Hoe creëer je draagvlak voor een bouw- of infrastructuurproject? Annik Dirkx en Joris Bulteel geven in hun boek Buurman, wat doet u nu? tal van tips om de standpunten van burgers, overheden en bedrijven te verzoenen. ‘Onze belangrijkste tip? Dialogeer tijdig en met een open geest met alle betrokkenen. Weerstand ontstaat heel dikwijls doordat mensen zich niet gezien of gehoord voelen.’
Annik Dirkx is adjunct-directeur Omgeving bij Lantis, de semipublieke vennootschap die onder andere bouwheer van de Oosterweelverbinding is. Joris Bulteel is medestichter van het strategisch communicatiebureau Whyte Corporate Affairs en adviseert al meer dan twintig jaar ondernemingen en projecten op het vlak van onder andere stakeholdersmanagement.
De aanleiding voor jullie boek was – zeker in Vlaanderen – niet ver te zoeken: het welbekende niet-in-mijn-achtertuin-syndroom. Jullie stellen daarbij de vraag: kijken bedrijven en overheden niet al te makkelijk neer op burgers die bezwaren uiten? En hoe kunnen ze dan wel voldoende steun voor hun project genereren?
Annik Dirkx: ‘Een draagvlak voor een project is de optelsom van heel veel belangen en individuele verlangens: van omwonenden, lokale besturen, privéontwikkelaars, middenveldorganisaties… Het is belangrijk om al die perspectieven tijdig te leren kennen, ze constant in het vizier te houden en ze als het even kan ook te verzoenen. Op dat vlak staan ze in Nederland al iets verder. (Lees ook het interview met Bart Derison op pagina 17, nvdr.) Bij bouw- of infrastructuurprojecten zit daar standaard in het projectteam ook een omgevingsmanager.
Die moet ervoor zorgen dat de omgeving wordt voorbereid op het project dat er finaal moet komen en dat ze ermee vertrouwd raakt. In de Nederlandse omgevingswet staat de omgevingsmanager zelfs als een wettelijke verplichting vermeld. Zover zijn we hier nog niet, maar Lantis en vele andere actoren proberen dagelijks aan te tonen dat omgevingsmanagement heel waardevol is. Als je op voorhand rekening houdt met wensen en bekommernissen, word je nadien minder vaak geconfronteerd met allerlei bezwaarschriften.’
Joris Bulteel: ‘We proberen een bescheiden bijdrage te leveren aan het bekender maken en professionaliseren van dat omgevingsmanagement. Het vergt in de eerste plaats een mindshift: overheden, ontwikkelaars en burgers zien elkaar nog te vaak als tegenstanders, zodat ze niet of te laat met elkaar in gesprek gaan. Terwijl dat net het belangrijkste is: tijdig elkaars wensen en behoeften leren kennen, vanuit een positieve kijk op de omgeving in kwestie waarin iedereen actief is of wil zijn.
Omgevingsmanagers kunnen helpen om een brug te slaan tussen de verschillende partijen. Al moeten we ons niet blindstaren op terminologie: zowel bij het lokale bestuur als bij de ontwikkelaar kunnen er verschillende functies aanwezig zijn die zich bezighouden met die opdracht: het verzoenen van de verschillende perspectieven in de projectomgeving.’
Annik Dirkx: ‘In elk project schuilt een gemeenschappelijk belang, een voordeel voor zowel het bestuur, de ontwikkelaar als de omwonenden. Het is zaak die common ground snel te identificeren en van daaruit verder te gaan. Dialoog en het leren kennen van elkaars verlangens is onmisbaar om een draagvlak te creëren en om tot een goed resultaat te komen.’
Stel dat het lokale bestuur en de initiatiefnemer van een project elkaar snel ‘vinden’ en in gesprek gaan. Hoe betrek je er dan vervolgens ook de burger bij?
Joris Bulteel: ‘Lokale besturen en privéontwikkelaars hoeven niet alles samen te doen of het op elk gebied volstrekt eens te zijn, maar er is wel goed doordachte communicatie richting de burger nodig, zodat die een consistente boodschap krijgt. Zo vermijd je verwarring, en dat is misschien al de eerste pijler van een draagvlak. Als mensen de informatie überhaupt begrijpen en als die ook consistent is, heb je al veel krediet gewonnen.’
Annik Dirkx: ‘De burger meenemen in een verhaal hoeft ook niet altijd noodzakelijk via participatietrajecten te gebeuren. Voor een project met vele betrokkenen en functies is dat misschien aangewezen, maar voor een eenduidig project hoeft dat niet. Ik weet niet of overheden het altijd even goed beseffen, maar participatie vereist een proces waarbij je met allerlei verzuchtingen en verwachtingen aan de slag gaat. Je kunt niet halfweg zeggen: nu is het wel genoeg geweest. (lacht) Goede communicatie met duidelijke informatie kan in veel gevallen ook al effectief zijn.’
Joris Bulteel: ‘Participatie wordt ook vaak verengd tot burgerparticipatie. Maar wat dan met bedrijven, het middenveld…? In die zin vraagt elk project om maatwerk. Gaat het om een project op een leegstaand bedrijventerrein of om een openhartoperatie in het stadscentrum? Wie zijn de betrokkenen, hoeveel ruimte is er om tot oplossingen te komen?’
Hebben jullie communicatietips voor besturen?
Annik Dirkx: ‘Je moet duidelijk durven communiceren, maar je moet vooral ook tijdig durven communiceren. Als burgers het idee krijgen dat iets hun door de strot wordt geramd, ga je op weerstand stuiten. Daarom houden we in ons boek ook een pleidooi om vooral niet te lang te wachten met communiceren en daarbij ook deels in te zetten op procescommunicatie. Dat zijn we uit koudwatervrees – en dat weet ik uit eigen ervaring met ons project – misschien een beetje verleerd.
Zeggen dat je iets nu nog niet weet maar dat je het onthoudt en er later op terug zult komen, is geen schande. Integendeel. Het getuigt van menselijkheid, kwetsbaarheid en het boezemt ook vertrouwen in. We moeten een beetje afstappen van het idee van de dichtgetimmerde portfolio met een Q&A waarin alle vragen al beantwoord zijn. Mensen krijgen dan het gevoel dat ze voor voldongen feiten worden gesteld, dat er niet naar hen geluisterd wordt. Dat is natuurlijk niet aangenaam.’
Joris Bulteel: ‘De term communicatie wordt vaak ook verengd tot het versturen van bewonersbrieven, de publicatie van een artikel in het gemeentemagazine, “iets” doen met de pers enzovoort. Maar communicatie is veel ruimer. Je kunt bijvoorbeeld informeel eens langsgaan bij de buren om te gaan luisteren wat hun angsten of wensen zijn. Luisteren is óók communicatie en vooral een heel goed startpunt. Communicatie te eenzijdig invullen, waarbij je als bestuur alleen maar informatie uitzendt: mensen zitten daar niet op te wachten.’
“Omgevingsmanagement is niet je eigen perspectief proberen op te dringen. Het betekent: in dat speelveld met al die verschillende belangen gaan luisteren en ontdekken waar het gemeenschappelijke belang schuilt. Maar ook luisteren naar kritiek, want die kan ook terecht zijn.
Annik Dirkx
Wat is jullie advies aan de communicatiemedewerkers van een lokaal bestuur?
Annik Dirkx: ‘Aarzel niet om nauw samen te werken met je tegenhanger bij de projectontwikkelaar. Versterk elkaar. Wat is de boodschap, wie zijn onze stakeholders, welke kanalen moeten we inzetten? Om dat duidelijk te krijgen moet er altijd een vorm van samenwerking zijn tussen de partners.’
Joris Bulteel: ‘Een lokaal bestuur kan bij een vergunningsaanvraag ook perfect voorwaarden opleggen aan investeerders of ontwikkelaars in verband met omgevingscommunicatie of omgevingsmanagement. Ik vervul zelf vaak die functie in opdracht van de initiatiefnemer van een project. Ik ben dan eerder een brugfiguur en behandel zowel de belangen van de ontwikkelaar als die van het bestuur en finaal ook die van de burger.’
Annik Dirkx: ‘Uiteindelijk is een projectontwikkelaar te gast in een gemeente. Je mag daar gerust voorwaarden aan koppelen als lokaal bestuur. Aandacht voor de omgeving vragen, voorwaarden opnemen die conform jouw bestuursakkoord of beleidsvisie zijn. Het is heel belangrijk om niet vanuit wantrouwen maar wel met een open geest aan tafel te gaan, om bruggen te bouwen waar dat mogelijk is.’
Wat doe je als een bestuur (nog) geen duidelijk kader of heldere beleidsvisie heeft omtrent omgevingsmanagement?
Joris Bulteel: ‘Dat is niet onoverkomelijk. Wat staat er in het bestuursakkoord, in de programma’s van de partijen? Vaak is de info niet uitgekristalliseerd en moet je dingen zelf onder woorden brengen of zelf een synthese maken, maar met een beetje goede wil kun je die informatie dus wel bovenspitten. Ook omdat in omgevingsprojecten dikwijls dezelfde thema’s terugkomen: mobiliteit, ruimte, groen, ademruimte, recreatie.’
Annik Dirkx: ‘Inderdaad. Veiligheid, mobiliteit, geluidsoverlast, informatie voor de omwonenden, de what’s in it for me? voor de burger… Het is voor een lokaal bestuur niet zo moeilijk om een set parameters te ontwikkelen.’
Wat vinden jullie van de vele bezwaarschriften die in Vlaanderen worden ingediend? Zouden de beroepsmogelijkheden moeten worden ingeperkt?
Annik Dirkx: ‘Wij pleiten heel sterk voor preventie. Probeer op voorhand obstakels weg te werken of bekommernissen weg te nemen. Maar bezwaarschriften kun je nooit vermijden, en we zijn er allerminst voorstander van beroepsmogelijkheden in te krimpen of te beperken, want ze zijn deel van onze democratie. Iedereen heeft het recht om zich via die weg uit te spreken. Ik zie die bezwaarschriften vooral als een kans om met iemand die zich niet gehoord of gezien voelt, toch nog het gesprek te beginnen. Ook als een bezwaarschrift slecht uitpakt voor het project, want dan kunnen we nagaan wat we verkeerd hebben gedaan, en ook dat is weer een kans op dialoog. Bij de Oosterweelverbinding hadden we ooit een fundamenteel bezwaar van Natuurpunt omtrent een van onze vergunningen. Vandaag werken wij heel structureel samen en is Natuurpunt een partner geworden. Een partner die ons scherp houdt.’
Joris Bulteel: ‘We pleiten vooral tegen overjuridisering. Je merkt al een beetje verandering, maar veel ontwikkelaars en initiatiefnemers van projecten kijken nog altijd door een louter juridische bril naar hun eigen project en de omgeving. Daar zit eigenlijk een conflictmodel ingebakken: de ander is bijna per definitie een tegenstander. Zo mis je de kans op oplossingen en dialoog. Juridisch advies is absoluut nodig, maar je moet ook opletten dat je niet in een juridische loopgravenoorlog verzandt. Bij elk rondje dat je loopt, slijt de loopgraaf dieper uit, totdat je elkaar zelfs niet meer ziet en niet meer weet hoe je met elkaar in contact treedt.’
Dan komen we weer bij het multi-perspectief van bij de start van dit gesprek?
Joris Bulteel: ‘Ons advies is: stap af van het conflictmodel. Durf het gesprek aangaan met activisten, burgers, middenveldorganisaties. Als communicatieadviseur neem ik die verschillende standpunten radicaal mee en zeg ik tegen klanten: “Dat is een legitiem perspectief, luister daar eens naar.” In die zin zijn we als adviseur vaak woordvoerder in twee richtingen en geven we suggesties van de omgeving door aan de initiatiefnemer van het project.’
Annik Dirkx: ‘Omgevingsmanagement is niet je eigen perspectief proberen op te dringen. Het betekent: in dat speelveld met al die verschillende belangen gaan luisteren en ontdekken waar het gemeenschappelijke belang schuilt. Maar ook luisteren naar kritiek, want die kan ook terecht zijn. Misschien hebben we een beetje afgeleerd om daar ook ontvankelijk voor te zijn, zeker aan de kant van de projectontwikkelaar. Maar kritiek wil niet zeggen dat iemand a priori tegen is. Misschien is het wel een kans om je te versterken of te verbeteren. Het is onze eerste reflex om kritiek weg te duwen, terwijl het een waardevolle bron van informatie kan zijn. We werken vandaag in een supercomplexe omgeving waarin het bijna onmogelijk is om van bij de start aan ieders verlangens te voldoen, dus we moeten dankbaar zijn voor alle suggesties die onze kant op komen. Sommige daarvan zijn positief geformuleerd, andere minder positief.’
Hoe ga je om met de soms luide stemmen van tegenstanders?
Annik Dirkx: ‘Wees vooral niet bang en laat je daar niet te veel door leiden, want er is een heel grote gemeenschap die er een andere mening op nahoudt en die óók informatie nodig heeft. Helaas is die hele grote groep vaak minder luidruchtig. De luide roepers die je willen laten geloven dat “de hele buurt” er zo over denkt, dat lijkt me heel onwaarschijnlijk. Slechts heel zelden houden alle individuen in een bepaalde buurt er eenzelfde mening op na.’Joris Bulteel:
‘Er bestaat vaak een stille meerderheid die veel talrijker is dan die luide minderheid. Je hoeft de tegenstanders niet te negeren, maar laat ze niet het kompas zijn waarop je je hele projectcommunicatie of omgevingsmanagement gaat afstellen. Daaromtrent: er bestaat zoiets als het fenomeen home bias, wat wil zeggen dat mensen a priori een positief gevoel hebben bij de omgeving waarin ze wonen. Haak in op die trots, op die verwevenheid met de omgeving. Zo kun je op een andere manier samen een positief verhaal opbouwen.’
“Je moet opletten dat je niet in een juridische loopgravenoorlog verzandt. Bij elk rondje dat je loopt, slijt de loopgraaf dieper uit, totdat je elkaar zelfs niet meer ziet en niet meer weet hoe je met elkaar in contact treedt.
Joris Bulteel
Als je zou moeten kiezen: wat is de belangrijkste regel bij het creëren van een draagvlak?
Joris Bulteel: ‘In dialoog gaan, met aandacht voor wederkerigheid. Luisteren en spreken, met een open blik kijken naar wat verbindt maar ook naar wat nog aanpasbaar is. En dat gesprek vooral tijdig aangaan.’
Annik Dirkx: ‘Draagvlak is een werkwoord. We streven daar allemaal naar, maar ik denk niet dat je ooit op een punt komt dat je kunt zeggen: ik heb het, het is klaar, afgevinkt. Zoek de dialoog op, luister, wees niet bang, blijf open van geest en laat je verrassen.’
Kun je die lessen meenemen naar andere beleidsdomeinen? Bijvoorbeeld bij de komst van een nieuw asielcentrum?
Annik Dirkx: ‘Een eerste reflex zou kunnen zijn: oei, gaat dat het sociale weefsel niet ontwrichten? Maar ik denk niet dat dat noodzakelijkerwijs zo hoeft te zijn, het kan misschien net een mooie toevoeging zijn aan dat sociale weefsel. De lessen zijn dus dezelfde: ga niet alleen uit van bedreigingen maar ook van kansen, en ga het gesprek aan met de omwonenden. Geef dialoog alle kansen om tot een geslaagd resultaat te komen.’
Om af te sluiten: in het boek hebben jullie het ook over lobbyen, een woord dat niet altijd even positief onthaald wordt.
Joris Bulteel: ‘Het is een beladen woord, maar we willen het ook een beetje demystificeren. Lobbyen is communiceren, dialogeren op basis van kennis en argumenten, het is een manier om je belangen te verdedigen. Een ontwikkelaar kan lobbyen, maar evengoed kan een lokaal bestuur dat bij een ontwikkelaar om zijn beleidsvisie te verwezenlijken.’
Annik Dirkx: ‘Ik wil ook nog even vermelden dat de maatregelen waar wij voor pleiten niet veel geld hoeven te kosten. Draagvlak creëren doe je in de eerste plaats met investeringen in tijd en mensen. Je hoeft als lokaal bestuur dus geen grote communicatiebudgetten te hebben of grootse campagnes te lanceren. Omgevingsmanagement is vooral een investering in mensen en dialoog.’
Joris Bulteel: ‘Ontwikkelaars en investeerders zijn ook steeds meer overtuigd van het belang van zo’n dialoog. Ze hebben er alle baat bij om rekening te houden met de omwonenden en zo ook hun eigen reputatie hoog te houden. Finaal luidt onze oproep: stap af van het conflictmodel en streef met de juiste mindset naar een goed resultaat voor alle partijen.’ —
Auteur
-
GuyBourgeoisRedacteur Lokaal
Fotograaf
- Stefan Dewickere
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsUp to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Nieuws
Politieke uitspraken versterken online discriminatie, blijkt uit Nederlands onderzoek
Diversiteit en gelijke kansenRadicalisering en polariseringCommunicatieBestuur en burger -
Magazine Lokaal
-
Magazine Lokaal
Weten voor wie je het doet
Communicatie