De Raad van State zet een streep door de recente aanpassing van de erkenningsregeling voor aannemers. De Raad erkent dat de erkenningsregeling moet mee-evolueren met de bouwsector maar vindt dat de aangepaste bedragen niet voldoen aan de basisprincipes van proportionaliteit en gelijkheid. Voor lokale besturen betekent dat opnieuw werken met het kader zoals in 1991 bepaald.
tot welk maximumbedrag een erkende aannemer werken mag uitvoeren (per klasse);
welk totaalbedrag aan werken een aannemer mag opnemen.
Het koninklijk besluit van 14 april 2024 paste die maximumbedragen aan. De bedoeling was om ze opnieuw beter te laten aansluiten bij de technische en financiële draagkracht van ondernemingen.
De Raad van State erkent dat de erkenningsregeling moet mee-evolueren met de bouwsector. Denk aan nieuwe technologieën, veranderingen in tewerkstelling en de nood aan voldoende concurrentie. Ook een vlotte toegang voor kleine en middelgrote ondernemingen tot overheidsopdrachten en concessies blijft cruciaal.
Maar volgens de Raad is niet aangetoond dat de aangepaste bedragen:
proportioneel zijn in verhouding tot de technische en financiële geschiktheid van aannemers;
het gelijkheidsbeginsel respecteren;
het verbod op willekeur naleven.
Dat is des te belangrijker omdat de maximumbedragen maar liefst dertig jaar ongewijzigd waren gebleven.
Tijdelijke maatregel? Geen argument
De overheid voerde aan dat het om een tijdelijke (steun)maatregel ging voor een sector in crisis, in afwachting van een grondige hervorming van de erkenningsregeling. De Raad van State volgt dat argument niet. Ook tijdelijke maatregelen moeten aan de basisprincipes van proportionaliteit en gelijkheid voldoen.
Wat nu?
Door de vernietiging valt de wijziging weg en blijven de eerdere regels gelden. Voor lokale besturen betekent dat opnieuw werken met het kader voor erkenning van aannemers zoals in 1991 bepaald: