In Finland krijgen studenten die met succes hun doctoraat verdedigen, niet alleen zo’n kek afstudeerhoedje op hun hoofd geplaatst. Ze krijgen ook een echt zwaard overhandigd: ‘om altijd voor het goede, het juiste en het ware te strijden’. Ik vind het een prachtig symbool.
Het hoogste academische diploma komt met een grote verantwoordelijkheid voor wie het krijgt: academici moeten hun recht blijven opeisen om in alle vrijheid onderzoek te doen. En om op basis van dat onderzoek te blijven zoeken naar wat goed, juist en waar is. Vragen stellen vanuit een permanente nieuwsgierigheid naar nieuwe kennis. En ook vanuit een bezorgdheid om de wereld een beetje beter te helpen maken.
Het is in deze traditie dat de eerste les Bestuurskunde altijd begint met de stelling dat ‘bestuurskunde een empirische, normatieve en prescriptieve discipline is’. Op het moment dat deze zin valt, gaan de oren van de nieuwbakken studenten zodanig flapperen dat ik daar en dan elk jaar mijn eerste herfstverkoudheid oploop. Vijf beaufort in het auditorium. Zou het dan toch kloppen dat UGent een links-activistisch woke-nest is, zie je sommigen denken. Als ik de studenten in januari op het examen vraag om deze zin uit te leggen en te illustreren, loop ik een tweede verkoudheid op: vanwege de evidente vraag waait een simultane en grote zucht van opluchting door het examenlokaal. Een beetje student heeft tegen dan immers in de gaten dat bestuurskundigen niet alleen proberen te beschrijven en te verklaren hoe de overheid werkt (empirisch), maar dat ze zich ook moeten uitspreken over de kwaliteit van het bestuur (normatief) en daar dan adviezen over moeten formuleren (prescriptief).
Met het normatieve element begeven we ons als wetenschappers wel op glad ijs. Meningen loeren achter de rug van feiten verleidelijk om de hoek. Wat is immers ‘goed bestuur’? Voor uitspraken daarover hebben we criteria nodig waar we onze lat naast kunnen leggen. Nu zijn er veel criteria van goed bestuur, en die zijn niet altijd compatibel. Wat ‘effectief’ is, bijvoorbeeld sociaal werkers die naar de burgers gaan om hen op hun rechten te wijzen, is niet altijd ‘efficiënt’: veel personeel dat veel tijd stopt in relatief weinig dossiers. Wat ‘democratisch’ is (burgerinspraak organiseren), werkt vaak vertragend en bureaucratiserend (infrastructuurprojecten die lang aanslepen).
Of wat zijn ‘kerntaken’? Veiligheid, vuiligheid en verkeer, jazeker. Maar verder? Jonge ouders vinden het fantastisch dat de gemeente sportkampen organiseert, en senioren ontvangen dagelijks graag een maaltijd aan huis van het OCMW. Wiens ‘kerntaak’ moet er dan sneuvelen in een besparingsronde? Het is niet aan bestuurskundigen om dat te bepalen of om de vele criteria van goed bestuur te rangschikken. Dat zijn politiek-ideologische vragen voor het democratisch debat. Dat zeg ik er dan ook onmiddellijk bij in die eerste les. Vandaag wijst de pijl in de richting van een overheid die beter wat kleiner, efficiënter en minder bureaucratisch is. Dat is een politieke keuze, en daarvoor moet een bestuurskundige dan adviezen formuleren. Met de nodige kritische zin, want een goed advies bevat ook waarschuwingen.
Dat beleidskeuzes, zoals het afschaffen van zomerkampjes, gevolgen hebben die verder gaan dan winst voor de stadskas. Dat het benadrukken van één criterium van goed bestuur (bijvoorbeeld diensten digitaliseren vanuit een efficiëntiedenken) gevolgen heeft voor andere criteria (drempels tot dienstverlening creëren voor bepaalde groepen).
Bestuurskundigen moeten ook beseffen dat er altijd een zekere tegenkanting zal zijn. Want zelfs al zijn hun adviezen gebaseerd op bestuurswetenschappelijke inzichten en niet op politieke standpunten, ze hebben wel altijd een zekere politieke lading: afhankelijk van de mate waarin het advies in hun kraam past, gaan sommige politici het gretig delen en promoten, terwijl anderen het afserveren. En zo kan het gebeuren dat met belastinggeld bestelde onderzoeksrapporten op vraag van de opdrachtgever in de kluis blijven. Precies daarom hebben we als wetenschappers dat zwaard nodig. Het staat symbool voor de moed die soms nodig is om te spreken, ondanks mogelijke tegenkanting.
Het brengt mij bij een slotbedenking over de ‘bestuurskundigen-in-de-praktijk’, de medewerkers van de lokale besturen. Ook voor hen is het ijs soms bijzonder glad, als ze ‘truth to power’ durven spreken. Ook voor hen geldt, misschien a fortiori, dat het moed vergt om hun bestuurders af en toe te waarschuwen. Ook en zeker nu de beleidsnota’s en de meerjarenplannen worden opgemaakt, en de lokale koers voor de komende jaren wordt bepaald. Uiteraard moet de politiek de knopen doorhakken. En van medewerkers mogen we net als van academici een neutrale en objectieve houding verwachten. Maar zeker in een complexe wereld is goed beleidsadvies meer dan ooit nodig. Ook van de experten in het eigen bestuur. Geef hen daarom het vertrouwen om hun rol te spelen. En gun hen ook een zwaard. —
Auteur
-
BramVerschuereProfessor bestuurskunde Ugent
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsUp to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Magazine Lokaal
Estafette Loes Vandromme
Bestuur en burger -
Nieuws
Hulp bij je belastingaangifte
Bestuur en burger -
Magazine Lokaal
Van studentenkoten tot galerijgraven
Bestuur en burger