Belangrijke informatie bij het lezen
Kwartaalblik met gegevens tot en met het tweede kwartaal van 2026.
Bron
De gegevens komen van het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB).
Besturen in de analyse
De data in de kwartaalblik hebben betrekking op de Vlaamse gemeenten (incl. districten) en OCMW’s, dus zonder andere lokale entiteiten zoals autonome gemeentebedrijven of welzijnsverenigingen. De 285 Vlaamse gemeenten en OCMW’s en tien Antwerpse districten moeten elk kwartaal hun transacties digitaal doorgeven aan ABB. Ze doen dat ook bijna allemaal. De dekking ligt telkens boven de 99% van de besturen. De VVSG beschikt niet over kwartaalgegevens per bestuur.
Glijdende som van vier kwartalen
We gebruiken glijdende data op jaarbasis, met telkens de som van de laatste vier kwartalen. De opeenvolgende gegevens overlappen elkaar dus voor 75%. Concreet bevatten de cijfers 2026 Q1 de som van de gegevens van de laatste drie kwartalen van 2025 en het eerste kwartaal van 2026. De bedragen van 2026 Q2 bevatten de transacties van de laatste twee kwartalen van 2025 en de eerste twee van 2026. Met dit glijdende totaal vermijden we schommelingen door toevallige verschuivingen van verrichtingen tussen de kwartalen en brengen we telkens bedragen die een jaarcijfer benaderen.
Transacties, geen balans- of sectorale gegevens
De door Europa opgelegde kwartaalrapportering door lokale besturen bevat alleen transacties: verrichtingen die leiden tot een uitgaande of inkomende geldstroom. Het gaat dus niet om afschrijvingen of om balansgegevens zoals liquiditeiten of schulden. Die data zijn alleen beschikbaar via de jaarrekeningen. Ook het beleidsdomein of -veld (bv. cultuur, milieu, kinderopvang, …) hebben we niet.
Vier kwartalen ≠ één jaar
De gegevens van vier kwartalen benaderen de jaarcijfers, maar vallen er niet mee samen. De definitieve jaarafsluiting is eind januari, het moment waarop besturen de gegevens over het vierde kwartaal van het vorige jaar insturen, nog niet gedaan. Daardoor zijn de kwartaalgegevens onvolledig. De verschillen met de jaarrekening zijn het grootst bij de minder frequente verrichtingen en het kleinst bij de grotere stromen.
Concreet zien we voor de jaren 2020-2025 volgende verhoudingen tussen de kwartaalgegevens en de jaarrekeningen:
| Ontvangsten: 92,8% | Uitgaven: 95,6% |
|---|---|
| Exploitatie: 93,8% | Exploitatie: 96,8% |
| Investeringen: 84,4% | Investeringen: 92,7% |
| Financiering: 83,1% | Financiering: 87,8% |
Saldi
Het exploitatiesaldo (het verschil tussen de exploitatie-ontvangsten en -uitgaven) is een belangrijke financieringsbron voor de investeringen. Het exploitatiesaldo schommelde de voorbije jaren sterk. Er was de negatieve impact van de hoge inflatie in 2021-2022, met nadien een inhaalbeweging van de ontvangsten, met bv. de indexering van de kadastrale inkomens voor de berekening van de onroerende voorheffing. In 2023 speelt het positieve effect van de uitzonderlijke en eenmalige ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting. De forse stijging eind 2025 heeft ook te maken met meer ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting (zie verder) en een stagnatie van de exploitatie-uitgaven.
Door van het exploitatiesaldo de netto-periodieke aflossingen af te trekken, komen we bij de autofinancieringsmarge (AFM). Die AFM is een belangrijke graadmeter (en norm) voor het structurele financiële evenwicht(opent nieuw venster). De netto-periodieke aflossingen variëren weinig, waardoor het in 2022 sterk dalende exploitatiesaldo een direct negatief effect had op de AFM. Het stevige herstel daarna, duwt de AFM weer opwaarts. Na een sterke groei tot begin 2026, zien we nu weer een afname.
Investeringen
Lokale besturen blijven investeren in materieel vaste activa zoals wegen, rioleringen, gebouwen, enz. De groei tot eind 2024 is mede het gevolg van de inflatie, die investeringen fors duurder heeft gemaakt. Extra euro’s leiden dus niet noodzakelijk tot bijkomende realisaties. Vanaf 2025 zien we de verwachte maar tot nu toe beperkte knik in de curve, niet verwonderlijk voor de eerste anderhalf jaar van een nieuwe legislatuur, waarin een nieuw meerjarenplan tot stand komt en nieuwe projecten worden voorbereid.
Financiering investeringen
Sinds de invoering van de BBC, is de band doorbroken tussen enerzijds de investeringen en anderzijds de financiering ervan, uiteraard met uitzondering van de geoormerkte investeringssubsidies. Toch kan het interessant zijn om te bekijken in welke mate de besturen investeringen financieren met eigen middelen (overschotten uit het verleden of uit de exploitatie), dan wel door een beroep te doen op investeringssubsidies, leningen of de verkoop van activa.
Niet onverwacht blijkt uit de grafiek dat het aandeel van die laatste drie bronnen stijgt in de periode van hoge inflatie (2022), precies omdat de ‘voeding’ vanuit de exploitatie dan lager ligt. De daling van 2023 en 2024 is alweer voorbij. Uit de meest recente gegevens blijkt een relatief hoge graad van schuldfinanciering en een groeiende verkoop van materieel vaste activa.
Schulden en intrestuitgaven
Tot 2022 Q2 losten de gemeenten en OCMW’s meer leningen af dan ze er bijkomend aangingen, wat de uitstaande schulden deed dalen (grijze balken). Vanaf 2022 Q4 is dat gekeerd en stijgen de uitstaande schulden vrijwel voortdurend. Ondanks de lichte daling, blijft het investeringsvolume te groot om het via subsidies, de verkoop van activa of het exploitatiesaldo te financieren.
De hogere schulden gecombineerd met een rentestijging leiden momenteel niet tot een sterke toename van de lokale intrestuitgaven, in euro noch in procent van de totale exploitatie-uitgaven.
Personeelsuitgaven
De personeelsuitgaven ondergaan uiteraard de gevolgen van de talrijke indexeringen van de voorbije jaren. Daarnaast spelen de oplopende pensioenkosten een belangrijke rol. Terwijl het aandeel van de personeelsuitgaven in de totale exploitatie-uitgaven een tijdlang daalde, is er in 2023-2024 sprake van een stijging met 1 tot 1,5 procentpunt, met sindsdien eerder een stabilisatie.
Daarnaast speelt een andere duidelijke trend: de vervanging van statutairen door contractanten. De uitgaven voor bezoldigingen (zonder werkgeversbijdragen) voor statutairen uitgedrukt in euro dalen licht en blijven duidelijk onder de lijn met de geïndexeerde uitgaven van 2020 Q4. Het omgekeerde speelt bij bezoldigingen voor contractanten, die een stuk sneller stijgen dan wat op basis van de inflatie verwacht zou kunnen worden. Terwijl de uitgaven voor bezoldigingen van contractanten eind 2020 nog 1,59 keer die van de statutairen bedroegen, is die verhouding halverwege 2026 al gestegen naar 2,74.
Voor het groeiende aantal contractanten bouwen de Vlaamse gemeenten en OCMW’s een tweede pensioenpijler op. Jaarlijks kost die al ruim 110 miljoen euro. De stijging komt door drie elkaar versterkende factoren: meer contractanten (vooral ter vervanging van statutairen), met gemiddeld hogere lonen (vroeger zaten contractanten vooral in de personeelsgroepen D en E) en een hoger bijdragepercentage. Dat zit gemiddeld boven de 3% (rechter as van de grafiek). De schommelingen in deze grafiek hebben vooral te maken met de overgang van veel besturen van de groepsverzekering bij Belfius en Ethias (tot eind 2021) naar (vooral) het pensioenfonds OFP Prolocus vanaf 2022.
OCMW-hulpverlening
De OCMW-uitgaven voor individuele hulpverlening (leefloon en andere) zijn sinds begin 2022 sterk gestegen: van 600 naar 1.000 miljoen euro per jaar. Dat heeft veel te maken met de toestroom van vluchtelingen uit Oekraïne en het hogere aantal mensen dat op het OCMW een beroep doet sinds het uitbreken van de energiecrisis. Ook in verhouding tot de totale lokale exploitatie-uitgaven stellen we een toename vast van ongeveer 5,4 naar 6,6%. Een groot deel van deze extra uitgaven krijgen de OCMW’s terugbetaald van de federale overheid. Het effect van de extra toestroom naar OCMW’s van langdurig werklozen die sinds begin 2026 hun uitkering verliezen, wordt stilaan duidelijk in de grafiek.
Energie-uitgaven
De torenhoge inflatie van 2021 en 2022, werd vooral aangevuurd door de energieprijzen. Dat hebben ook de lokale besturen duidelijk ondervonden, met op enkele maanden tijd energie-uitgaven die in euro en in procent van de exploitatie-uitgaven ongeveer verdubbelden. Intussen zitten de besturen weer op meer normale niveaus, zeker voor het aandeel van de energie-uitgaven in de totale exploitatie-uitgaven. Het is nu uitkijken naar het effect van de sterke stijging van de energieprijzen sinds de uitbraak van de oorlog in het Midden-Oosten. Vandaag zien we dat nog niet.
Ontvangsten aanvullende personenbelasting
Wat gemeenten op jaarbasis ontvangen uit de aanvullende personenbelasting (APB), is afhankelijk van de op het grondgebied verdiende belastbare inkomsten, het belastingregime van de federale en de regionale overheid, het gemeentelijke APB-tarief én het ritme waarin de aanslagen worden gevestigd. Door een boekhoudkundige ingreep bij de FOD Financiën kregen de gemeenten in 2023 de inkohieringen van twee maanden meer dan normaal doorgestort, wat tot een eenmalige extra ontvangst leidde. Dat is duidelijk zichtbaar in de grafiek, met nadien de terugkeer naar een meer ‘normaal’ niveau. Eind 2025 zien we opnieuw een forse stijging, grotendeels het gevolg van hoger dan normale inkohieringen in de laatste maanden van 2025 voor het aanslagjaar 2025. Het gaat niet om een structurele toename.
Ontvangsten onroerende voorheffing
Tariefwijzigingen bij de gemeenten zijn er tot 2025 nauwelijks. Pas in de tweede helft van 2026 zullen we het effect zien van de verhogingen die in enkele tientallen gemeenten werden doorgevoerd. De vrijwel permanente stijging van de ontvangsten uit de opcentiemen onroerende voorheffing is vooral het gevolg van een hoger belastbaar volume (meer gebouwen) en van de jaarlijkse indexering van de kadastrale inkomens. Deze indexering was in 2023 en 2024 hoger door de sterke inflatie.
Ontvangsten uit boetes
De media berichten graag over de gemeentelijke inkomsten uit administratieve sancties (GAS). Die zouden een grote winstbron geworden zijn. Het klopt dat de inkomsten de voorbije jaren sterk stegen, vooral doordat steeds meer gemeenten dit systeem toepassen voor het beteugelen van kleine snelheidsovertredingen in het 30- en 50 km/u-gebied. Maar tegelijk blijkt het gemiddeld om niet meer dan 1,1% te gaan van de gemeentelijke exploitatie-ontvangsten, en zijn er aan dit systeem niet alleen ontvangsten maar ook uitgaven verbonden. Bovendien stellen we vast dat de inkomsten de laatste tijd eerder stabiliseren, mogelijk ook door een leereffect bij geverbaliseerde automobilisten.
Financiële ontvangsten
Lokale besturen hebben ook financiële inkomsten. De belangrijkste komen van dividenden uit participaties, bv. in de energiesector. Die dividenden vertonen al jaren een dalend verloop, zowel in bedragen als qua aandeel in de exploitatie-ontvangsten. Na enige stabilisatie zien we eind 2025 weer een forse daling. Voor de periode 2022-2026 kent de Vlaamse overheid de gemeenten wel een bedrag(opent nieuw venster) toe dat deze minderontvangsten deels compenseert.
De verklaring van de plotse stijging vanaf 2024 Q4 ligt in een reeks aandelentransacties binnen de elektriciteitssector. Daarbij kreeg een deel van de gemeenten van hun netbeheerder een dividend uitgekeerd onder de vorm van een vordering op een holding zoals NUHMA. Die vordering was het gevolg van de verkoop van aandelen Publi-T door die netbeheerder aan die holding. Diezelfde vordering brachten de gemeenten vervolgens in bij die holding in ruil voor nieuwe aandelen (cf. grafiek investeringen in financiële activa). De hele transactie leidde bij de betrokken gemeenten niet tot extra kasstromen, maar er ontstonden wel dividendontvangsten enerzijds en uitgaven voor de investering in nieuwe financiële activa anderzijds. De extra dividenden zijn dus geen structureel gegeven en zijn eind 2025 helemaal uitgewerkt.
Dat de marktrente de laatste jaren is gestegen, blijkt duidelijk uit de evolutie van de rente-inkomsten op (vooral kortlopende) beleggingen. In verhouding tot de totale exploitatie-ontvangsten blijft het aandeel ervan echter marginaal. Bovendien is de stijging van die rente-inkomsten alweer voorbij. Dat ligt mede aan een lagere thesaurievoorraad.
Vorige edities
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met tweede kwartaal 2026
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met eerste kwartaal 2026
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met vierde kwartaal 2025
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met derde kwartaal 2025
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met tweede kwartaal 2025
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met eerste kwartaal 2025
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met vierde kwartaal 2024
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met derde kwartaal 2024
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met tweede kwartaal 2024
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met eerste kwartaal 2024
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met vierde kwartaal 2023
- Kwartaalblik op de lokale financiën | Gegevens tot en met derde kwartaal 2023
Experts
-
JanLeroySenior expert data en analyse -
BenGilotStafmedewerker financiën
Meer info over deze kennispagina?
Contacteer onsMeer weten over
Kennispagina's
-
-
Werken aan gezinsbeleid en kinderopvang binnen de lokale beleidscyclus
Kinderen en gezinnenFinanciën -
De-minimis en verplichte staatssteunregistratie
FinanciënLokaal sociaal beleidVrije tijdMilieuWerk, sociale economie en activeringKinderen en gezinnenEconomie -
-
-
-
-
-
-
-
-