De afvalfactuur stijgt in veel Vlaamse gemeenten. Vandaag komt dat vooral door de gestegen kosten voor de ophaling van huishoudelijk restafval en de hogere milieuheffing van de Vlaamse overheid. Maar de grootste prijsschok moet nog komen. Het Europese systeem van emissierechten en een verdere privatisering van de restafvalverbranding zullen de verwerking van restafval fors duurder maken. Dat zal de burger opnieuw voelen, terwijl producenten buiten schot blijven.
De burger dreigt twee keer te betalen
Europa wil het emissieverhandelingssysteem ETS toepassen op afvalverbranding. Verbrandingsinstallaties moeten dan uitstootrechten kopen voor het fossiele deel van de CO₂ die vrijkomt bij restafval, zoals bijvoorbeeld door de verbranding van niet-recycleerbaar plastic. Door restafvalverbranding duurder te maken, hoopt de Europese Commissie dat er minder restafval verbrand wordt en dat de uitstoot dus ook daalt. Dat lijkt aannemelijk, maar de Europese Commissie legt die prijsprikkel op de verkeerde plaats.
De kost voor de aankoop van emissierechten rekent de uitbater van de installatie door aan de gemeente die vervolgens een deel bij de burger legt. Bij een gemiddelde verbrandingsprijs van 100 euro per ton kan de factuur al snel met 50 procent stijgen. CO₂ afvangen is voorlopig geen betaalbare uitweg.
Vandaag dreigt de belastingbetaler de rekening dus te betalen, niet de producent. Europa legt lidstaten al een heffing op voor niet-gerecycleerde plastic verpakkingen. Net die verpakkingen belanden vaak in de restafvalzak en veroorzaken mee de CO₂-uitstoot. Net als in veel Europese landen wordt die heffing niet doorgerekend aan de producenten van die verpakkingen, maar via de begroting wel aan de belastingbetaler. Op die manier betaalt de burger dus twee keer: eerst voor de heffing op niet-gerecycleerde plastic verpakkingen, daarna voor de CO₂-kost bij de verbranding ervan.
Vlaanderen moet publieke controle bewaren
Daarbij komt dat de Vlaamse regering net voor het zomerreces een beleidsvisie op afvalverbranding goedkeurde. Daarmee wil het de capaciteit van afvalverbranding verder afstemmen op de hoeveelheid brandbaar afval.
Wie goed tussen de lijnen kan lezen ziet in de beleidsvisie een duidelijk wensbeeld richting minder, maar veel grotere verbrandingsinstallaties. In dat scenario komen vooral de publieke installaties van gemeenten en afvalintercommunales onder druk, die zijn gemiddeld kleiner omdat ze vooral afval uit de eigen regio verwerken. Niemand lijkt het bestaansrecht van private installaties in vraag te stellen.
Dat valt niet te verantwoorden. De publieke installaties zijn betrouwbaar, efficiënt en voldoen aan strenge milieunormen. Ook de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) bevestigt dat. Toch hangt de afbouw van capaciteit al jaren boven de publieke sector, terwijl private investeerders nieuwe capaciteit plannen(opent nieuw venster). Zo dreigt publieke capaciteit plaats te maken voor private marktmacht.
Als een beperkte groep privébedrijven de verwerkingsprijs bepaalt, draaien de gemeenten en burgers daarvoor op. Bovendien dreigt Vlaanderen opnieuw een strategische sector uit handen te geven. Vandaag gaat het over afvalverbranding. Morgen zitten installaties misschien in buitenlandse handen. En over twintig jaar moet de overheid mogelijk betalen om de controle terug te kopen, zoals bij de kerncentrales.
Wim Dries, voorzitter Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG)
Jonathan De Witte, voorzitter Interafval(opent nieuw venster)