De geplande extra middelen voor De Lijn leveren voorlopig geen extra openbaarvervoeraanbod op. Tegelijk schrapt de Vlaamse regering subsidies voor Hoppinhaltes en vermindert ze de ondersteuning van het lokale mobiliteitsbeleid. Dat maakt het voor steden en gemeenten moeilijker om hun mobiliteitsplannen uit te voeren en zet de vervoerregioraden verder onder druk.
Exploitatiemiddelen voor De Lijn
De geplande uitbreiding van de exploitatiemiddelen voor De Lijn komt er niet. Althans niet voor de uitbreiding van het aanbod, zoals eerder voorzien. De bijkomende middelen dienen om de tekorten van De Lijn op te vangen (zoals inkomsten zwartrijders minder dan ingeschat, meer dieselbussen dan ingeschat), en zijn dus niet inzetbaar voor bijkomend aanbod.
| 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | Totaal | |
|---|---|---|---|---|---|
| Regeerakkoord | 50 | 50 | 100 | 125 | 325 |
| Effectief | -44 | 25* | 50 | 62,5 | 93,5 |
*: Door structurele aanpassingen binnen de werking van De Lijn, zou gaandeweg dit geld terug vrijkomen, en dan alsnog – later – in extra aanbod zouden kunnen geïnvesteerd worden.
Subsidies voor inrichting van de Hoppinhaltes
Na de subsidies voor de halte-infrastructuur (zoals schuilhuisjes, zitbanken, vuilnisbakjes), worden ook de subsidies voor de inrichting van de Hoppinhaltes afgeschaft.
Hierbij vragen we zeer uitdrukkelijk dat er ditmaal wel een overgangsperiode voorzien wordt. Want bij de halte-infrastructuur werden de subsidies zeer abrupt stopgezet: gemeenten begrootten de inrichting van de haltes rekening houdend met de voorziene financiële ondersteuning van de Vlaamse overheid. Maar die kan pas aangevraagd worden na de eindafrekening. Doordat de subsidie quasi van de ene dag op de andere werd afgeschaft, kon dit dikwijls niet meer tijdig. En moesten gemeenten die onvoorziene minderinkomst dan maar zelf elders compenseren.
De subsidies voor toegankelijke haltes (6.000 euro, t.o.v. een ruwe inschatting van een gemiddelde kostprijs van 35.000 euro) blijven behouden.
De grootste rem voor gemeentelijke investeringen in haltes is evenwel de onzekerheid over het behoud van lijnen, en dus haltes. Die onzekerheid wordt door de wijzigingen in de middelen voor De Lijn zeker niet weggenomen.
Uitvoering regionale mobiliteitsplannen
Voor de uitvoering van de regionale mobiliteitsplannen, die bij uitstek (sub)regionale projecten bevatten, is amper ondersteuning voorzien. Zo wordt de wegencategorisering, en dus het hoofdwegennetwerk, wellicht eind dit jaar definitief goedgekeurd. Maar om dan effectief werk te maken sluipverkeer, vrachtroutenetwerk of vrachtwagenparkeren binnen de grote mazen van dat hoofdwegennetwerk, zijn voorbereidende intergemeentelijke studies nodig. We hopen dat de Vlaamse overheid die noodzaak alsnog onderschrijft. Hetzelfde geldt voor tracéstudies voor gewestwegen of fietssnelwegen.
Geïntegreerd investeringsprogramma Mobiliteit en Openbare Werken (GIP)
Het blijft ook wachten op de meerjarige GIP-doorkijk met de gewestelijke investeringen. Bij de steden en gemeenten is het nu alle hens aan dek om hun beleids- en beheerscyclus (BBC) aan te passen. Daarbij is concreter zicht op investeringen op belangrijke wegen in hun gemeente veelal belangrijk voor aansluitende plannen van de gemeente. Zo blijft ook de mogelijkheid om hierop als vervoerregio te adviseren onduidelijk.
Dit alles zet, samen met de onduidelijkheid over de deelmobiliteit binnen vervoer op maat, en de gevreesde afwenteling van delen van aangepast vervoer naar gemeentelijke initiatieven, de goede werking van de vervoerregioraden verder onder druk.
Minder beleidsondersteuning
De Vlaamse regering zet de financiering van Fietsberaad Vlaanderen stop(opent nieuw venster). Daardoor verdwijnt het onafhankelijke kenniscentrum voor fietsbeleid. En ondersteuning van steden en gemeenten bij vragen waar ze bij het uittekenen van hun fietsbeleid tegenaan lopen.
Het is nog onduidelijk wat de bijkomende besparingen bij de Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV) zullen betekenen voor steden en gemeenten. De VSV richt zich sterk op verkeersveiligheid, en mikt via aparte pijlers op de doelgroepen scholen, bedrijven en lokale besturen. Wat de besparingen zullen betekenen voor de mobiliteitsopleidingen en -ondersteuning voor steden en gemeenten is nog niet duidelijk.