Federaal minister Vandenbroucke verhoogt de minimum ziekte-uitkering voor een deel van de mensen die deeltijds werken. De VVSG is blij dat die minimumuitkering daardoor boven het leefloonbedrag komt. We zien dat als een eerste hoopvolle stap in de aanpak van te lage minimumuitkeringen. Voor lokale besturen is dat belangrijk, omdat OCMW’s vandaag vaak moeten tussenkomen wanneer vervangingsinkomens onder het leefloon blijven.
Te lage uitkeringen brengen mensen naar het OCMW
De VVSG wijst er al langer op dat minimum vervangingsinkomens in heel wat gevallen onder het leefloonbedrag liggen.
Zo ligt de werkloosheidsuitkering voor alleenstaanden en gezinshoofden vanaf het tweede jaar net onder het leefloonbedrag.
Daardoor kloppen veel mensen aan bij het OCMW met een hulpvraag. Blijkt na sociaal onderzoek dat iemand behoeftig is, dan vult het OCMW het vervangingsinkomen aan tot het leefloon. Dat gebeurt via een aanvullend leefloon. Het OCMW voorziet tegelijk ook begeleiding naar werk of maatschappelijke integratie.
Lage uitkeringen verhogen stress en werkdruk
Die situatie zorgt voor extra stress en onzekerheid bij mensen met een laag inkomen. Tegelijk legt ze bijkomende druk op OCMW’s.
Door de beperking van de werkloosheid verwachten we bovendien meer dossiers voor een aanvullend leefloon. Die dossiers vragen ook extra afstemming, omdat mensen rekening moeten houden met de verwachtingen van twee uitbetalingsinstellingen.
Voor OCMW’s is een verhoging van de minimumuitkeringen boven het leefloonbedrag een krachtig signaal. Zeker nu de werkdruk hoog is en in de zomer nog zal toenemen.