Meer inwoners helpen renoveren vraagt toegankelijke loketten, deskundige begeleiding en sterke lokale samenwerking. Het vernieuwde kader voor de energiehuizen combineert die ambities met een versterkte basisfinanciering en meer aandacht voor collectieve renovatie. Voor lokale besturen biedt dat kansen om de dienstverlening en de renovatieaanpak samen met het energiehuis verder uit te bouwen. We berichten al eerder over het eengemaakte woon- en energieloket. Dit artikel gaat dieper in op het nieuwe financieringsmechanisme voor de energiehuizen.
Energiehuizen werken goed en spelen enen cruciale rol
Afgelopen zomer voerde het VEKA een beleidsevaluatie naar de werking van de energiehuizen. Hieruit blijkdat dat de 22 energiehuizen een cruciale schakel zijnin het Vlaamse renovatiebeleid. Ze haalden hun streefwaarden in de voorbije jaren, de klantentevredenheid is hoog en de doorlooptijd van de Mijn VerbouwLening werd bijna gehalveerd. Ook Europa rekent op hen: lidstaten zijn verplicht om one-stop-shops voor renovatie uit te bouwen. In Vlaanderen nemen de energiehuizen die rol op.
Maar hun impact en financiering volstaan niet
In 2025 bereikten de energiehuizen en de woon- en energieloketten ongeveer 4% van de Vlaamse huishoudens. Ze stimuleren jaarlijks zo’n 12.276 renovaties. De Vlaamse renovatiestrategie vraagt ongeveer 100.000 grondige renovaties per jaar. Als ongeveer de helft daarvan ondersteuning nodig heeft, gaat het om circa 50.000 ondersteunde renovaties: vier keer zoveel als vandaag wordt bereikt.
Ook de financiering is te krap en te onzeker. Energiehuizen ontvangen een Vlaamse basisvergoeding, aangevuld met prestatievergoedingen voor verstrekte leningen en uitgevoerde begeleiding. Meer dan de helft van het personeel wordt betaald met tijdelijke, externe of prestatiegebonden middelen. Dat bemoeilijkt stabiele tewerkstelling en de aanwerving van medewerkers met technische en sociale vaardigheden.
Het stelsel moet coherenter
De lokale verschillen zijn groot. De Vlaamse middelen per huishouden liepen sterk uiteen tussen energiehuizen, en ook de lokale inzet verschilt: sommige gemeenten dragen veel bij met eigen loketpersoneel, andere nauwelijks. Daarnaast is de integratie van wonen en energie nog niet overal gerealiseerd. De verplichting om vanaf 1 januari 2028 een geïntegreerd woon- en energieloket aan te bieden, lag al vast, maar wie welke informatie, advies of begeleiding verzorgt, was onvoldoende afgebakend.
Waarom nu een versterking?
Met het nieuwe besluit speelt de Vlaamse Regering in op verschillende uitdagingen. Het huidige renovatieritme moet versneld omhoog. ETS2, het Europese emissiehandelssysteem voor gebouwen en wegvervoer, en de taxshift zullen de vraag naar renovatiehulp naar verwachting doen stijgen. Daarnaast wil Vlaanderen, in lijn met het regeerakkoord, inwoners actief opzoeken via collectieve initiatieven zoals wijktrajecten en groepsaankopen, in samenwerking met de lokale bouwsector. Daarnaast wil het energiearmoede aanpakken. Volatiele energiemarkten treffen kwetsbare gezinnen het hardst. Toegankelijke loketten en doelgroepgerichte acties moeten hen beter bereiken. Tenslotte moeten energiehuizen ook de toegenomen complexiteit beheersen. Een leveranciersvergelijking was vroeger een relatief eenvoudig advies. Vandaag zijn er tal van prijsformules, dynamische contracten, injectievergoedingen en het capaciteitstarief. Er komen steeds meer thema’s bij, zoals nieuwe renovatietechnieken en vormen van hernieuwbare energie. En het Sociaal Klimaatplan stelt eisen aan een degelijk beheer- en controlesysteem.
Vier pijlers, één dienstverlening
Het nieuwe beleidskader organiseert de dienstverlening in vier pijlers en verduidelijkt wie waarvoor hoofdverantwoordelijk is. Lokale besturen zorgen voor de basisinformatie in het woon- en energieloket; energiehuizen staan in voor advies en begeleiding op maat en bijkomende collectieve dienstverlening. Over die taakverdeling berichtten we al in het artikel over het eengemaakte woon- en energieloket.
Die verantwoordelijkheden hoeven bestaande samenwerkingen niet te doorkruisen. Hoofdverantwoordelijk zijn betekent immers niet dat je elke taak zelf moet uitvoeren: gemeenten en energiehuizen kunnen taken onderling verdelen of uitbesteden. Geeft jouw gemeente vandaag zelf energieadvies of begeleiding, dan kan dat blijven. Besteed je de eerstelijnstaken liever uit aan het energiehuis, dan kan dat ook.
Hoewel de eerste twee pijlers op papier gescheiden zijn, stimuleert het financiële kader net een nauwe samenwerking tussen gemeente en energiehuis. Voor inwoners moeten de vier pijlers samen één toegankelijk en geïntegreerd traject vormen.
Een aanzienlijke verhoging van de financiering voor energiehuizen
Vanaf 2027 stijgt het budget voor de basisfinanciering van de energiehuizen fors: van 9.326.696 euro in 2026 naar 14.478.748 euro in 2027, inclusief bonus. Dat is ruim de helft meer. Tegelijk wordt de basisvergoeding verlengd tot en met 2031 en wordt de berekening eenvoudiger en sterker afgestemd op het aantal huishoudens dat een energiehuis bedient.
Hoe is de nieuwe financiering opgebouwd?
De basisvergoeding bestaat vanaf 2027 uit drie bouwstenen:
- Een bedrag per huishouden: 3 euro per privaat huishouden in het werkingsgebied. Het aantal huishoudens wordt vastgezet op 1 januari 2026 en blijft zo tot eind 2031. Zo weet elk energiehuis voor de hele periode waar het aan toe is.
- Een vast bedrag per gemeente: 40.000 euro voor een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, plus 8.000 euro per bijkomende gemeente.
- Een cofinancieringsbonus: 1 euro per privaat huishouden voor elke gemeente die zelf een substantiële bijdrage levert aan advies en begeleiding.
Met die basisvergoeding financiert het energiehuis zijn overkoepelende werking: coördinatie, werkingsmiddelen, de ondersteuning van Mijn VerbouwLening en Mijn VerbouwBegeleiding en de centrale collectieve renovatiewerking. Daarnaast voorziet het een basisdienstenbudget: loketuren voor advies en begeleiding die onvoorwaardelijk over alle gemeenten in het werkingsgebied worden verdeeld, volgens het aantal huishoudens.
Wat is een substantiële bijdrage? Minstens 1 euro per privaat huishouden aan het energiehuis, of het equivalent in eigen personeelsinzet voor advies en begeleiding. Veel gemeenten leveren die inzet vandaag al, bijvoorbeeld met eigen medewerkers aan het loket. Die inspanning wordt voortaan gevaloriseerd. De bonus wordt aan het energiehuis uitbetaald, niet aan de gemeente. Het energiehuis zet hem in als bonusdienstenbudget voor extra collectieve renovatieacties in jouw gemeente. Over de financiering lees je ook meer in ons artikel over het eengemaakte woon- en energieloket.
Wat is er anders dan vroeger?
| Tot en met 2026 | Vanaf 2027 | |
|---|---|---|
| Deel per huishouden | 30.000 euro per begonnen schijf van 25.000 huishoudens | 3 euro per huishouden |
| Deel per gemeente | 60.000 euro (1 tot 5 gemeenten) + 9.000 euro per bijkomende gemeente | 40.000 euro (1 tot 5 gemeenten) + 8.000 euro per bijkomende gemeente |
| Bonus | Integratiebonus tot +25% voor de integratie van woon- en energieloketten | Cofinancieringsbonus van 1 euro per huishouden, voor gemeenten met een substantiële bijdrage |
| Budget basisfinanciering | 9.326.696 euro (2026) | 14.478.748 euro (2027) |
| Gemiddeld per huishouden | 3,2 euro | 4,8 euro |
| Spreiding per huishouden | 1,93 tot 5,34 euro | 4,2 tot 5,5 euro |
| Perspectief | Slechts voorzien tot eind 2026 | Verlengd van 2027 tot en met 2031 |
Het oude systeem had twee zwaktes. Door de schijven van 25.000 huishoudens kon een kleine verschuiving in het werkingsgebied een groot verschil maken in het budget van een energiehuis. Bovendien werd een derde van de totale vergoeding verdeeld volgens het aantal gemeenten, ongeacht hun grootte. Daardoor schommelde het budget tussen 1,93 en 5,34 euro per huishouden. Het nieuwe kader legt het zwaartepunt bij het aantal huishoudens, want daarop zijn de dienstverlening en de meeste doelstellingen van de energiehuizen gericht. Dat trekt het onevenwicht recht: in het voorstel ligt het budget tussen 4,2 en 5,5 euro per huishouden. De impact verschilt wel per energiehuis. Energiehuizen met veel kleine gemeenten gaan er minder op vooruit dan energiehuizen met grotere gemeenten. Volgens VEKA is het resultaat een eerlijkere verdeelsleutel, met behoud van bescherming voor kleine gemeenten.
Een langetermijnperspectief tot en met 2031
De basisvergoeding wordt verlengd van 2027 tot en met 2031. Die periode is afgestemd op de BBC-cyclus van de gemeenten, het subsidiekader voor de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden wonen (IGS) en de meerjarenplannen van de energiehuizen. Zo'n langetermijnperspectief is cruciaal voor de personeelsplanning van de energiehuizen: met zekerheid over hun middelen kunnen ze stabieler aanwerven en medewerkers met de juiste technische en sociale vaardigheden aan zich binden. Financiering na 2029 vergt wel verlenging van de Europese aanwijzing als dienst van algemeen economisch belang.
Collectieve renovatie: centraal en lokaal
Om meer renovaties te realiseren, versterkt het nieuwe kader de collectieve aanpak op twee niveaus: een centrale werking binnen het energiehuis (pijler 3) en bijkomende lokale initiatieven (pijler 4). Die combinatie moet collectieve renovatie op grotere schaal mogelijk maken én inwoners gericht bereiken in hun wijk of gemeente.
Een centrale regierol voor het energiehuis
Het energiehuis neemt de regie van de collectieve renovatiewerking op. Het coördineert de collectieve inzet van Mijn VerbouwLening en Mijn VerbouwBegeleiding, brengt kansen voor collectieve renovatie in kaart en maakt afspraken met gemeenten en partners. Ook het uitbouwen van een netwerk van lokale aannemers en het organiseren van groepsaankopen behoren tot die centrale werking. Deze werking wordt gefinancierd vanuit de basisvergoeding.
Lokale acties via het bonusdienstenbudget
De bijkomende financiering maakt ook collectieve initiatieven op lokaal niveau mogelijk. Denk aan wijkcampagnes en thermografie, mobiele of thematische loketten, de renovatie van appartementsgebouwen en het actief benaderen van specifieke doelgroepen. Zo kan de aanpak worden afgestemd op de lokale noden.
Het energiehuis financiert die acties met het bonusdienstenbudget. Zoals in dit artikel toegelicht, is dat gekoppeld aan de substantiële bijdrage van de gemeente aan advies en begeleiding. De middelen kunnen voor één gemeente worden ingezet of voor meerdere gemeenten worden gebundeld.
Het VEKA werkt dit najaar samen met de energiehuizen aan een keuzekader met mogelijke collectieve acties. Zo kan je samen met je energiehuis kiezen wat het best past bij jouw gemeente.