Vijftig jaar na de OCMW-wet is de opdracht van de OCMW’s breder, complexer en urgenter dan ooit. De wet van 1976 verving openbare onderstand door maatschappelijk welzijn en gaf iedereen recht op een menswaardig bestaan. Wat heeft die omslag betekend op het terrein? En hoe houden lokale besturen die opdracht werkbaar nu dossiers complexer worden, de regelgeving toeneemt en de druk op maatschappelijk werkers stijgt? Lokaal bracht Karin Van de Sompel en Christian Fillet samen samen om hun inzichten te delen.
Karin Van de Sompel kent het OCMW van binnenuit. Ze was vanaf 2000 OCMW-secretaris in Moerbeke, werd er algemeen directeur in 2018 en zetelt sinds de fusie met Lokeren in het managementteam van de nieuwe fusiegemeente. Sociaal beleid behoort vandaag niet meer tot haar directe opdracht, maar de evoluties op het terrein blijven dichtbij. Christian Fillet werkt al veertig jaar in en rond OCMW’s. Hij begon als jurist-bestuurssecretaris bij het OCMW van Sint-Jans-Molenbeek, werd financieel beheerder en later OCMW-secretaris in Willebroek, en is vandaag adjunct-algemeen directeur van Brugge en algemeen directeur van zorgvereniging Mintus. Daarnaast is hij voorzitter van het European Social Network. Zelf noemt hij zich schertsend ‘een fossiel van het OCMW‘.
De OCMW-wet voerde in 1976 het begrip maatschappelijk welzijn in, als opvolger van de vroegere openbare onderstand. OCMW’s moesten mensen voortaan in staat stellen een menswaardig leven te leiden. Wat heeft dat in jullie ervaring betekend voor de praktijk op het terrein?
Karin Van de Sompel: ‘De invoering van het begrip maatschappelijk welzijn heeft echt een kantelmoment betekend. We zijn geëvolueerd van louter financiële bijstand naar ondersteuning op verschillende levensdomeinen. En dat voel je vandaag nog altijd op het terrein. In een kleine gemeente als Moerbeke was die evolutie heel tastbaar. Je kent de mensen, je ziet de situaties en je merkt hoe problemen zelden op zichzelf staan. Schulden gaan samen met woonproblemen, werkloosheid vaak met mentale of sociale problemen. Die brede kijk op maatschappelijk welzijn is dus geen keuze, maar gewoon de realiteit.’ ‘In het begin lag de focus nog sterk op financiële steun. Maar doorheen de jaren verschoof die naar begeleiding, activering en samenwerking met partners. Ook in Moerbeke werkten we samen met VDAB, het CAW, huisvestingsactoren en andere partners. Niet alles zelf doen, maar wel zorgen dat mensen op de juiste plek terechtkomen: dat werd de kern.’
Christian Fillet: ‘OCMW’s zijn niet uit het niets ontstaan. Daarvóór had je de burgerlijke godshuizen en later de commissies van openbare onderstand, de COO’s. Die waren vooral gericht op armoede. Na de Eerste Wereldoorlog waren er veel weduwen en wezen, en daar is die openbare onderstand sterk uit gegroeid. In 1976 kwam dan de omslag naar maatschappelijk welzijn. Toch bleef het stigma van de COO, van de armoede, nog lang hangen, zeker in de beginfase. Rond de jaren 2000 is dat sterker beginnen te kantelen, met een nieuwe generatie maatschappelijk werkers en een bredere visie. Zorg en welzijn zijn toen veel meer samengekomen: ouderenzorg, gezinszorg, kinderopvang, zorg voor personen met een handicap, maaltijdzorg. Die bredere scope heeft de OCMW’s een enorme impuls gegeven.’
Karin Van de Sompel: ‘Ik heb rond 2000 nog meegemaakt dat dossiers vrij “regelgevend” werden bekeken: je voldeed aan de voorwaarden of je voldeed er niet aan. Later kwamen er bijkomende subsidies en tussenkomsten. Gemeenten en steden kregen meer ruimte om extra steun te geven, bijvoorbeeld voor schoolkosten of vervoerskosten. Dat gaf flexibiliteit. Tegelijk kwamen er meer normen, voorwaarden en controles, onder meer rond het recht op maatschappelijke integratie. Maar er bleef nog ruimte voor maatwerk op de werkvloer.’
De opdracht werd dus veel breder. Wat betekende dat voor kleinere besturen?
Karin Van de Sompel: ‘Voor een klein bestuur zoals Moerbeke had dat een enorme impact. We werkten op een bepaald moment met twee maatschappelijk werkers. Daarmee kun je zo’n brede opdracht niet alleen bolwerken. We moesten dus samenwerken: voor gezinszorg, juridische dienstverlening, schuldbemiddeling, de eerstelijnszones. Op veel terreinen moesten we partners zoeken omdat we zelf de middelen of de expertise niet hadden.’
Christian Fillet: ‘Schaal speelt inderdaad een grote rol. Ik werkte eerst in Sint-Jans-Molenbeek, dat toen nog ongeveer 70.000 inwoners had. Daar was het OCMW nog sterk gericht op financiële steun. Nadien werkte ik in Willebroek, eerst als ontvanger en later als OCMW-secretaris. Met 20.000 à 25.000 inwoners was die schaal eigenlijk te klein om alle dienstverlening kwaliteitsvol uit te bouwen. Daarom hebben we in Willebroek samen met Bornem, Puurs en Sint-Amands een van de eerste welzijnsverenigingen opgericht. Toen heette dat nog een vereniging hoofdstuk twaalf. We moesten de krachten bundelen, anders konden we die kwaliteit niet aanbieden.’
‘Brugge telt vandaag bijna 125.000 inwoners. De ideale schaal bestaat niet, maar dat is wel een goede schaal om nog nabij te werken en tegelijk voldoende middelen en expertise te hebben.’
Is nabijheid dan het voordeel van een kleine gemeente?
Karin Van de Sompel: ‘Zeker. De sterkte van Moerbeke was de burgernabijheid. Je kon sneller schakelen. De politie ging al eens langs na een melding van bezorgde buren. Maatschappelijk werkers deden veel huisbezoeken. Gemeentediensten zochten samen naar een oplossing. In een landelijke gemeente zie je vaak sneller wat er leeft. Tegelijk bots je sneller op grenzen qua personeel en expertise. De verschillen tussen gemeenten hebben veel te maken met politieke keuzes en ambitie, met schaal en middelen, maar vooral ook met de mate waarin je inzet op samenwerking.’
Christian Fillet: ‘Schaarste creëert creativiteit. Ik zie zeer veel creativiteit in kleinere besturen. Ze moeten wel, omdat ze niet alles zelf kunnen organiseren.’
Karin Van de Sompel: ‘In Moerbeke gingen we vaak pragmatischer om met dossiers. We maakten tijd vrij voor cliënten en konden dicht bij de mensen staan. Een kleiner bestuur kan soms wendbaarder zijn.’
Waarom bouwden sommige gemeenten een ambitieus sociaal beleid uit, terwijl andere besturen dichter bij het wettelijke minimum bleven?
Karin Van de Sompel: ‘De lokale politiek speelt daarin een heel belangrijke rol. Zij beslist of je personeel aanwerft of je beperkt tot het minimum. Ze beslist of je middelen vrijmaakt om het recht op een menswaardig bestaan echt in te vullen. De financiële tussenkomsten van hogere overheden helpen, maar lokaal moet je kiezen hoe je die inzet.’
Christian Fillet: ‘Je moet administratie en politiek altijd samen bekijken. Dat is een gedwongen huwelijk. Afhankelijk van de partners die je hebt, krijg je een sterker of minder sterk sociaal beleid.’
‘Bij ambtenaren zie ik zeer veel motivatie. Maar politiek werkt anders. Politici krijgen te maken met de waan van de dag. Sociaal beleid is niet altijd zichtbaar. Een sportplein of basketbalveld kun je openen met een persmoment. Sociale investeringen renderen vaak pas jaren later. Ze vermijden bijvoorbeeld dat mensen draaideurcliënten worden, maar dat zie je niet meteen.’
‘Daarom heb je politieke moed nodig. Waar sterke OCMW-voorzitters of schepenen bewust investeerden in brede sociale dienstverlening, ontstonden vaak mooie resultaten. Waar besturen budgettair voorzichtig waren of andere prioriteiten legden, bleef het beleid beperkter.’
Schulden gaan samen met woonproblemen, werkloosheid vaak met mentale of sociale problemen. De brede kijk op maatschappelijk welzijn is geen keuze, maar gewoon de realiteit.
Werkt de verhouding tussen politiek en administratie dan eerder versterkend of remmend?
Karin Van de Sompel: ‘Als het een echte tandem is, werkt ze versterkend. Maar sociaal beleid maakt je politiek niet altijd populair. Op papier vindt iedereen het belangrijk, maar zodra je het moet uitvoeren, komt de vraag: is dat wel nodig? Een zichtbaar project is vaak gemakkelijker te verdedigen dan langdurige begeleiding van mensen.
Christian Fillet: ‘Toch blijft die langetermijninvestering essentieel. Sociaal beleid draait om mensen. Als je alleen kijkt naar onmiddellijk rendement, mis je de kern.’
Heeft de integratie van het OCMW in de gemeente geholpen om die bredere maatschappelijke opdracht waar te maken?
Christian Fillet: ‘Daar heb ik een genuanceerde, maar ook duidelijke mening over. De integratie heeft goede kanten. De grotere schaal maakt meer expertise mogelijk, interne samenwerking wordt gemakkelijker en sociaal beleid kan meer aansluiten bij andere beleidsdomeinen. Maar politiek heeft sociaal welzijn volgens mij niet aan aandacht gewonnen.’
‘Vroeger had je een OCMW-raad met raadsleden die honderd procent met OCMW-materie bezig waren. Zij kenden de dossiers, namen die mee naar hun partij en hielden sociaal beleid op de agenda. Vandaag weten sommige gemeenteraadsleden nauwelijks dat ze ook OCMW-raadslid zijn. In Brugge duurt een OCMW-raad door de band niet langer dan een kwartier. Vroeger kon dat twee uur duren. Dat zegt iets over de zichtbaarheid.’
‘Ik zie dat ook internationaal. Op het jaarlijkse congres van het European Social Network kwamen vroeger altijd veel Vlaamse OCMW-voorzitters mee. Vandaag is dat veel minder vanzelfsprekend. Een schepen maakt zich niet gemakkelijk drie dagen vrij voor een internationaal sociaal congres. Dat is geen verwijt aan individuele mensen, maar het toont wel dat sociaal beleid minder apart op de politieke radar staat.’
Karin Van de Sompel: ‘De opname van de OCMW-voorzitter in het schepencollege was op zich een goede zaak. Maar de focus werd breder. De voorzitter moest zich plots ook bezighouden met sport, jeugd, kinderopvang of andere bevoegdheden. Vroeger lag de focus eenduidig bij het OCMW en zijn problematieken.’
‘Tegelijk bracht de inkanteling ook kansen. De lijnen tussen diensten werden korter. De samenwerking met jeugd, sport, scholen of burgerzaken werd gemakkelijker. In dossiers kijk je sneller: wat gebeurt er op school, wat kan de jeugddienst betekenen, welke rol speelt burgerzaken bij referentieadressen? Waar je vroeger sneller naar externe partners keek, kun je nu binnen de gemeente zelf verbindingen leggen.’
Christian Fillet: ‘Dat is de nuance. De structuur op zich garandeert niets. De meerwaarde hangt af van lokale mensen en keuzes. Op de werkvloer zie je soms sterke verbeteringen, maar die komen vooral door lokale beleidscultuur en persoonlijk engagement, niet automatisch door de hervorming.
Sociaal beleid is door die integratie dus minder zichtbaar geworden, maar tegelijk breder aanwezig in de organisatie?
Karin Van de Sompel: ‘Dat was inderdaad de bedoeling. Zeker in gemeenten waar er naast het OCMW ook een sociale dienst bestond, kon de integratie samenwerking versterken. Maar je moet erover waken dat sociaal werk niet opgaat in algemene administratie. De eigenheid en expertise van maatschappelijk werk moeten zichtbaar blijven. En de menselijke maat moet bewaakt worden.’
Waar mogen OCMW’s na vijftig jaar trots op zijn?
Karin Van de Sompel: ‘Op hun deskundigheid en expertise. Hoedje af voor de mensen die er werken. Maatschappelijk werkers zetten zich dag in, dag uit in voor een zeer complexe realiteit. Dossiers worden ingewikkelder, de regelgeving wordt juridischer, de druk stijgt. En toch blijven zij proberen om mensen op menselijke maat te helpen.’
Christian Fillet: ‘Ik ben vooral trots op de publieke rol van het OCMW. We werken met belastinggeld en dat verplicht ons om kwaliteit te bieden. OCMW-dienstverlening moet openstaan voor iedereen, betaalbaar zijn, toegankelijk zijn en kwaliteit bieden. Dat zijn vier heel sterke uitgangspunten.
‘Kijk naar de woonzorgcentra. Openbare woonzorgcentra behoren tot de goedkoopste en hebben veel personeel in dienst. Dat zet ook druk op andere spelers om kwaliteit en betaalbaarheid na te streven. Als je zorg volledig aan de private sector overlaat, zie je in sommige landen hoe de kosten van ouderenzorg, kinderopvang of zorg voor personen met een handicap ontsporen. Aan zorg mag je geen puur winstmodel koppelen.’
‘Daarom blijft het OCMW zo belangrijk. Iedereen heeft vroeg of laat ondersteuning nodig: als kind, als oudere, als persoon met een beperking, als iemand die tijdelijk financieel of administratief vastloopt. Als je het OCMW zou afschaffen, zou je het opnieuw moeten uitvinden. Die oneliner komt trouwens van collega op rust Staf Mariën, die vroeger OCMW-voorzitter was in Genk.’
Elders in Europa kijkt men vaak met enige jaloezie naar het OCMW-model. Zeker naar het idee dat lokale besturen een eigen sociale werking kunnen uitbouwen met een zekere financiële en beleidsmatige ruimte.
Is het OCMW-model uniek in Europa?
Christian Fillet: ‘Vrij uniek, ja. Buiten België en Frankrijk vind je weinig vergelijkbare instellingen. In Frankrijk heb je de Centres communaux d’action sociale. Ook daar zie je trouwens de tijdgeest: van aide naar action, van hulp naar actie. In andere Europese landen bestaat natuurlijk ook sociaal beleid, maar niet altijd via zo’n publieke lokale instelling.’
‘Elders in Europa kijkt men vaak met enige jaloezie naar het OCMW-model. Zeker naar het idee dat lokale besturen een eigen sociale werking kunnen uitbouwen met een zekere financiële en beleidsmatige ruimte. Denemarken komt op sommige vlakken in de buurt, maar het Belgische model blijft bijzonder.’
Hoe kijken jullie naar recente wijzigingen in de OCMW-wetgeving die de discretionaire ruimte van maatschappelijk werkers inperken?
Karin Van de Sompel: ‘De druk op maatschappelijk werkers neemt toe. Het aantal dossiers stijgt, de instroom groeit en de administratie wordt zwaarder. De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd heeft daar een grote impact op. Er komen meer mensen bij het OCMW terecht, en het zwaartepunt van activering schuift mee naar de lokale sociale diensten.’
‘Tegelijk wordt de regelgeving complexer. Denk aan de aanpassingen rond de inkomstenberekening bij samenwoonst. Meer inkomsten moeten meegeteld worden, er is uitgebreider sociaal onderzoek nodig, je moet meer gegevens opvragen en opvolgen, en lopende dossiers moeten vaak manueel herbekeken worden. Dat betekent concreet: meer administratie en minder tijd voor begeleiding. En net die begeleiding maakt het verschil.’
‘Er moet ruimte blijven voor professionele inschatting. Je kunt niet alles in regeltjes gieten. Mensen leven in grijze zones. Er zijn psychische problemen, fysieke problemen, complexe gezinssituaties. De opdracht van maatschappelijk werkers is net om daarmee zorgvuldig en creatief om te gaan.’
Christian Fillet: ‘We merken al langer een zekere polarisatie in de beeldvorming over OCMW-cliënten, alsof het profiteurs zouden zijn. Maar niemand kiest ervoor om arm te zijn. Omstandigheden maken mensen arm. Regels zijn nodig, uiteraard. Controle is nodig. Maar als je het maatwerk wegneemt, dreig je van het OCMW een soort hulpkas te maken, zonder aandacht voor de specifieke situatie van mensen. Dan verlies je de kern van sociaal werk.’
‘Bovendien gaat het OCMW allang niet meer alleen over armoede. Negentig procent van onze cliënten is niet arm. Denk aan ouderen in een woonzorgcentrum of ouders die hun kinderen naar de opvang brengen zodat ze kunnen gaan werken. Het spectrum is veel breder geworden. En de groep die wel in armoede leeft, vraagt geen stigma maar hulp en steun.’
Vrezen lokale besturen dat ze steeds meer uitvoerders van federale opdrachten worden?
Christian Fillet: ‘Dat risico bestaat. Strakkere federale richtlijnen kunnen botsen met de mensgerichte aanpak die OCMW’s nastreven. Lokale besturen moeten de ruimte behouden om te kijken wat iemand echt nodig heeft. Anders verschuift het evenwicht te ver naar controle en te weinig naar hulp.’
Karin Van de Sompel: ‘Als er financiële tussenkomsten van hogere overheden tegenover staan, komt daar begrijpelijk verantwoording bij. Maar de opeenstapeling van controles, bewijsstukken en voorwaarden maakt het werk moeilijker. We hebben opnieuw meer vrijheid nodig om dossiers op maat te behandelen en dicht bij de mensen te blijven.
Welke prioriteiten zouden jullie aan de bevoegde minister meegeven?
Christian Fillet: ‘Dakloosheid is voor mij een groot probleem. Een dakloze heeft geen woning en is tegelijk moeilijk aan één gemeente toe te wijzen. Het probleem wordt wel geteld, maar het blijft groeien. We hebben meer aandacht en middelen nodig voor die groep.’
‘Daarnaast moeten we veel sterker inzetten op de aanpak van drugsverslaving. Drugsgebruik ligt aan de basis van veel problemen die bij OCMW’s terechtkomen: dakloosheid, spijbelgedrag, uitbuiting, soms ook prostitutie van minderjarigen. Dat is zeer domeinoverschrijdend. Lokale sociale diensten vangen vandaag vaak de gevolgen op, maar ze kunnen het probleem niet voldoende preventief aanpakken. Daarvoor zijn meer middelen en een Vlaams beleid nodig.’
‘Preventie is cruciaal. Ook voor de veiligheid van maatschappelijk werkers. Wat in Gent is gebeurd, waar een maatschappelijk werker door een cliënt werd vermoord, wil je nooit meemaken. Je kunt zulke drama’s nooit helemaal uitsluiten, maar preventief werken blijft essentieel.’
Karin Van de Sompel: ‘Ook ik zie preventie als een grote prioriteit. In steden wordt dat nog belangrijker. We zien polarisering, jongerenproblematieken en een sterke stijging van het aantal referentieadressen. Dat hangt vaak samen met dakloosheid of precaire woonsituaties. De vraag is hoe we daar op termijn mee omgaan.’
Hoe zien jullie de OCMW-praktijk de komende jaren evolueren?
Christian Fillet: ‘Niemand heeft een glazen bol, maar ik maak me zorgen over de manier waarop zorg en welzijn soms opnieuw uit elkaar worden gehaald. Zorg is een specifiek métier, dat klopt. Daarom zijn er zorgverenigingen opgericht. In ouderenzorg, kinderopvang of zorg voor personen met een handicap werk je in een concurrentiële omgeving met veel private en publieke spelers.’
‘Maar de financiering is volgens mij onvoldoende afgestemd op wat OCMW’s en zorgverenigingen vandaag nodig hebben. In woonzorgcentra wordt nog te veel gefinancierd op basis van aantallen personeel in bepaalde functies. Terwijl de zorggraad verandert. Woonzorgcentra begeleiden mensen steeds vaker in de laatste fase van hun leven. De zorg wordt medischer en complexer. Dan moet je niet alleen het aantal medewerkers financieren, maar vooral de juiste bekwaamheden.’
Karin Van de Sompel: ‘Wij hebben in 2016 samen met Lokeren een zorgvereniging opgericht. Voor een klein OCMW met een woonzorgcentrum van zeventig bedden was dat een goede zaak. In de buurgemeenten zaten we allemaal in dezelfde vijver naar personeel te vissen. Door samen te werken konden we meer kwaliteit bieden.’
‘Zorg is inderdaad een andere stiel. Je zit met personeel, vakbonden, verloop van verpleegkundigen, concurrentie tussen woonzorgcentra. Dat verschilt van de klassieke werking van een gemeente of OCMW. Maar net daarom moet je samenwerken.’
Wat wordt de grootste uitdaging voor de OCMW’s?
Karin Van de Sompel: ‘De toekomst wordt nog complexer. Dossiers worden zwaarder, de maatschappelijke druk stijgt en de instroom blijft groeien. Tegelijk is de richting duidelijk: nabij blijven werken, ook in grotere gehelen zoals Lokeren; ruimte voor maatwerk behouden; sterk inzetten op samenwerking; en vooral investeren in medewerkers.’
‘Als ik terugkijk op vijftig jaar OCMW-wet, zie ik een duidelijke evolutie: van bijstand naar begeleiding, van reactief naar meer geïntegreerd werken. Maar de kern blijft dezelfde: zorgen dat mensen menswaardig kunnen leven. De grote vraag is niet of die opdracht nog relevant is. Integendeel. De vraag is hoe we die opdracht werkbaar houden in een context van stijgende druk, complexere regelgeving en grotere verwachtingen.’
Christian Fillet: ‘Voor mij blijft het uitgangspunt helder: het OCMW moet open, betaalbaar, toegankelijk en kwaliteitsvol blijven. Dat is de publieke opdracht. En die opdracht blijft nodig, misschien meer dan ooit.’ —