2021Lokaal04 - 100 jaar vrouwen in de politiek_1.png
Provider image

Op 24 april 1921 gingen twee miljoen Belgische vrouwen voor het eerst stemmen. Voor het eerst werden toen vrouwen naar de gemeenteraad gestemd: honderd jaar geleden waren dat er bijna tweehonderd of één procent van het totale aantal raadsleden. Dertien van deze vrouwen werden ook burgemeester. De stap was gezet, maar kwantitatief leverde dat de eerste halve eeuw weinig op. Pas de laatste dertig jaar gaat het dankzij de quota wat vlugger.

We zeggen het hier in Lokaal wel meer: lokale besturen zijn voorlopers en vernieuwers. Dat is duidelijk al een hele tijd zo, want het geldt ook voor het vrouwenstemrecht. Dat werd in België in 1948 ingevoerd, maar op gemeentelijk vlak konden vrouwen al stemmen en zich verkiesbaar stellen vanaf 1921.

Even samenvatten: De Belgische staat nam bij de onafhankelijkheid de Franse gelijkheidsidee over, en ogenblikkelijk bleek al dat égalité niet voor iedereen gelijk was, en dat fraternité iets anders is dan sisterhood. In een eerste fase gold het cijnskiesrecht. Alleen wie een bepaalde hoeveelheid belasting betaalde, mocht stemmen. Dat kwam erop neer dat het mooie stemrecht heel broederlijk werd toegekend aan 46.000 mannen op een totaal van 4,6 miljoen Belgen. Eén procent dus.

Na een dikke halve eeuw maakte het cijnskierecht plaats voor het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen, een soort stembewijs met punten: alle mannen van boven de 25 jaar kregen één stem, maar op basis van hun diploma’s of financiële status konden ze er nog één of twee bij krijgen. Toen werd ook de opkomstplicht ingevoerd: wie mócht stemmen, móést stemmen. Na de Eerste Wereldoorlog werd het principe ‘één man, één stem’ ingevoerd en verlaagde de stemgerechtigde leeftijd naar 21 jaar.

 

Stem, vrouw

En de vrouwen? Het verhaal is wel bekend en doet velen vandaag nog blozen van plaatsvervangende schaamte. Het waren de socialisten en de liberalen die het vrouwenstemrecht probeerden tegen te houden, omdat ze bang waren dat al die vrouwen onder invloed van de Kerk op de katholieke partij zouden stemmen.

Marijke van Hemeldonck – zelf overigens familie van Trien van Hemeldonk, die in 1921 schepen van de Kempense gemeente Zoersel werd en er van 1924 tot 1938 burgemeester was – schrijft in haar boek Een schip met acht zeilen: ‘Aan het socialisme, dat vrijheid, gelijkheid en solidariteit hoog in het vaandel draagt, vergeef ik zijn congenitale vrouwenblindheid niet. […] Als Vandervelde later het algemeen stemrecht voor alle burgers eist, laat hij de vrouwen achter. Jawel, als hij merkt dat Emilie Claeys een socialistische vrouwenbeweging voor het stemrecht op de been aan het brengen is, stuurt hij zijn eigen vrouw, Lalla Vandervelde, uit om het werk van de Gentse militante te ondermijnen. Komaan, gezellinnen, laten we de kansen van onze kameraden niet in gevaar brengen met onze ongepaste eisen…’

Als eerste voorzichtige toegeving raakten de heren politici het uiteindelijk eens over gemeentelijk stemrecht voor vrouwen. Toen dan later bleek dat het allemaal nogal meeviel met de invloed van meneer pastoor, waren het dan juist de niet-kerkelijke strekkingen die voor stemrecht op alle niveaus ijverden.

Dat het gemeentelijk stemrecht eerst kwam, verklaart Kristof Steyvers (UGent) in zijn reader Vrouwen & besluitvorming uit 2002 zo: ‘Het lokale bestuursniveau werd immers beschouwd als een goede maar onschuldige leerschool, een oefenterrein waar vrouwen “zonder al te veel schade aan te richten” konden participeren aan themata die in hun directe belangstellingssfeer zouden liggen (doordat zij in het verlengde lagen van met huishoudelijke taken verbonden issues die in de gemeenteraden werden behandeld).’

Bij wet van 15 april 1920 kregen vrouwen dus gemeentelijk stemrecht (met opkomstplicht), de eerste verkiezingen hadden plaats op 24 april 1921. Ruim twee miljoen Belgische vrouwen gingen toen voor het eerst stemmen, in 146 van de goed tweeduizend gemeenten werden in totaal 196 vrouwelijke raadsleden gekozen. Wie even niet op die tweeduizend gemeenten let, kan dat op het eerste gezicht zelfs een heel behoorlijk resultaat vinden voor zo’n eerste keer, maar die bijna tweehonderd vrouwen vormden toch maar één procent van het totale aantal raadsleden in België. Dertien van die vrouwen schopten het tot schepen en zes tot burgemeester. Zo wordt Léonie Keingiaert de Gheluvelt burgemeester in Geluveld, nu een deelgemeente van Zonnebeke, en Isabella Segers burgemeester in Appels, nu deelgemeente van Dendermonde.

Omdat vrouwen in 1921 volgens de Belgische wetten nog voor een deel onbekwaam waren, kregen de eerste vrouwelijke burgemeesters geen politiemacht zoals hun mannelijke collega’s. Ze moesten trouwens toestemming van hun man hebben om schepen of burgemeester te worden. Mijn generatie reageert verontwaardigd op zo’n melding, ik hoop van harte dat jonge mensen gewoon hun oren niet geloven, maar volgens de heersende zeden van toen was het niet meer dan logisch, vrouwen hadden toen ook toelating van hun man nodig om buitenshuis te werken, ze konden zelf geen bankrekening openen en hun man mocht hun salaris opstrijken. Nog een electorale eigenaardigheid: vrouwen konden vanaf 1921 opkomen bij de provinciale en nationale verkiezingen, maar zelf stemmen mochten ze op dat niveau niet. Al was er ook op die regel een uitzondering: vrouwen die tijdens de Grote Oorlog verzetsdaden hadden verricht en daarvoor tijdens de bezetting in de cel hadden gezeten, niet-hertrouwde oorlogsweduwen en alleenstaande moeders van gesneuvelde soldaten mochten wel stemmen bij nationale verkiezingen.

 

Het mag vooruitgaan

Het ging traag met de politieke macht van vrouwen. Jarenlang bleef het aantal vrouwelijke verkozenen rond de drie procent steken: 2,6 in 1946, 2,9 in de jaren 1950, 3,1 in 1964. Pas in 1970 was er een relatief fikse sprong naar 7,2 procent. De eerste fusies van 1964, 1970 en 1971 speelden indirect in het voordeel van de vrouwen die in 1974 eindelijk boven de tien procent raakten, 11,9 procent om precies te zijn. In Brugge waren intussen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 de eerste folders verschenen die opriepen om voor vrouwen te stemmen met de veelzeggende slagzin ‘Heb vertrouwen – stem voor vrouwen’.

De rest van het land volgde. Overal verdubbelde het aantal vrouwen in raden en parlementen. En waren er toen geen wetten en regels in verband met quota gekomen, dan zaten we misschien nog op dat niveau. Mondjesmaat steeg het aantal wel, maar echt schot in de zaak kwam er toch pas in 1994. Toen werd de wet Smet-Tobback van kracht. Die bepaalde dat ten hoogste twee derde van het aantal kandidaten op een lijst van hetzelfde geslacht mocht zijn, als overgang mochten het er in de lokale verkiezingen van 1994 nog drie kwart zijn. De resultaten waren direct merkbaar: in 1994 waren er 20,9 procent vrouwelijke verkozenen en in 2000, het eerste jaar dat de quota volledig golden, 27,1 procent.

Bij de uitvoerende macht gaat het nog niet zo’n vaart. In 1988 waren er zeven vrouwelijke burgemeesters in Vlaanderen, in 2001 nauwelijks twee meer, maar in 2007 ging het in één keer naar 29. Nu (gegevens van november 2020) zijn er 45 vrouwelijke burgemeesters in Vlaanderen, dus nog steeds niet veel meer dan een zevende van het totaal van driehonderd. In Gent of Oostende is er nog nooit een vrouwelijke burgemeester geweest, en op dit moment is er maar een op de negentien in Brussel…

 

Verkozen raken

Een vorm van bekendheid om het tot kandidaat en dan tot verkozene te brengen helpt, maar een liedje kunnen zingen is zeker niet nodig. De vlaag van BV-raadsleden is een beetje overgewaaid. Lokaal bekend geraken door mee te draaien in plaatselijke organisaties en initiatieven levert terecht veel meer op. Je bouwt er een netwerk op en kunt er laten zien wat je in je mars hebt. En omgekeerd ontwikkel je er ook allerlei vaardigheden op bijvoorbeeld communicatief en leiderschapsvlak. Dat geldt uiteraard voor mannen én vrouwen.

Het valt wel op dat mannen makkelijker uit zichzelf in de politiek gaan en vrouwen iets meer gevraagd worden. Dat zal wel te maken hebben met tradities, verwachtingen en tijdsbesteding – aan mannen wordt nog steeds niet gevraagd hoe ze dat toch kunnen, werken en een politiek mandaat bekleden, terwijl ze thuis een tweeling van vier hebben rondlopen – maar er is nog een heel simpele reden: lokale partijverantwoordelijken moeten soms op zoek naar kandidaten om hun lijst vol te krijgen en dan nog volgens de huidige quota. Maar dat betekent niet dat vrouwen maar lijstenvullers zonder echte belangstelling zijn. Ze hadden wellicht alleen een duwtje nodig. De politieke belangstelling en overtuiging is er al van tevoren.

Dat blijkt ook uit de al vermelde publicatie van Kristof Steyvers. Over de rekrutering van vrouwelijke kandidaten in de jaren negentig schrijft hij: ‘Van de ondervraagde vrouwelijke lokale mandatarissen bleek 83,20% in de periode vóór hun eerste kandidaatstelling een uitgesproken politieke voorkeur te hebben, een percentage dat vrijwel gelijk is aan dat van hun mannelijke collega’s.’ En hij ziet ook het belang van een ‘geschiedenis van activisme’ voor het proces van politieke rekrutering: ‘Zo verwijst bijna 20% van de vrouwelijke lokale mandatarissen naar het verenigingsleven in brede zin als de primaire factor voor het in contact komen met de lokale politiek. Activisme in het verenigingsleven […] draagt ook bij tot de vorming van politiek kapitaal doordat men er vaardigheden en sociale netwerken kan opbouwen die dienstbaar kunnen zijn in het politieke leven.’ Dat werkt dus in twee richtingen: de vrouwen krijgen er een soort politieke vorming door, en ze vallen er ook door op bij mensen die op zoek zijn naar kandidaten voor hun lijst.

Uit Nederlands onderzoek blijkt dat politieke interesse in de eerste plaats in het gezin gewekt wordt: politieke ambities komen het vaakst voor bij mensen van wie de vader (en hopelijk nu dus ook de moeder) politiek actief is of was, en bij uitbreiding ook bij mensen uit gezinnen waar over politiek gediscussieerd werd. Bij ons is dat zeker niet anders. Kijk maar even op p. 8 wat schepen Romi Soors antwoordt op de vraag of ze uit een politieke familie komt. De Antwerpse oud-burgemeester Leona Detiège volgde het voorbeeld van haar vader Frans en gaf het politieke vuur door aan haar dochter Maya. Freya Van den Bossche, Hilde Claes, Anne Martens, Marleen Vanderpoorten, het zijn maar enkele van de vele vrouwen die de politiek met de soep mee ingelepeld kregen.

 

Hogerop?

En hoe zit dat nu met de vraag of het gemeentelijk stemrecht een eerste stap was in een groeiproces naar algemeen stemrecht? De vrouwen hebben, zoals Steyvers ironisch opmerkt, ruim de tijd gehad om te leren. Pas 27 jaar later mochten ze ook op de hogere beleidsniveaus een bolletje mee kleuren. En het heeft zijn tijd geduurd voordat dit zich weerspiegelde in vrouwen op lijsten en in raden en parlementen.

Ruim een halve eeuw na de invoering van dat eerste stukje stemrecht voor vrouwen, was er niet alleen op lokaal vlak nog niet veel te bespeuren van vrouwelijke verkozenen – wat uiteraard nog iets anders is dan kandidaten –, ook op de andere niveaus kwamen we nog niet veel verder dan een excuustruus hier en daar. Hoewel, dat is erg negatief uitgedrukt. Misschien waren het gewoon de enige vrouwen die de heren der schepping in hun politieke omgeving zagen rondlopen. Die bijziendheid kunnen we niet eens altijd superioriteitsgevoel of kwade wil noemen.

Rita Mulier, medestichter van het VOK (Vrouwenoverlegcomité, het huidige Furia) vertelt in haar autobiografie Dwars en loyaal: ‘Ik schreef mijn eerste lezersbrief voor de krant en hij veroorzaakte hilariteit in het parlement. Ik bezorgde hem aan Louis Meerts, hoofdredacteur van De Gazet van Antwerpen. De titel was “Aan het geslacht nog niet gedacht” en hij verscheen op 25 juni 1968. Hij bevatte een commentaar op het povere aantal vrouwen dat na de verkiezingen de helft van de bevolking zou vertegenwoordigen. De Belgische kiezers stuurden één vrouw naar de Kamer en drie naar de Senaat. Premier Gaston Eyskens vond het niet nodig ook maar één vrouw in de regering op te nemen. Hij interesseerde zich niet voor “het geslacht” van zijn ministers.

Ik schreef: “Natuurlijk hebben de ministers bij de uitoefening van hun functie hun geslacht niet van doen.” Het artikel drukte verontwaardiging uit over het feit dat een billijke verdeling van de zorg voor het algemene welzijn niet door de twee seksen werd gedragen. De tekst eindigde met een zinspeling op de assepoester aan de Belgische haard. Het was waarschijnlijk de laatste keer dat een zin als “Ver van ons het noodzakelijk te vinden dat de vrouwen hun moeizaam verworven stemrecht zouden moeten gebruiken om voor vrouwelijke kandidaten te stemmen” uit mijn pen vloeide. Ik werd een fervent pleiter voor stem-vrouw-acties.’

En nu, honderd jaar na Léonie Keingiaert, is de politiek nog altijd een strijd, zeker voor vrouwen, maar een bestuur zonder vrouwen is niet meer denkbaar, en vrouwen krijgen niet meer automatisch ‘zachte’ bevoegdheden toegewezen, zoals de allereerste Belgische vrouwelijke minister, Marguerite De Riemaecker-Legot, die van 1965 tot 1968 minister van het Gezin en de Huisvesting was in de regering-Harmel en de regering-Vanden Boeynants I.

Tot slot, even persoonlijk: Al sinds de eerste keer dat ik aan verkiezingen mocht deelnemen, benadruk ik dat ik wens te kiezen op basis van kunde en engagement, niet op basis van geslacht. En ik herinner me dat ik eens op een man heb gestemd, omdat ik overtuigd was van zijn kunde en engagement, en wellicht was dat niet de enige keer. Maar het is toch curieus dat ik zonder er moeite voor te doen al altijd heel vanzelfsprekend vrouwen heb gevonden die aan mijn criteria voldoen en die dus mijn stem krijgen. •

 

Marleen Capelle is redacteur van Lokaal
Voor Lokaal 04 | 2021

De aller-allereerste

Een van de eerste ‘burgemeesteressen’ van Vlaanderen was Léonie Keingiaert de Gheluvelt. Ze was zelfs de aller-allereerste. Er hoefden in Geluveld geen verkiezingen georganiseerd te worden, omdat er maar één lijst was ingediend. Léonie Keingiaert mocht al op 16 oktober 1921 de burgemeesterssjerp omgorden. Het werd een combinatie van een plechtig moment en een groots feest. Pieter Ghesquière, landbouwer, medewerker aan plaatselijke bladen, briefschrijver voor buren en vrienden en gelegenheidsdichter, huldigde haar die dag met een lang gedicht, waaruit we een fragment publiceren. Wie het helemaal wil lezen, vindt het op de website van de gemeente Zonnebeke.

’s Burgemeesteres inhuldiging:
Wie kan er dat beschrijven?
Voor wie ’t gezien heeft hoe het ging
’t Zal in ’t geheugen blijven
Hoe ’t kleine, lieve Gheluvelt
Zoo eensgezind, in feestgeweld
“Haar Edelheid” kan vieren
Die ’t dorp nu zal bestieren!
[…]

Gedichten haast aan elke woonst
Zoo bondig en zoo knedig:
Elk had geïeverd om ter schoonst,
Om koddig en om snedig:
Men bood het een of ander aan
’t Was zoo eenvoudig om verstaan:
Bedoelend waar, of kunste,
Aan Jufvrouw Hare gunste!
[…]

Burgemeesteres, Uedelheid,
Waart door het “Feest” bewogen!
Gij hebt gezien wat “Dankbaarheid”
En “Eendracht” hier vermogen!
Op Uwen steun rekent en telt
Het weer-rijzend Gheluvelt:
Moge God U veel jaren
Aan ’t hoofd van ’t dorp bewaren!!!

Léonie Keingiaert de Gheluvelt bleef maar aan ’t hoofd van ’t dorp bewaard tot de volgende verkiezingen in 1926. Ze verhuisde naar de oppositie, maar in 1932 begon ze aan een tweede termijn als burgemeester. Na een lange en stevige oppositiekuur was ze van 1959 tot 1965 nog schepen van Financiën en Onderwijs. Ze was een vrouw met haar op haar tanden, geëngageerd en scherp. Dat ze even fervente voor- als tegenstanders had, werkt nog altijd door: het idee om in Geluveld een plein naar haar te vernoemen ligt gevoelig.