Compromissen sluiten, voelsprieten uitsteken, elkaar inspireren en van elkaar leren: we kunnen elke euroscepticus een gesprek met professor en EU-deskundige Hendrik Vos van harte aanraden. Ook wanneer hij het zelf helemaal anders zou doen, begrijpt en ziet hij het hoe en waarom. ‘We staan er niet bij stil, maar tal van landen staan in de rij om lid van de EU te worden.’
Hendrik Vos is als hoogleraar verbonden aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent, waar hij verschillende vakken doceert over het beleid en de besluitvorming in de Europese Unie. Hij heeft ook verschillende boeken over de EU op zijn naam en maakte zelfs een theatervoorstelling over de ontstaansgeschiedenis van de EU.
De EU en u: het was geen liefde op het eerste gezicht?
‘Toen ik eind jaren 1990 professor werd, waren al mijn collega’s van de faculteit Politieke Wetenschappen al gespecialiseerd in lokale, nationale of internationale politiek. Europa bleef als het ware over en belandde zo op mijn bord. Dat ik me zou moeten bezighouden met de hoogte van de boterprijzen, de quota voor pladijzen of de kromming van komkommers? Ik had me mijn leven ook wel spannender voorgesteld. Maar gaandeweg ontdekte ik welke fascinerende verhalen er allemaal schuilgingen achter de Europese eenmaking. Ik kreeg ook steeds meer inzicht in het besluitvormingsproces en de manier waarop Europa functioneert.
Europa is een heel vloeibaar systeem, democratischer en transparanter dan vaak gedacht wordt. Omdat we er zelf al zo lang deel van uitmaken, er als het ware middenin zitten, beseffen we ook niet altijd meer dat tal van landen in de rij staan om lid te mogen worden van Europa. Ik zie geen landen vragen om deel te worden van China of Rusland. Of van de VS. Toch al zeker Groenland en Canada niet. (lacht) Dat betekent toch iets: landen willen een deel van hun autonomie en beslissingsbevoegdheden opgeven om deel te worden van dat Europese project.’
Hoe komt het dan dat mensen vaak kritisch zijn voor Europa?
‘Europa wordt vaak afgerekend op veronderstelde absurditeiten of op paperasserij, regelgeving wordt soms aangevoeld of afgedaan als bemoeizucht of zelfs pestgedrag. Ik begrijp dat, ik vraag zelf al jaren geen Europese subsidies voor wetenschappelijk onderzoek meer aan: ik krijg gewoon migraine van al het papierwerk en de verregaande rapportageregels. Dat zou eenvoudiger moeten kunnen. Maar ik snap ook wel waarom die strenge regels bestaan: omdat er ooit iets fout is gegaan, misbruik is gemaakt. De reactie was: we vragen extra verantwoording. En ik weet ook dat die strenge regelgeving democratisch tot stand is gekomen, dat die niet in het geheim bedisseld wordt door een stelletje bureaucraten “in Brussel”.’
“In ons land weet je bij het begin van een bestuursperiode: de volgende vier, vijf of zes jaar ligt de macht bij dat schepencollege, die deputatie of die regering. In Europa is dat veel vloeibaarder: wetten worden gestemd door steeds wisselende coalities, er is geen “vaste” meerderheid.
![]()
Kunt u dat Europese besluitvormingsproces even kort toelichten?
‘De Europese regelgeving komt tot stand in een heel democratisch en transparant proces waarbij alle lidstaten en hun vertegenwoordigers betrokken zijn. Een voorstel voor wetgeving komt altijd van de Europese Commissie die is samengesteld uit de Europese Commissarissen, met elk hun eigen bevoegdheden en administratie. Maar het is uiteindelijk het Europees Parlement met meer dan 700 parlementsleden en de Raad van Ministers die beslissen of dat voorstel ook wetgeving wordt. Zij sleutelen aan de voorstellen, amenderen, pingpongen met elkaar. Om wetgeving goedgekeurd te krijgen is er in het Europees Parlement een gewone meerderheid nodig, in de Raad een soort tweederdemeerderheid.’
‘Het grote verschil met de lokale, regionale of nationale politiek is dat er niet één centrum van de macht bestaat in Europa. In ons land weet je bij het begin van een bestuursperiode: de volgende vier, vijf of zes jaar ligt de macht bij dat schepencollege, die deputatie of die regering. Maar in Europa is dat veel vloeibaarder: wetten worden gestemd door steeds wisselende coalities van parlementsfracties, er is geen “vaste” meerderheid. En in de Raad houden de ministers dan weer meer rekening met de nationale belangen. Het Europees beleid ontstaat in een bruisende, vloeibare context waarin constant ruimte is voor beïnvloeding en de uitwisseling van standpunten en informatie.’
Die beïnvloeding hoeft niet per se slecht te zijn?
‘Er zijn in Brussel duizenden lobbygroepen die de belangen van hun sector willen verdedigen. De vereniging van sportvissers, de producenten van anijshoudende sterke dranken, de Cliniclowns: allemaal huren ze kantoorruimte in de Europawijk. Dat is op zich geen slechte zaak: de vinger aan de pols houden, informatie uitwisselen, dat is nuttig en zinvol. Wel moet je erover waken dat bepaalde zeer rijke of machtige groepen niet té veel invloed krijgen – dat is iets om zeer alert voor te zijn. Maar zoals gezegd: er zijn checks and balances, want het Europees Parlement dat de wetgeving goedkeurt, ziet ook wel of de belangen van een bepaalde groep niet over- of ondervertegenwoordigd zijn.
Het proces van informatie-uitwisseling start eigenlijk al in de zogenaamde nulfase, wanneer de Europese Commissie aan een voorstel werkt. Zij vragen zich af: als dit ooit wetgeving wordt, hoe zal het dan onthaald worden in heel Europa – van het noorden van Finland tot het zuiden van Cyprus, van Litouwen tot de stranden van Ibiza? En dus begint de Commissie al bij de uitwerking van een voorstel haar voelsprieten uit te steken, via formele en informele netwerken.’
Ook bij lokale besturen?
‘Jazeker, als de mogelijke wetgeving een lokale impact heeft. 70% van de Europese regelgeving vindt zijn weg naar het lokale niveau, het zijn vaak de lokale besturen die de Europese regels moeten toepassen en uitvoeren. Denk aan afvalverwerking, energie-efficiëntie van gebouwen, alle mogelijke milieu- en klimaatregels, sommige mobiliteitsthema’s, regels voor openbare aanbestedingen enzovoort. Daarnaast zijn er ook de EU-subsidies waarvan lokale besturen gebruik kunnen maken.
Europa wil dus weten wat lokale besturen denken van mogelijke wetgeving, wat de bekommernissen zijn, en omgekeerd willen steden en gemeenten weten welke regelgeving er wordt voorbereid. Die informatie-uitwisseling gebeurt op verschillende niveaus. Er zijn belangengroepen zoals Eurocities of Energy Cities. Sommige grote steden zoals Berlijn hebben ook hun eigen zogenaamde liaison offices in de Brusselse EU-wijk. Vlaamse steden en gemeenten zijn dan weer onder meer vertegenwoordigd via Vleva, het Vlaams-Europees Verbindingsagentschap waar ook de VVSG mee samenwerkt.’
“We zijn net zoals de VS een vrije markt, maar we hebben wel meer regels om onze burgers en consumenten te beschermen - op vraag van die burgers trouwens. We zijn op vele vlakken strenger dan in de rest van de wereld, maar de consumenten zijn hier kritischer en willen dat ook.
Er is ook een officieel EU-adviesorgaan met vertegenwoordigers van lokale en regionale besturen: het Europees Comité van de Regio’s.
‘Inderdaad, al is naar mijn gevoel de impact van dat Comité op de besluitvorming – en ik zal me genuanceerd uitdrukken – nul komma nul. Wat niet wil zeggen dat zo’n forum niet betekenisvol kan zijn. Lokale besturen kunnen er met elkaar in contact treden, van elkaar leren, netwerken. De leden zullen zeker wel een vorm van invloed hebben, maar dan eerder op een informele manier.’
Moeten lokale besturen meer moeite doen om de werking van de EU beter uit te leggen en Europa zo dichter bij de burger te brengen?
‘Ik merk dat er redelijk wat lokale besturen aandacht hebben voor de EU. Gemeenten van heel klein tot heel groot die activiteiten in verband met de EU organiseren: niet alleen lezingen maar bijvoorbeeld ook fietstochten of zoektochten. Ook de provincies doen dat regelmatig: een tocht langs plekken of projecten die Europese steun ontvingen bijvoorbeeld. Al is het vaak ook zoeken naar een geschikte vorm. Denk aan die infobordjes “mee gefinancierd door…” bij een natuurgebied of een fietsenstalling.
Waarschijnlijk is zo’n bordje wettelijk verplicht, maar je moet toch opletten met geforceerde marketing, dat komt vaak belerend over en werkt soms zelfs vervreemdend. Het is voor een lokaal bestuur dus soms wat zoeken hoe het de EU bekender kan maken zonder betuttelend over te komen. Maar lokale besturen hebben zeker hun verantwoordelijkheid in het bewaken en bevorderen van de democratie. Door desinformatie te bestrijden bijvoorbeeld, en over de EU bestaat er veel desinformatie.’
Terwijl het net dankzij de EU is dat we thema’s zoals de klimaatopwarming of online veiligheid efficiënter kunnen behandelen?
‘Inderdaad. De Europese Unie is per definitie een compromissenfabriek. De socialisten willen iets anders dan de liberalen, de Denen kijken helemaal anders tegen iets aan dan de Grieken, de Belgen willen een uitzondering en de Nederlanders een korting. Iedereen heeft zijn eigen goede redenen maar doet ook water bij de wijn, en op het eind worden er samen beslissingen genomen.
Elk land zijn eigen klimaatbeleid? Dat werkt niet. Versnipperd werken heeft geen enkel effect. Of denk aan dierenwelzijn, pesticidegebruik, online veiligheid of bijvoorbeeld GDPR: Europa onderkent bepaalde ontwikkelingen en beslist om daar ook regels voor op te stellen. We zijn net zoals de VS een vrije markt, maar we hebben wel meer regels om onze burgers en consumenten te beschermen – op vraag van die burgers trouwens. We zijn op vele vlakken strenger dan in de rest van de wereld, maar de consumenten zijn hier kritischer en willen dat ook. Tenminste: tot ze dan die privacy-pop-up op hun computerscherm zien verschijnen, dan is Europa weer de boeman. (lacht) Mensen hebben snel de neiging om met een vergrootglas te kijken naar zogenaamde absurditeiten, terwijl vaak simpelweg niet goed wordt uitgelegd waarvoor bepaalde regels in het leven zijn geroepen.’
Heeft de EU eigenlijk een groot werkingsbudget?
‘Het Europese budget is naar verhouding niet groot. Afhankelijk van hoe je het berekent, zit de gewone Europese begroting jaarlijks op om en bij 150 miljard euro. Ter vergelijking: Belgische overheden geven naar ik schat jaarlijks 300 miljard euro uit. Recent is daar wel het coronaherstelfonds bij gekomen, waardoor het Europese budget nu tijdelijk wat groter is. Ik heb ooit eens uitgerekend wat de bijdrage van de Europese burgers is, naar analogie van de tax liberation day die voor de meeste lidstaten ergens in de zomermaanden ligt.
Als ik het me goed herinner was de Europese tax liberation day 3 januari kort na de middag. (lacht) Dat Europese budget is verdeeld over een aantal subsidiepotjes: het landbouwfonds, een fonds voor films, het Erasmusprogramma, het Europees Sociaal Fonds enzovoort. Het is aan de regio’s, lokale besturen en burgers om die subsidies aan te vragen – en zich niet te laten afschrikken door de administratie.
“Je metronet of drinkwatervoorziening beschermen: niet elke stad moet het wiel uitvinden, veel bestaat al. Er is vandaag meer Europese coördinatie, maar de beste ideeën ontstaan vaak op lokaal niveau.
![]()
Kunnen lokale besturen ook beter of nauwer betrokken worden bij de omzetting van de Europese regelgeving?
‘Het zou in elk geval niet slecht zijn, want regelgeving omzetten is in België echt wel een issue. Ons land heeft op dat vlak een heel slechte reputatie in Europa: er zijn veel dossiers lopende bij het Europees Hof van Justitie wegens het niet, laattijdig of verkeerd omzetten van regelgeving. We verschuilen ons dan vaak achter het excuus dat ‘we een ingewikkeld land zijn’. Maar je hebt nog landen met deelstaten. Duitsland heeft zijn Länder, Spanje zijn autonome gemeenschappen enzovoort. Die omzetting beter coördineren is lange tijd geen aandachtspunt geweest in onze Belgische structuur, maar zou dat dus wel moeten zijn. Al in een vroeg stadium van nieuwe regelgeving kijken naar de verantwoordelijkheden op elk niveau: federaal, Vlaams, lokaal, intergemeentelijk… Zich op tijd afvragen: hoe gaan we dat organiseren? De VVSG kan zo’n betere coördinatie zeker mee onder de aandacht brengen of eraan bijdragen.’
Europa vraagt nu dat de lidstaten meer investeren in defensie. Hebben lokale besturen daar ook een opdracht in?
‘Ik denk niet dat we moeten vrezen dat er Russische tanks gaan binnenrollen. De dreiging van een subtielere hybride oorlogsvoering is veel reëler en in vele opzichten ook gevaarlijker. En dan zit je deels op het niveau van lokale besturen, want dan gaat het over het saboteren van waterzuivering of energiecentrales, het in de war sturen van transportnetwerken, cyberaanvallen... Dat gebeurt nu al. Lokale besturen moeten zich daartegen wapenen en ze kunnen daarbij veel leren van lokale besturen in andere Europese landen, want de uitdagingen zijn overal dezelfde. Je metronet of drinkwatervoorziening beschermen: niet elke stad moet het wiel uitvinden, veel bestaat al. Er is vandaag meer Europese coördinatie, maar de beste ideeën ontstaan vaak op lokaal niveau.’
Die onderlinge uitwisseling van kennis vindt u echt belangrijk?
‘Lokale overheden zijn vaak laboratoria waar creatieve ideeën kunnen opborrelen. Denk aan het voorbeeld van Kopenhagen als fietsstad: dat is toch een mooie inspiratiebron wanneer je zelf de fietsinfrastructuur in je gemeente wilt verbeteren? Als je als lokaal bestuur alleen maar met jezelf of je drie buurgemeenten bezig bent, mis je goede, creatieve ideeën van elders. Of het nu gaat over het fiets- of het afvalbeleid: kijk eens rond in andere landen, er zijn heel veel experimenten gaande. Leer van elkaar, wissel ervaringen uit. Er is vast ergens een gemeente diep in Portugal die al een oplossing gevonden heeft voor jouw specifieke probleem. Dat is eigenlijk mijn voornaamste advies aan steden en gemeenten: behoud een open, brede blik.’
Tot slot: durft u in de toekomst kijken?
‘Als ik naar de geschiedenis van de EU kijk, weet ik dat het verdere pad nooit vastligt. De EU is een verhaal van toeval, geluk, omstandigheden, gepruts, gebricoleer. Alles is maakbaar, en de EU is bovenal mensenwerk. Veel hangt dus af van de mensen die we verkiezen, in de cockpit plaatsen. Wel denk ik dat bepaalde thema’s sowieso hoog op de agenda zullen blijven staan. De strijd tegen de klimaatopwarming is daar ongetwijfeld een van. De Europese autoconstructeurs klagen al jaren dat Europa te snel wil gaan met de strengere milieuregels. Maar intussen worden ze wel weggeconcurreerd door de Chinese constructeurs die wél volop hebben ingezet op elektrificatie. Eigenlijk had Europa de regels nog sneller strenger moeten maken.’ —
Auteur
-
GuyBourgeoisRedacteur Lokaal
Foto
- Stefan Dewickere
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsUp to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Nieuws
Wijzigingsdecreet inburgerings- en integratiebeleid op regeringstafel: VVSG adviseert
Maatschappelijke dienstverleningDiversiteit en gelijke kansenWerk, sociale economie en activering -
Nieuws
Expertiseorganisaties sociale cohesie: uitstel tot 1 september
Diversiteit en gelijke kansenMaatschappelijke dienstverleningWerk, sociale economie en activering -
Nieuws
FACT-app helpt lokale besturen om drempels voor anderstaligen te verlagen
Maatschappelijke dienstverleningDiversiteit en gelijke kansenZorg en gezondheidWonenWerk, sociale economie en activering