Lokaal sociaal beleid in de achteruitkijkspiegel
Lokaal - editie december | 2024
Zes jaar geleden kreeg ik de vraag om als onafhankelijk lid in het bijzonder comité van de sociale dienst (BCSD) te zetelen. Een mooie kans om datgene waar ik al jarenlang professioneel mee bezig ben – de werking van de overheid – eens van binnenuit mee te maken. En dat in een beleidsdomein – het sociale – dat me na aan het hart ligt. De paar bedenkingen – zoals ‘de professor die politiek kleur bekent’ – kon ik voor mezelf snel weerleggen. Want de insteek waarmee ik ben ingestapt, was van meet af aan ‘bestuurlijk’, vanuit de agenda van goed bestuur en beleid.
Goed bestuur betekent dat een overheid voldoende capaciteit heeft om te doen wat ze moet doen, en een bepaald niveau van dienstverlening kan aanbieden. Tegelijk moet ze dat op een doelgerichte en efficiënte manier doen, want de middelen zijn schaars. Goed bestuur is ook verantwoording afleggen door transparantie, objectiviteit en rechtsgelijkheid na te streven. Een overheid moet dus veel ballen tegelijk in de lucht houden.
Na zes jaar meedraaien in het hart van het sociaal beleid van mijn thuisstad is het tijd om terug te kijken. Maar niet zonder een belangrijke disclaimer: dit is een persoonlijke getuigenis, vanuit een individuele ervaring in één lokaal bestuur.
Rechtsgelijkheid en objectiviteit
Goed bestuur op het vlak van sociale dienstverlening is onder andere een gelijke behandeling in gelijke gevallen. Het is juist dat er geen twee individuele steundossiers gelijk zijn, en dat er dus wat interpretatieruimte nodig is bij een beslissing om steun toe te kennen, en bij de voorwaarden waaronder dat gebeurt. Maar we mogen van een overheid wel verwachten dat er enige objectivering en transparantie is over waarom en hoe men tot een bepaalde beslissing komt. Bij het OCMW gaat het over het (over)leven van mensen, en over de minimale basisvoorwaarden die daarbij horen. Een menswaardig bestaan dus. Bij de integratie van het OCMW in de gemeente vreesden sommigen voor ‘partijpolitisering’ van de beslissingen van het BCSD, dus voor partijpolitieke tegenstellingen over individuele steundossiers. Ik heb daar weinig van gemerkt. Over de meeste beslissingen is er overeenstemming tussen de leden, net omdat er voldoende kaders zijn waarbinnen die beslissingen worden genomen.
“Bij de integratie van het OCMW in de gemeente werd er door sommigen voor ‘partijpolitisering’ rond individuele steundossiers gevreesd. Ik heb daar weinig van gemerkt.
Een goede manier om daartoe te komen is het zogenaamde REMI-systeem, dat recent in gebruik werd genomen in meerdere steden en gemeenten. Het komt er in essentie op neer dat een lokaal bestuur extra geld kan geven boven op het leefloon, tot op het niveau van wat nodig is om menswaardig te leven. De situatie van mensen wordt op basis van wetenschappelijke parameters objectief in beeld gebracht. En de toets aan wat als een menswaardig inkomen wordt beschouwd, leidt tot een objectief vaststelbaar bedrag dat een cliënt zou moeten ontvangen. Dat is een grote stap in de richting van gelijke behandeling in gelijke gevallen. Een bijkomend voordeel van het REMI-systeem is dat het de mogelijkheid biedt om het kluwen van bijzondere steunen af te bouwen.
Een menswaardig inkomen zou (in de meeste gevallen) de zogenaamde ‘bijzondere steun’ overbodig moeten maken: een vraag naar tussenkomst in de energiefactuur of voor schoolgerief bijvoorbeeld. Dit kan de druk op de organisatie – telkens een dossier maken per steunvorm – helpen verlichten. Op die druk kom ik nog terug. De adder die momenteel wel onder het gras loert, is dat de federale overheid die de REMI-extra’s financiert, op elk moment kan beslissen om dat beleid terug te draaien. In dat geval komt de factuur lokaal te liggen, of wordt het systeem afgeschaft.
Capaciteit
De aflopende legislatuur was woelig. De pandemie, de energiecrisis en de Oekraïnecrisis hebben elk op hun manier zwaar op de lokale besturen gewogen. Het OCMW was het aanspreekpunt voor veel mensen die hulp nodig hadden. Niet alleen mensen die al bekend waren bij de sociale dienst, maar ook nieuwe cliënten zoals vluchtelingen, of mensen die hun energiefactuur niet langer konden betalen. Een stevig uitgebouwde sociale dienst bleek van grote waarde. Het feit dat we destijds in ons land de keuze hebben gemaakt om een apart lokaal bestuur op te richten dat zich exclusief met sociaal beleid bezig houdt (het OCMW), zorgt vandaag voor een grote lokale capaciteit om aan sociale dienstverlening te doen.
“Ik ben zelf een voorstander van verdere integratie van het OCMW in de gemeente, maar de decennialang lokaal opgebouwde expertise omtrent individuele sociale dienstverlening moeten we blijven koesteren.
Ik ben zelf een voorstander van verdere integratie van het OCMW in de gemeente, maar de decennialang opgebouwde expertise omtrent individuele sociale dienstverlening moeten we blijven koesteren. Burgers in nood moeten bij hun lokale bestuur terechtkunnen, laagdrempelig en nabij; zo kunnen in onze stad cliënten terecht in steunpunten van de sociale dienst in de deelgemeenten en de wijken. Ook het principe van outreach wordt gehanteerd: actief op zoek gaan naar mensen die recht hebben op dienstverlening. Ik heb dus een slagkrachtige organisatie met veel capaciteit en gedreven medewerkers gezien, die veel mensen in nood bereikt. Anderzijds is de capaciteit van de sociale dienst niet oneindig. De werkdruk was en blijft zeer groot. Sommige sociaal werkers beheren vijftig of meer cliëntendossiers. Het blijft daarom een uitdaging: toegang garanderen tot dienstverlening voor wie dat nodig heeft, met beperkte middelen.
Efficiëntie
Zeker in een centrumstad die bovengemiddeld veel kwetsbare inwoners telt, én die de expliciete ambitie heeft om zoveel mogelijk rechthebbenden te bereiken, moet er nagedacht worden over de efficiëntie van de organisatie. Dat is geen vies woord, want aandacht voor het organisatiemanagement kan ook ruimte maken om de dienstverlening te verbeteren. Meer doen met even veel (of minder): het is de oefening waard, zeker als de middelen schaars en de uitdagingen groot zijn. Het gebrek aan informatisering en data op het vlak van sociaal beleid valt op. Het is anno 2024 bijna onbegrijpelijk dat een sociale dienst van deze omvang nog altijd geen informatiesysteem die naam waardig heeft. Het leidt tot een verlies aan kennis om beleid te voeren. We weten eigenlijk te weinig over profielen van cliënten om de inspanningen nog meer op maat van verschillende doelgroepen te kunnen richten. Ook over individuele cliënten zelf is er weinig historiek in de informatie. Of beter, die historiek is er, maar ze wordt onvoldoende gesystematiseerd bijgehouden.
“De werkdruk was en blijft zeer groot. Sommige sociaal werkers beheren vijftig of meer cliëntendossiers. Het blijft daarom een uitdaging: toegang garanderen tot dienstverlening voor wie dat nodig heeft, met beperkte middelen.
Informatisering zou betere en feitelijkere sociale verslagen kunnen opleveren die de besluitvorming in individuele gevallen kunnen verbeteren, en die de sociaal werkers administratief zouden kunnen ontlasten. Er zijn stappen gezet om een en ander te informatiseren en te systematiseren, maar dat levert nog niet de (geaggregeerde) data op die ons zicht moeten bieden op profielen van kwetsbaarheid: wie is cliënt, hoelang, waar, en met welke vragen? Betere en meer systematische informatie zou moeten toelaten dat de sociale dienst zijn capaciteit nog gerichter kan inzetten. Ik denk bijvoorbeeld aan het 80/20-principe, waarbij 80% van de inspanningen gaat naar de 20% meest kwetsbare cliënten. Of aan een vernieuwd evenwicht tussen investeren in intake en outreach (iedereen bereiken), en in activering en uitstroom (mensen zelfredzaam maken). Het is aan de sociale dienst om zich te organiseren, binnen duidelijke politiek afgebakende kaders, maar zonder al te veel politiek micromanagement.
Doelgerichtheid
Het succes van sociaal beleid wordt hoofdzakelijk afgemeten aan het aantal mensen dat bereikt wordt. Een sterk uitgebouwde sociale dienst die zichzelf ook durft reorganiseren, zorgt ervoor dat er op dit vlak goed gepresteerd wordt. Maar sterk sociaal beleid is ook investeren in de uitstroom: werken aan trajecten om mensen zo snel mogelijk (opnieuw) zelfredzaam te maken. Uiteraard is daar aandacht voor, onder andere door diensten die werken aan de activering van cliënten. Maar dit soort taken – het begeleiden van mensen – is zeer complex en arbeidsintensief, en de resultaten zijn niet altijd ondubbelzinnig meetbaar: vanaf wanneer is een cliënt structureel zelfredzaam, en in welke mate is dit het resultaat van de begeleiding door het lokale bestuur (of door de partners van het lokale bestuur)? Zo bekeken wordt wat de sociale dienst doet ook direct een stuk beleidsmatiger. Iedereen is het erover eens dat er een goede rechtenverkenning moet zijn voor iedereen die dat nodig heeft. Maar over de aard van de begeleiding en de activering van cliënten is er meer discussie: hoe streng moet het OCMW zijn voor de cliënt, en waar begint zijn of haar eigen verantwoordelijkheid?
Beleidsadvies …
Een van de decretale opdrachten van het BCSD, naast het toekennen van steun in individuele gevallen, is het geven van beleidsadvies aan het lokale bestuur. Er is zeker ruimte om die taak in te vullen. Op regelmatige tijdstippen werden er belangrijke sociale beleidsdossiers besproken.
“‘Efficiëntie’ is geen vies woord, want aandacht voor het organisatiemanagement kan ook ruimte maken om de dienstverlening te verbeteren. Meer doen met even veel, of met minder: het is de oefening waard, zeker als de middelen schaars en de uitdagingen groot zijn.
Ik denk aan de reorganisatie van de sociale dienst, aan de uitrol van een energiefonds, aan het activeringsbeleid, of aan het introduceren van het REMI-systeem (cf. supra). Ook de bespreking van bepaalde individuele steundossiers gaf regelmatig aanleiding tot een beleidsmatig debat: wie heeft recht op steun en onder welke voorwaarden? Is het kader dat we hanteren om individuele beslissingen te nemen (nog) adequaat? Er is dus zeker ruimte voor beleidsmatig denken over de lokale sociale dienstverlening. In die zin is er wel sprake van enige ‘partijpolitiek’. Op het beleidsmatige niveau mag en moet dat zelfs, in tegenstelling tot het niveau van de individuele dienstverlening (cf. supra). Het beleidsmatige debat gebeurt in mijn ervaring echter nog te vaak exclusief achter de gesloten deuren van het BCSD, en een stuk ontkoppeld van de organen waar uiteindelijk de beleidsbeslissingen genomen worden: de raad voor maatschappelijk welzijn (gemeenteraad) en het Vast Bureau (het college).
… en democratisch debat
Lokaal sociaal beleid verdient dus ook een breed en transparant democratisch debat, op de plaatsen die daar het meest voor geschikt zijn. En er mag op die plaatsen zeker meer lokale politieke energie gaan naar de belangrijke beleidsmatige vragen die luid klinken.
“Informatisering zou tot betere en feitelijkere sociale verslagen kunnen leiden, wat de besluitvorming in individuele gevallen kan verbeteren en de sociaal werkers administratief zou kunnen ontlasten.
Over regionale samenwerking tussen lokale besturen bijvoorbeeld, vanuit de erkenning dat sociale problemen niet aan de gemeentegrenzen stoppen. Over de verhouding met de private welzijnsactoren die actief zijn in de stad of gemeente. Er zijn zeker voorbeelden van samenwerking met andere lokale besturen, of met private welzijnsactoren in het kader van het lokaal sociaal beleid. Maar vaak gaat het debat in de raden niet verder dan het operationele van een concreet samenwerkingsproject. Meer algemeen mag ook het debat over sociale dienstver- ‘Efficiëntie’ is geen vies woord, want aandacht voor het organisatiemanagement kan ook ruimte maken om de dienstverlening te verbeteren. Meer doen met even veel, of met minder: het is de oefening waard, zeker als de middelen schaars en de uitdagingen groot zijn.
Informatisering zou tot betere en feitelijkere sociale verslagen kunnen leiden, wat de besluitvorming in individuele gevallen kan verbeteren en de sociaal werkers administratief zou kunnen ontlasten. 50 _ LOKAAL DECEMBER 2024 lening voor mensen in armoede, gezinnen, senioren wat scherper. Zelden komen de fundamentele vragen aan bod: die over doelgroepen, middelen, kerntaken, eigen dienstverlening… Ik beweer hier zeker niet dat daar geen visies over bestaan. Alleen worden die visies volgens mij te weinig uitgedaagd op de plaatsen waar dat zou moeten gebeuren: in de raden en op de publieke fora. Door het beleidsmatig debat te sterk in het BCSD te concentreren is er ook weinig ruimte om integraal te denken en de banden met (de sociale component van) andere beleidsdomeinen (wonen, onderwijs, lokale economie…) grondiger te verkennen en te versterken.
Want elke keuze op elk beleidsdomein heeft een weerslag op het leven van kwetsbare mensen. Gaat het bijvoorbeeld over arbeidsmarktactivering van mensen met een leefloon, dan zitten we recht in het hart van de bevoegdheid lokale economie. Het Vast Bureau is de plaats bij uitstek om ‘integraal’ te denken. Daar zitten de bevoegde schepenen samen en worden er beleidsmatige knopen doorgehakt.
Korte armpjes
Een lokaal bestuur kan sterk sociaal beleid voeren en zich daarop organiseren, maar het moet ook werken in een context die het zelf niet volledig in de hand heeft. Het wordt, zeker op het domein van het sociale beleid, geconfronteerd met de gevolgen van centraal beleid. De belangrijkste hefbomen van sociaal beleid – de sociale zekerheid, de sociale bescherming, het woonbeleid, het gezinsbeleid… – liggen bij de Vlaamse en de federale overheden. Als de pensioenen of het groeipakket niet geïndexeerd worden, dan voelen veel mensen dat. En dan moeten ze misschien aankloppen bij het OCMW. We mogen de verantwoordelijkheid voor het lokaal sociaal beleid dus niet volledig in de bak van het lokale bestuur leggen. Lokale besturen hebben ook weinig invloed op andere actoren die in de gemeente actief zijn, maar die wel beslissingen nemen die directe (financiële) gevolgen hebben voor mensen. Als een school een deurwaarder stuurt naar een gezin dat de schoolfacturen niet betaalt, dan belandt die kwestie vroeg op laat op het bord van het OCMW.
“Door het beleidsmatig debat te sterk in het BCSD te concentreren is er ook weinig ruimte om integraal te denken, en de banden met andere beleidsdomeinen zoals wonen, onderwijs en lokale economie verder te verkennen en te versterken.
Hetzelfde geldt voor de rusthuisfacturen, de bedragen die mensen moeten betalen in de private kinderopvang, of de soms hoge kosten voor private huurwoningen. Het vraagt veel energie van het lokale bestuur om in dialoog te gaan met die actoren, en om afspraken met hen te maken over hoe ze zich opstellen tegenover kwetsbare mensen. Maar ook dat is steeds meer de essentie van lokaal sociaal beleid: samenwerken met vele andere spelers op het terrein.
Conclusie
Ondanks die al bij al korte armpjes wordt er in de sociale dienst hard gewerkt om de meest kwetsbaren te helpen. Er wordt grondig nagedacht over hoe er aan de belangrijkste criteria van goed bestuur voldaan kan worden. Maar er zijn ook verbeterpunten. Zo mag het democratisch debat over het lokale sociale beleid best wat scherper en transparanter worden. Beheersmatig moeten er blijvend stappen gezet worden om met de toenemende druk op de sociale dienst om te kunnen gaan. De capaciteit is niet oneindig. Het antwoord moet dus ook liggen in efficiëntiewinsten door het verder informatiseren en verder vereenvoudigen van procedures, en door autonomie te geven aan de sociale dienst om zich binnen brede politieke kaders te organiseren.
Auteur
-
BramVerschuereProfessor bestuurskunde Ugent
Fotograaf
- Layla Aerts
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsMeer weten over
Up to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Nieuws
Eerste dag beperkt aantal aanmeldingen bij OCMW’s na schorsing werkloosheidsuitkering
Maatschappelijke dienstverleningWerk, sociale economie en activeringLokaal sociaal beleid -
Oproep
Denk mee over een inclusief Vlaanderen tegen 2040
Zorg en gezondheidDiversiteit en gelijke kansenVrije tijdLokaal sociaal beleid -
Nieuws
Geen extra compensatie voor OCMW's voor leefloon na stopzetten inschakelingsuitkering?
Lokaal sociaal beleidMaatschappelijke dienstverlening