Voor het vijfde jaar op rij hebben gemeenten in drie Vlaamse regio’s dak- en thuisloze personen geteld. Vooral het hoge aandeel minderjarigen (1 op de 3) en vrouwen (30 tot 40%) valt op. ‘Vaak beseffen mensen zelf niet dat ze aan de tellingscriteria voldoen,’ constateert Florian Mertens. Hij coördineerde de telling in 22 gemeenten binnen het Antwerpse KINA-netwerk.
Op 18 oktober 2024 telden drie regio’s samen 2413 dak- en thuisloze mensen: centrumstad Aalst, regio Westhoek (17 gemeenten) en de regio rond Antwerpen (22 gemeenten binnen het KINA-netwerk). Daar zijn 1627 volwassenen en 786 kinderen bij. ‘Deelnemende regio’s schrikken altijd van dat hoge aandeel minderjarigen, maar dat zien we jaarlijks terugkeren,’ vertelt Nana Mertens, onderzoekster bij LUCAS, het interdisciplinaire kenniscentrum van de KU Leuven dat de dak- en thuislozentellingen wetenschappelijk ondersteunt. Op basis van vijf jaar tellingen in 194 gemeenten schatten de onderzoekers dat ruim 20.000 mensen in Vlaanderen dak- of thuisloos zijn.
Van aanvoelen naar inzicht
De eigenlijke telling is een momentopname. ‘De telling zelf vindt plaats in oktober, maar de voorbereiding start al in maart, april,’ zegt Nana Mertens. ‘Dit was de vijfde telling, intussen hebben we 73% van de Vlaamse gemeenten gecoverd. De bereidheid om mee te doen is groot en verschillende regio’s lieten al interesse blijken voor een tweede telling. Steden en gemeenten smachten naar concrete, wetenschappelijk onderbouwde cijfers om zicht op de problematiek te krijgen en er vervolgens – vaak bovenlokaal – oplossingen voor te zoeken. De telling brengt het aantal dak- en thuisloze personen en de profielkenmerken scherp in beeld en dat maakt het voor een regio ook mogelijk om een heel gericht beleid te voeren.’
Ook in de Antwerpse KINA-regio was er duidelijkheid nodig. ‘Met welzijnsvereniging KINA organiseren we crisisopvang voor onze 26 ledenOCMW’s binnen het arrondissement Antwerpen en voor lokale besturen in het arrondissement Turnhout. Samen zijn dat 47 gemeenten en steden,’ vertelt Florian Mertens, stafmedewerker lokaal sociaal beleid bij KINA en coördinator van de telling. ‘Via onze eigen werking voelen we al een aantal jaren dat het probleem toeneemt, en ook via ons ruime netwerk ontvingen we al een tijdje gelijkaardige signalen. Het bleef echter een aanvoelen, we beschikten niet over een totaalbeeld en wetenschappelijk gefundeerde cijfers. Aangezien dak- en thuisloosheid niet stopt aan de gemeentegrenzen, besloten we om ons met 22 geëngageerde gemeenten uit ons netwerk kandidaat te stellen voor de telling.’
Intussen hebben we 73% van de Vlaamse gemeenten gecoverd. De bereidheid om mee te doen is groot. Steden en gemeenten smachten naar concrete, wetenschappelijk onderbouwde cijfers om zicht op de problematiek te krijgen en er oplossingen voor te zoeken.’
Het bijzondere aan de telling is dat ze zeven categorieën dak- en thuisloze personen onderscheidt. ‘Die categorieën zijn gebaseerd op de Europese ETHOS Light-typologie,’ vertelt Nana Mertens. ‘Er zijn mensen die in de publieke ruimte verblijven, mensen in kortdurende noodopvang en mensen in langdurige opvang. Een vierde groep zijn de instellingverlaters: zij moeten in de loop van de komende maand de instelling – bijvoorbeeld een psychiatrisch centrum – verlaten óf ze verblijven er al langer dan voorzien, bij gebrek aan een woonoplossing.
Terzijde: in de gemeenten van het KINA-netwerk constateerden we dat twee op de drie mensen in die laatste situatie verkeerden, wat meteen de soms lange wachtlijsten verklaart. Een vijfde groep zijn de thuislozen in niet-conventionele woningen zoals een wagen of tent. Een zesde groep is in bijna alle regio’s de grootste: mensen die bij familie of vrienden verblijven. Dat is eigenlijk een heel precaire situatie. Een laatste categorie hebben we er zelf aan toegevoegd: mensen die uit huis gezet dreigen te worden.’
Coördinatiewerk
Om die zeven groepen in beeld te brengen is het belangrijk een brede waaier aan diensten bij de telling te betrekken,’ vervolgt Nana Mertens. ‘Dus niet alleen CAW’s of OCMW’s, maar bijvoorbeeld ook psychiatrische ziekenhuizen, gevangenissen, scholen, woonmaatschappijen. Het is aan de regionale coördinator van de telling om al die organisaties te inventariseren, te contacteren, te sensibiliseren en te motiveren. Daarvoor organiseren we zogenaamde lerende netwerken, waarbij we samenkomen met de coördinatoren en het proces toelichten en begeleiden.’
‘De onderzoekers van de KU Leuven bezorgden ons een heel uitgebreid en gedetailleerd draaiboek, en het was dan mijn taak om zoveel mogelijk organisaties te sensibiliseren en te motiveren,’ sluit Florian Mertens daarbij aan. ‘Hen duidelijk te maken dat ook zij hun steentje konden bijdragen. Want heel veel mensen in de doelgroep dak- en thuisloosheid beseffen zelf niet altijd dat ze tot die doelgroep behoren. Gelukkig kon ik veel aftoetsen met de stuurgroep die we op aanraden van de onderzoekers hadden opgericht, met daarin vertegenwoordigers van allerlei organisaties zoals het Overkop-netwerk, GGZ-partners, CAW’s, woonmaatschappijen enzovoort.’
Wat Florian Mertens het meest verraste bij de resultaten was dat dak- en thuisloosheid ook in zijn landelijke regio bestaat, maar in een minder zichtbare vorm. ‘De grootste groep zijn de mensen die in tijdelijke opvang zitten: in crisisopvang, tijdelijke doorgangswoningen, residentiële opvangcentra… Het aandeel kinderen in onze regio met veel kleinere gemeenten blijkt heel groot. In de categorie tijdelijke opvang waren er zelfs meer kinderen dan volwassenen. Daar zijn we heel erg van geschrokken.’
De dak- en thuislozentelling is een goede manier om de problematiek in onze referentieregio kwantificeerbaar te maken en om die ook beleidsmatig duidelijker te maken.
Westhoek
Ook het West-Vlaamse Zonnebeke deed mee aan de telling. ‘We waren een van de zeventien gemeenten uit de regio Westhoek die deelnamen aan de telling,’ zegt Joachim Jonckheere, schepen voor onder andere Sociale Zaken. ‘De dak- en thuislozentelling is een goede manier om de problematiek in onze referentieregio kwantificeerbaar te maken en om die ook beleidsmatig duidelijker te maken. Zonnebeke is een landelijke gemeente met 12.700 inwoners. Op 18 oktober vorig jaar telden we twintig dak- en thuisloze personen. Opvallend was dat tien van hen mensen waren die bij vrienden of familie slapen.’
‘In Zonnebeke hebben we vier tijdelijke opvangwoningen waar mensen zes maanden kunnen verblijven. Die zijn bijna altijd bezet. De Vlaamse indeling in referentieregio’s maakt dat we met regio Westhoek sinds kort ook wat uit de boot vallen wat betreft crisisopvang voor daklozen. Vroeger konden we een dakloze voor nachtopvang doorverwijzen naar Roeselare, Kortrijk of desnoods Brugge en Oostende – niet toevallig de vier centrumsteden in West-Vlaanderen. Maar sinds enige tijd merken we dat die nu voorrang geven of willen geven aan mensen uit hun eigen stad of referentieregio. Onze referentieregio heeft geen centrumstad en er is geen nachtopvang aanwezig.’
‘We zullen nu regionaal onze krachten bundelen en inzetten op de verdere ontwikkeling van een regionaal netwerk dat kan helpen bij de preventie en bestrijding van dak- en thuisloosheid. Nachtopvang zou daar deel van kunnen uitmaken, idealiter komen we tot een vorm van regionale hulpverlening die interdisciplinair te werk gaat. Je merkt dat dossiers steeds complexer worden en een specifieke aanpak vereisen.’
We willen een duidelijk signaal geven aan de hogere overheden: dit kunnen we niet alleen. Als welzijnsvereniging zijn we ideaal geplaatst om dit mee vorm te geven, maar als we de problematiek grondig en breed willen bestrijden, zijn daar ook de juiste middelen voor nodig.
Doelgroep mee aanspreken
Ook in de gemeenten binnen het KINA-netwerk onderneemt men actie na de daklozentelling. ‘We hebben al een poging ondernomen om het bestaande aanbod in kaart te brengen, zowel lokaal als bovenlokaal, en we willen dat aanbod versterken,’ bevestigt Florian Mertens. ‘Naar aanleiding van de telling hebben we eind april een Regionaal Welzijnscafé georganiseerd voor al onze lokale besturen en geïnteresseerde intersectorale partners om de resultaten te presenteren. De volgende stap nu is om deze input te verwerken tot een regionaal actieplan en ons bovenlokale netwerk tegen dak- en thuisloosheid te versterken. Tegelijk willen we een duidelijk signaal geven aan de hogere overheden: dit kunnen we niet alleen, samenwerking is nodig. Als welzijnsvereniging zijn we ideaal geplaatst om dit mee vorm te geven, maar als we de problematiek grondig en breed willen bestrijden, zijn daar ook de juiste middelen voor nodig.’
Heeft hij nog een tip voor de coördinatoren van volgend jaar? Zeker: ‘Betrek zeker de doelgroep zelf bij de acties. We onderschatten vaak hoe ver die problematiek strekt en welke impact hij heeft op de persoon. Geen eigen thuis, sociaal isolement, een steeds moeilijkere toegang tot basishulpverlening, leerachterstand bij kinderen… Dak- en thuisloosheid heeft verstrekkende gevolgen. Vaak is er ook sprake van structurele systeemfouten. Dak- en thuisloosheid is allerminst te herleiden tot individuele verantwoordelijkheid.’ —