De Vlaamse overheid lijkt meer en meer verantwoordelijkheid voor gezinsbeleid naar de lokale besturen te schuiven. Gemeenten staan dicht bij kinderen, jongeren en gezinnen en nemen die verantwoordelijkheid op, maar zoeken tegelijk duidelijkheid, middelen en een richtinggevend kader. Waar liggen de rollen en grenzen van Vlaanderen, lokale besturen en het middenveld?
Lokaal bracht drie ervaringsdeskundigen rond de tafel: Karolien Huylebroek, schepen van Welzijn en Onderwijs in Ternat, Elke Schoof, coördinator van het Huis van het Kind in Sint-Niklaas, en Lutgard Vrints, beleidsmedewerker bij de Gezinsbond.
Wat lokaal gezinsbeleid precies is, laat zich niet in één dienst of loket vatten. Het gaat om alles wat je een lokaal bestuur kan doen om kinderen, jongeren en gezinnen te ondersteunen: van kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs over het Huis van het Kind tot veilige schoolomgevingen, speelruimte, vrijetijdskansen en toegankelijke publieke dienstverlening. Gezinsbeleid is dus ook: veilig naar school fietsen, een bieb waar gezinnen zich welkom voelen en een openbaar domein op kindermaat. Met andere woorden: in elk beleidsdomein het gezinsperspectief meenemen.
Verder verdiepen
💡 Inspiratiedag lokaal opgroeien
📅 26 februari 2026 – Antwerpen
✍️ De inschrijvingen zijn geopend.
In dat brede landschap is het niet vanzelfsprekend om de rolverdeling tussen Vlaanderen en de gemeenten scherp te krijgen. Hoe kijken jullie daarnaar?
Karolien Huylebroek: ‘Als schepen voor welzijn, onderwijs, kinderopvang, flankerend onderwijsbeleid, Huis van het Kind, integratie en diversiteit heb ik op papier een vrij compleet gezinsportfolio. Maar gezinnen komen met bijna elk beleidsdomein in aanraking: ruimtelijke ordening, mobiliteit, veiligheid, noem maar op. Ik werk nu bijvoorbeeld aan de mobiliteit rond schoolomgevingen: hoe willen we dat kinderen en gezinnen zich daar verplaatsen?’
‘Lokale besturen staan het dichtst bij gezinnen, dus we hebben een duidelijke opdracht. Voor mij draait die rond drie dingen: zorgen voor sterke basisvoorzieningen, inspelen op de noden van kinderen en gezinnen en onze gemeente zo organiseren dat kinderen kansrijk kunnen opgroeien. We moeten faciliteren, stimuleren en verbinden. Het Huis van het Kind is lokaal een belangrijke verbinder.’
‘Moeten we dan ook zelf de regelgeving schrijven? Dat lijkt me geen goed idee. Als we alle expertise versnipperen, verliezen we kwaliteit. Vlaanderen moet duidelijke kwaliteitskaders en gelijke rechten garanderen, of je nu geboren wordt in Limburg, Brussel of West-Vlaanderen. Binnen die kaders moet er wel ruimte zijn voor lokale invulling, met doelregelgeving in plaats van “one size fits all”. Sint-Niklaas is niet Ternat. We kunnen van elkaar leren, maar het mag ook anders zijn.’
“Het Huis van het Kind kan alleen werken als er een stevige basis is in elke gemeente, met duidelijke minimale garanties en ruimte om lokaal accenten te leggen.
Elke Schoof
Lutgard Vrints: ‘Met de gezinsbarometer van de Gezinsbond bevragen we gezinnen om de drie maanden, ook in de aanloop naar verkiezingen. Ook thema’s als wonen, mobiliteit en ruimte duiken daarin altijd op als belangrijke lokale opdrachten. Gezinnen denken bij wat gemeenten voor hen doen dus veel breder dan kinderopvang of het Huis van het Kind.’
‘Voor ouders maakt het meestal niet uit wie bevoegd is; ze willen gewoon dat er een kwaliteitsvol en betaalbaar aanbod is. In de praktijk zijn we wel bezorgd als het garanderen van basisdienstverlening naar het lokale niveau verschuift. Bij baby- en peuteropvang hebben we ons bijvoorbeeld verzet tegen ballonnetjes waarbij gemeenten ook vergunningen zouden afleveren of inspectie zouden organiseren. Vergunningskaders en financiering moeten voor ons Vlaams blijven, zelfs bij de buitenschoolse opvang. Onze gemeenten verschillen sterk in schaal en draagkracht. Dat mag niet bepalen of gezinnen al dan niet toegang hebben tot kwaliteitsvolle basisvoorzieningen.’
‘De lokale invulling is wél een grote meerwaarde. Huizen van het Kind, kindvriendelijke publieke ruimte, speelweefsels: dat zijn voorbeelden van hoe lokale besturen gezinsbeleid concreet maken. Maar dan wel met een stevige basis die in alle steden en gemeenten aanwezig is.
Huizen van het Kind krijgen overal een andere invulling. Hoeveel diversiteit is wenselijk, en wat is voor jullie de grootste meerwaarde?
Elke Schoof: ‘In Sint-Niklaas hebben we al sinds 2006 een Huis van het Kind. We hebben kansenwerkers – elders heten die vaak gezinscoaches – die met gezinnen aan alle levensdomeinen werken. Ons Huis van het Kind zit in een cluster met het OCMW, regiediensten, onderwijs en kinderopvang, zodat we makkelijk kunnen samenwerken met scholen en andere vindplaatsen. Financiële vragen, opvoedingsvragen, vrijetijdskansen: we bekijken het geheel. Zowel de “harde” thema’s als de zachtere zijn belangrijk in een gezinsbeleid.’
‘Het is cruciaal dat er een basis is die in elke gemeente dezelfde is. Gezinnen moeten weten wat ze minimaal mogen verwachten wanneer ze een Huis van het Kind binnenstappen. Die voorspelbaarheid geeft vertrouwen. Tegelijk moeten lokale besturen inspelen op hun context: een stad is anders dan een plattelandsgemeente. Dat spanningsveld tussen minimale garanties en lokale accenten moeten we goed benutten.’
‘We hebben regelgeving vanuit Vlaanderen nodig, maar dan wel regelgeving die getoetst wordt aan de praktijk. Dat gebeurt nu via pilootprojecten rond de Huizen van het Kind. Dat vind ik heel waardevol: experimenteren met hoe een Huis kan groeien en wat de minimale doelstellingen zijn.’
‘Ik heb niet het gevoel dat we door Vlaanderen aan ons lot worden overgelaten, maar het blijft zoeken hoe de twee niveaus beter naar elkaar kunnen toegroeien. Vroeger zorgde het sectoroverleg van de opvoedingswinkels bijvoorbeeld voor inhoudelijke ondersteuning. Die bovenlokale expertise blijft belangrijk, zodat niet elke gemeente alles zelf moet uitzoeken.’
Lutgard Vrints: ‘Wij vinden dat er vandaag te veel diversiteit is tussen de Huizen van het Kind. Als je een Huis binnenstapt, moet je weten waaraan je je ongeveer kunt verwachten. Het is ook heel belangrijk dat het Huis van het Kind zich richt tot alle gezinnen. In een participatietraject met het Gezinskabinet vroegen gezinnen heel duidelijk om één herkenbare plek waar ze met al hun vragen terechtkunnen, en waar ze de garantie krijgen dat er iets met die vragen gebeurt. Dat Huis van het Kind kan zo’n single point of contact zijn, maar dan heb je voldoende competente medewerkers en middelen nodig.
Karolien Huylebroek: ‘Ik ben een grote fan van het idee van een Huis van het Kind. Alleen: in Ternat hebben we geen fysiek huis. Vlaanderen verplichtte dat destijds ook niet; je moest een netwerk van partners uitbouwen. Als gemeente kregen we daarvoor minder dan 10.000 euro. Daar kun je geen medewerker mee aanwerven. Dan breng je partners samen, je organiseert in de Week van de Opvoeding een reeks activiteiten en na één week is je budget bijna op. Dat is niet duurzaam.’
‘Voor al mijn domeinen samen zijn er twee deskundigen. BOA (buitenschoolse opvang en activiteiten, red.) kwam daar nog bij, met een stevige regierol. Dat zijn heel competente mensen, maar begin er maar eens aan. De samenwerking met partners loopt op zich goed, maar het blijft vaak: mensen rond de tafel zetten. Ik durf niet zeggen dat we echt geïntegreerd werken. Zonder fysieke plek is het ook moeilijk om gezinnen duidelijk te maken waar ze met vragen terechtkunnen. We gebruiken de bieb nu als ontmoetingsplek en versterken tegelijk ons onthaalbeleid en onze loketfunctie.’
“Ik verlang naar een plan met een horizon: waar willen we binnen tien of vijftien jaar staan met ons gezinsbeleid, en welke stappen zetten we daarnaartoe?
Karolien Huylebroek
Welke ondersteuning hebben lokale besturen nodig om lokaal gezinsbeleid waar te maken?
Karolien Huylebroek: ‘Het gaat altijd om een combinatie van middelen, mensen en inhoudelijke ondersteuning. Heb je de mensen niet, dan kun je niets uitrollen. Heb je ze wel, dan heb je nog een wegwijs nodig door het gigantische aanbod aan vormingen en bijscholingen. Twee medewerkers kunnen onmogelijk alles volgen. De VVSG is een heel goede ondersteunende partner, dat meen ik oprecht, maar de diversiteit tussen gemeenten is groot, en dus ook de noden.’
‘Als lokaal bestuur moet je in de eerste plaats de vragen van gezinnen capteren. Dat is stap één, nog los van de vraag of je elk probleem kunt oplossen. Je hebt nabijheid nodig om verbinding te maken, noden te monitoren en een draaischijffunctie op te nemen naar partners en eventueel naar collega-gemeenten. Vandaag gebeurt dat nog te veel ad hoc. We willen evolueren naar een beleid waarin we noden beter benoemen en er gericht op inspelen.’ ‘In ons meerjarenplan hebben we nu gekozen voor brugfiguren.
In de vorige legislatuur hadden we 20 procent van een brugfiguur, gedeeld op regionaal vlak in het kader van de Oekraïnecrisis. Dat is niks. Nu hebben we via verschillende subsidiekanalen twee voltijdse brugfiguren. Ik heb werkingsbudgetten bij elkaar gelegd en een stuk van een oproep rond oefenkansen Nederlands gebruikt. Maar zelfs als die subsidie wegvalt, willen we de brugfiguren behouden. Nabijheid organiseren kost tijd en geld, maar het is een voorwaarde om gezinnen echt te bereiken.’
Elke Schoof: ‘Bij ons is de situatie anders. Het stadsbestuur heeft van bij de start heel bewust geïnvesteerd in het Huis van het Kind. Het agentschap Opgroeien deed dat ook met verschillende tijdelijke of meer duurzame subsidies, waardoor de middelen langs twee kanten kwamen. Dat maakt veel mogelijk.’
‘Ik vind het belangrijk dat een lokaal bestuur niet alleen een regierol opneemt, maar ook een actorrol. In Sint-Niklaas hebben we een speelotheek, een ruilwinkel en stedelijke gezinscoaches. We koppelen trajecten rond onderwijs, gedrag en welbevinden van kinderen. Via vindplaatsen zoals scholen en kinderopvang komen we dicht bij gezinnen. Voor mij is het echt een en-enverhaal: je coördineert én je staat mee in het veld.’
Hoe maken we ruimte voor het middenveld en vrijwilligers in lokaal gezinsbeleid?
Lutgard Vrints: ‘Brugfiguren en een uitgebouwd netwerk zijn inderdaad een heel goede manier om gezinnen te bereiken en hen toe te leiden naar diensten die hen kunnen helpen. De vraag naar brugfiguren kwam ook uit het Gezinskabinet. Het lokale gezinsbeleid leeft trouwens ook in dynamieken die niet van het gemeentebestuur vertrekken: activiteiten en verenigingen, lokale afdelingen van koepelorganisaties. Het middenveld is een grote rijkdom. De actorrol van de gemeente blijft belangrijk, want je leert als lokaal bestuur veel door zelf dingen te organiseren. Maar er zijn ook schitterende initiatieven van anderen. Als je daar als lokaal bestuur mee samenwerkt, krijg je een aanbod dat je alleen nooit kunt opzetten.’
Elke Schoof: ‘Dat zie je heel concreet in ons Huis van het Kind. Een groot deel van het aanbod komt van partners. De eerstelijnspsychologische zorg van Krachtgericht Waas en Dender zit bij ons in huis, net als een stopklas (trainingsprogramma voor jonge kinderen met gedragsproblemen, red.) vanuit CKG het Open Poortje, het Inloopteam van vzw De Keerkring en activiteiten van onder andere de Gezinsbond. Zij gebruiken onze locatie, wij leren van hun expertise. Zo versterken we elkaar.
Karolien Huylebroek: ‘In Ternat hebben we een heel actieve adviesraad lokaal overleg kinderopvang en opvoedingsondersteuning. Dat is de grootste adviesraad die we hebben. Bijna twintig mensen schuiven daar mee aan tafel: organisaties, vrijwilligers, de Gezinsbond, ouders, andere geëngageerde inwoners. Die groep geeft bijvoorbeeld invulling aan Wereldlichtjesdag bij ons. Dan zit er ineens een kinderpsycholoog mee aan tafel die mee wil knutselen met de kinderen.’
‘Omdat we een kleine gemeente zijn, hebben we de flexibiliteit om snel in te spelen op zulke ideeën. We kiezen er bewust voor om basisvoorzieningen – kinderopvang, buitenschoolse opvang – niet zelf te organiseren, maar wel te faciliteren en te verbinden. In de bieb nemen we wel een duidelijke actorrol op met projecten zoals de Leeshelden. Voor het overige ondersteunen we vooral partners en verenigingen, zodat zij gezinnen kunnen bereiken.
“Voor gezinnen zou het niet mogen uitmaken in welke gemeente ze wonen. Basisrechten en kwaliteitsvolle voorzieningen moeten overal aanwezig zijn.
Lutgard Vrints
Waar botsen jullie op in de samenwerking tussen Vlaanderen en lokale besturen?
Elke Schoof: ‘We lopen geregeld vast op regelgevende kaders van verschillende agentschappen die niet altijd op elkaar afgestemd zijn. In Sint-Niklaas werken we bijvoorbeeld met OverKop en het Huis van het Kind rond jongeren en gezinnen. Dan duiken vragen op over beroepsgeheim en gedeeld beroepsgeheim. Hoe kun je vlot samenwerken in het belang van gezinnen en tegelijk de regels correct toepassen? Daar zou de Vlaamse overheid meer duidelijkheid kunnen geven, overkoepelend over de verschillende domeinen heen.’
Karolien Huylebroek: ‘Ik denk dan meteen aan subsidies die heel plots komen. Onlangs kregen alle lokale besturen een infrastructuursubsidie voor kinderopvang. Fantastisch, we hebben die uiteraard aangevraagd. Maar we hadden geen tijd gehad om echt na te denken over waar we dat geld het best inzetten. Het voelde een beetje als een cadeautje dat je snel moest aannemen. Hetzelfde met de boostsubsidie voor BOA: inhoudelijk ben ik daar een grote voorstander van, maar op korte termijn moet je dat budget creatief gespendeerd krijgen én goed bestuur garanderen. Voor elke uitgave heb je procedures, bestekken, aankopen. Dat vraagt tijd. Je wilt duurzaam werken, maar de timing duwt je richting ad-hocoplossingen.’
‘Daar komt nog bij dat veel middelen projectmatig zijn. Neem Plan Samenleven rond integratie: een mooi project, maar na enkele jaren stopt het. Je probeert medewerkers te heroriënteren, maar dat lukt niet altijd. De volgende keer aarzel je dan om nog een subsidieaanvraag in te dienen, want projectschrijven vraagt tijd en energie die niet naar uitvoering gaat. Lokale besturen hebben groeipaden en langetermijnfinanciering nodig. Het Gemeentefonds evolueert niet mee met de uitdagingen waar we voor staan. En tegelijk verwachten we veel op het vlak van “zachte” materies zoals welzijn en preventie.’
Elke Schoof: ‘Voor Huizen van het Kind is het verschil tussen projectfinanciering en duurzame financiering echt cruciaal. Met een subsidie van twee of drie jaar kun je wel iets opstarten, maar gezinnen hebben nood aan continuïteit. De verwachting ontstaat dat de gemeente op eigen kosten de projecten voortzet, maar die kan onmogelijk op alle domeinen wegvallende subsidiestromen opvangen. Die werking valt dan weg. Dat is pijnlijk voor zowel gezinnen als professionals.’
Lutgard Vints: ‘Vlaamse middelen voor middenveldorganisaties zijn heel belangrijk, ook voor gemeenten. Denk aan jeugdorganisaties, kinderopvang, het Netwerk tegen Armoede, de Gezinsbond. Als die middelen in gevaar komen, heeft dat gevolgen voor lokale samenwerking. Expertise verdampt dan, en lokale besturen moeten keuzes maken: nemen we dat zelf over of valt het weg?’
We horen ook dat de overlegcultuur zwaar weegt. Hoe ervaren jullie dat?
Elke Schoof: ‘Er bestaan heel wat partnerschappen en netwerken, vaak vanuit Vlaanderen opgezet. Die zijn belangrijk en verrijkend, maar ze vragen ook tijd. Wie heeft de ruimte om in al die overlegstructuren te zitten? Veel gebeurt op basis van goodwill. Ik vraag me soms af of we die inzet wel genoeg erkennen en ondersteunen.’
Karolien Huylebroek: ‘Overal is er een stuurgroep, een lokaal samenwerkingsverband, een nieuw overleg. Op zich is dat goed: je wilt elkaar kennen en informatie delen. Maar soms krijg je belangrijke info alleen mondeling, bijvoorbeeld via een intersectorale medewerker van Opgroeien: “Ik mag dit nog niet schriftelijk verspreiden, want er kunnen nog wijzigingen komen.” Dan moet je aanwezig zijn op elk overleg of achteraf beginnen rondbellen. Je zou één medewerker bijna voltijds kunnen inzetten om overal mee aan tafel te zitten. De overlegcultuur is zinvol, maar ook een uitdaging.’
Lutgard Vrints: ‘Overlegstructuren zijn belangrijk maar de uren en frequentie moeten ook haalbaar zijn voor vrijwilligers. Voldoende communicatie op maat is ook nodig, zowel voor gezinnen als voor vrijwilligers.’
Stel dat de Vlaamse minister hier bij zat. Wat zouden jullie haar meegeven?
Karolien Huylebroek: ‘Als we willen toewerken naar een kansrijke omgeving voor gezinnen en kinderen, begint het met een voldoende aanbod. En dat aanbod moet vertrekken van een gelijk speelveld in heel Vlaanderen. Vandaag is dat nog niet zo. Er gebeuren inspanningen, maar we missen een duidelijk groeipad over legislaturen heen.’
‘Ik verlang naar een plan met een horizon: waar willen we binnen tien of vijftien jaar staan met ons gezinsbeleid, en welke stappen zetten we daarnaartoe? Dat is de verantwoordelijkheid van de Vlaamse politiek. Lokale besturen willen daar graag hun steentje aan bijdragen, maar we hebben die perspectieven nodig.’
‘Daarnaast heb je goede monitoring nodig. Vandaag gebeurt dat heel ad hoc, soms door lokale besturen, soms door het middenveld. Als we beter in kaart brengen wat er lokaal gebeurt, kunnen we daar enorm veel uit leren.’
Lutgard Vrints: ‘Ik sluit me daarbij aan. Een goed gezinsbeleid is per definitie departement- en legislatuuroverschrijdend. Neem het Toekomstplan Kinderopvang, dat voorstellen doet tot 2034: dat is een langetermijnplan. We een gedeelde basis nodig: dit zijn de minimumdoelen, daar werken we samen naartoe. En dat stopt niet bij kinderopvang en buitenschoolse opvang en activiteiten, maar geldt voor alle aspecten van gezinsbeleid.’
‘De Europese Kindgarantie is zo’n kader: alle kinderen toegang geven tot basisdienstverlening. Vlaanderen heeft mee het nationale actieplan opgesteld, maar dat is vandaag niet ambitieus genoeg. Bovendien speelt ook het federale niveau mee in gezinsbeleid, denk aan sociale bescherming, verloven enzovoort. Ook daar is samenwerking nodig.’
‘Vanuit de Gezinsbond pleiten we al jaren voor de kindnorm, een bril waarmee je beleid beoordeelt: is dit goed voor kinderen? Dat concept sijpelt stilaan door in domeinen zoals publieke ruimte, gezondheid en verkeer. Het zou mooi zijn als alle overheden die kindnorm systematisch toepassen, zeker wanneer het over gezinsbeleid gaat.’
Elke Schoof: ‘Ik denk ook aan het integrale plan rond kwetsbare zwangeren en de eerste duizend dagen. Dat plan kijkt domeinoverschrijdend naar welzijn en gezondheid. Dat soort geïntegreerde aanpak hebben we nodig. Diversiteit in aanbod is belangrijk om een breed publiek te bereiken, maar we hebben ook infrastructuur nodig die gezinnen ondersteunt.’
‘Waar ik op hoop, is duidelijke regelgeving voor preventieve gezinsondersteuning, met een groeipad naar een gedeelde ambitie. Tegen 2027 zou dat kader er moeten zijn, en het moet duurzaam zijn.’
Karolien Huylebroek: ‘Onze samenleving is zeer divers. Scholen en welzijnspartners geven aan dat het niet vanzelfsprekend is om met alle ouders connectie te maken. Brugfiguren zijn voor mij een sleutel om naar brede toegankelijkheid te groeien, in de zin van: kinderen en gezinnen zijn overal welkom, ongeacht hun specifieke zorgen of noden. De schakels tussen integratie, armoedebestrijding en gezinsbeleid moeten beter in elkaar passen. Daar kunnen Vlaanderen, lokale besturen en middenveld elkaar nog veel sterker in vinden.’ —
Auteur
-
PieterPlasHoofdredacteur Lokaal
Fotograaf
- Stefan Dewickere
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsMeer weten over
Up to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Magazine Lokaal
Sociale cohesie is geen project, maar een manier van kijken.
Kinderen en gezinnen -
Magazine Lokaal
Combinatiejobs in kinderopvang: nieuwe kansen, vrijer ademen
Kinderen en gezinnen -
Magazine Lokaal
'Inclusie gebeurt niet op papier, maar in de praktijk'
Kinderen en gezinnen