de Vlaamse gemeenten hanteerden een tarief van 7 tot 8%.
Algemeen was er voor de APB de voorbije jaren een kleine maar gestage daling van de aanslagvoeten, het gevolg van de tariefverminderingen in jaarlijks vijf tot tien Vlaamse gemeenten, al dan niet gecompenseerd door een gelijktijdige verhoging van de opcentiemen op de onroerende voorheffing. Grafiek 3 geeft die trend duidelijk aan. Hij bevat de evolutie van het gewogen gemiddelde APB-tarief in Vlaanderen. Dat verkrijgen we door de totaal geïnde APB te delen door de totale personenbelasting. We stellen ook vast dat de gemeenten in het begin van deze eeuw hun tarieven fors verhoogden. Dat had te maken met de al vermelde forse verlaging van de personenbelasting, maar ook met andere factoren die nefast waren voor de lokale financiën, zoals de politiehervorming en de vrijmaking van de energiemarkt.
Zoals gezegd wordt het APB-tarief toegepast op de te betalen personenbelastingen, niet op het inkomen. In grafiek 4 bekijken we wat de betaalde APB betekent in functie van het belastbare inkomen. Meteen blijkt de grote overeenstemming met grafiek 1. Met andere woorden, de evolutie van wat een burger in procent van het belastbare inkomen betaalt aan aanvullende personenbelasting (gemiddeld ongeveer 1,60%) wordt in overgrote mate bepaald door de bewegingen van de onderliggende personenbelasting, en slechts in mindere mate door het gemeentelijke APB-tarief. Dit cijfer ligt in Huldenberg (2,13%) het hoogst en in De Panne, Knokke-Heist en Koksijde (0%, cf. het toegepaste APB-tarief) het laagst.
Grafiek 5 toont de evolutie van de betaalde APB per inwoner. Voor alle duidelijkheid, we maken daarbij geen onderscheid tussen mensen die wel en niet een inkomen verdienen en/of personenbelastingen betalen. Hier is de overeenkomst met grafiek 3 treffend, met de stevige stijging in de laatste jaren ten gevolge van de groei van de inkomens en de nog snellere toename van de daarop betaalde personenbelasting. Gemiddeld betaalden inwoners op hun in 2022 verdiende inkomen in Vlaanderen 372 euro aan APB. Het hoogste bedrag zien we hier in Hove, met 622 euro. Uiteraard betaalden de inwoners van De Panne, Knokke-Heist en Koksijde geen APB.
Samenvattend
In bijgaand schema hebben we voor de inkomstenjaren 2021 en 2022 de relevante factoren opgenomen die uiteindelijk leidden tot wat de gemeenten voor die jaren aan APB hebben kunnen innen. Op basis van de gegevens die Statbel ter beschikking stelt, kan elke gemeente voor de eigen situatie een dergelijk schema opstellen, niet alleen over de samenhang tussen de verschillende componenten in één jaar, maar ook ter verklaring van evoluties in de loop der jaren. Opgelet, werk daarbij altijd met de gegevens per aanslagjaar en niet per boekjaar. Alleen zo heb je een correct zicht op de eigen fiscale draagkracht via de APB. —
Auteur
-
JanLeroySenior expert data en analyse
Fotograaf
- Layla Aerts
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsUp to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Nieuws
-
Nieuws
-
Nieuws