In september publiceerde de Zorginspectie haar syntheserapport van de laatste inspectieronde bij kleuteropvang met kwaliteitslabel. Tussen mei 2025 en april 2026 bezocht de Zorginspectie in het kader van die ronde 284 locaties in Vlaanderen en Brussel. Sinds 1 september 2026 zijn alle lokale besturen zelf verantwoordelijk voor het toezicht op het erkende aanbod buitenschoolse opvang en activiteiten in hun gemeente. Welke lessen onthouden we uit het rapport van de Zorginspectie?
Pedagogische basis is aanwezig
Het goede nieuws is dat in de meeste bezochte locaties de basis voor een kwaliteitsvolle werking meestal aanwezig is. De sector vertrekt niet van nul. Inspecteurs zagen in de meeste locaties oog voor rijke speel- en ontplooiingskansen, een gevarieerd spelaanbod en aandacht voor de leefwereld van kinderen. Ook kwaliteitsvolle interacties en positieve verbondenheid tussen kinderen zijn meestal zichtbaar aanwezig.
Bewaak de aandacht voor kleuters
Met het verdwijnen van het kwaliteitslabel voor kleuteropvang bestaat de kans dat de noden van kleuters op de achtergrond verdwijnen. Kleuters hebben, meer dan lagere schoolkinderen, nood aan een warm nest om te landen na schooltijd. Specifieke aandacht voor hun behoeften blijft belangrijk. Dat is ook de reden waarom kleuters in het BOA-decreet expliciet genoemd worden.
Voor lokale besturen betekent dat:
- Expliciet oog hebben voor de noden van kleuters in bijvoorbeeld het lokaal erkenningskader.
- Nagaan of kleuters niet 'verdwijnen' in een aanbod dat gericht is op oudere kinderen.
- In het BOA-aanbod aandacht hebben voor de inrichting, het spelmateriaal, rustmogelijkheden en begeleiding op maat van de kleinste kinderen.
Kijk voorbij de toplaag
De Zorginspectie focuste in haar ronde vooral op wat er zichtbaar was in de praktijk (de 'toplaag'). Ze beoordeelden dus niet de onderliggende processen en procedures die de organisatoren gebruiken om aan kwaliteit te werken.
Lokale besturen kunnen hun toezicht sterker maken, door een stap verder te gaan en naast de toplaag ook aandacht te hebben voor de manier waarop erkende organisatoren structureel werken aan kwaliteit. Dat gaat dan over het inschatten van het beleidsvoerend vermogen van organisatoren, hoe doorleefd procedures zijn in de praktijk en hoe organisatoren en hun medewerkers reflecteren en hun werking bijsturen. Door tijdens een bezoek in gesprek te gaan met begeleiders, kan je peilen in welke mate ze de procedures kennen en leren uit situaties op de werkvloer.
Veiligheid en crisis vragen voortdurende aandacht
Uit de inspecties blijkt dat niet in alle bezochte locaties de begeleiders voldoende vertrouwd zijn met de afspraken en wat te doen in crisissituaties. Voor lokale besturen liggen daar kansen. Vanuit hun regierol kunnen ze BOA-organisatoren ondersteunen met bijvoorbeeld vormingen, oefeningen of gezamenlijke procedures over omgaan met crisis in de opvang. Zo evolueren crisisprocedures van een papieren afspraak naar een gedeelde professionele praktijk.
Goed om te weten: de komende maanden werkt de VVSG, samen met Arteveldehogeschool en de UGent, aan een gedeeld kader over kindveiligheid in buitenschoolse opvang en activiteiten. De opdracht en financiering van het project komen van Opgroeien. Het doel is om tegen maart 2027 het gedeeld kader te verspreiden.
Meer weten?
Lees het syntheserapport(opent nieuw venster) van de Zorginspectie of de managementsamenvatting(opent nieuw venster).