Audit Vlaanderen bestaat 25 jaar. In die kwarteeuw zag administrateur-generaal Mark Vandersmissen de organisatie niet alleen van naam veranderen, maar ook uitgroeien tot een partner van de lokale besturen. ‘We worden niet langer gezien als een controleur die komt zeggen wat fout loopt, maar als iemand die helpt om de organisatie beter te maken.’
Mark Vandersmissen herinnert zich lachend hoe hij als een van de drie founding fathers aan de slag ging bij de nieuwe dienst. ‘De Vlaamse administratie zag er indertijd helemaal anders uit, met één groot centraal Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, bestaande uit zeven departementen en daarnaast een 35-tal Vlaamse openbare instellingen. Eind jaren 1990 was new public management sterk in opkomst. Het idee was dat overheidsorganisaties meer autonomie en verantwoordelijkheid kregen, maar daarover ook verantwoording moesten afleggen. Interne controle en organisatiebeheersing werden daardoor sleutelelementen: als je kunt aantonen dat je organisatie goed beheerd wordt en de risico’s goed beheerst, kan de overheid je ook meer vertrouwen geven. Zo ontstond in 2001 de entiteit Interne Audit, die later uitgroeide tot Audit Vlaanderen.’
De naamsverandering kwam er in 2014. Toen kregen jullie ook de bijkomende opdracht om de lokale besturen te auditeren?
‘Inderdaad, tot dan deden we alleen audits op Vlaams niveau. Dat we die bijkomende verantwoordelijkheid kregen, kwam niet uit de lucht vallen. Het Gemeentedecreet van 2005 verplichtte elke gemeente om een intern controlesysteem uit te werken. Daarnaast voorzag het decreet per lokaal bestuur ook in de oprichting van een auditcommissie die moest instaan voor de externe audit, maar door de grote diversiteit van de besturen bleek dat een complexe, dure en bijna onbegonnen operatie. Zo werd in 2014 uiteindelijk Audit Vlaanderen opgericht, met een opdracht voor zowel de Vlaamse administratie als de lokale besturen. Wij waren toen al dertien jaar bezig en hadden ervaring met interne audits in de publieke sector. Die kennis konden we meenemen, maar voor lokale besturen moesten we natuurlijk een nieuwe context leren kennen.’
Hoe hebt u dat aangepakt?
‘Van bij de start hebben we sterk ingezet op communicatie. We hebben een hele rondgang in Vlaanderen georganiseerd om uit te leggen wie we waren, wat we deden en wat een audit voor een bestuur zou betekenen. Een audit werd niet altijd positief bekeken. Het overheersende gevoel was: dat zijn externen die eens komen kijken en commentaar gaan geven op wat niet goed loopt.’
‘Wij hebben altijd geprobeerd om dat anders te benaderen: een audit is een onbevangen blik van buiten die dingen kan aanreiken om de organisatie te verbeteren. Transparantie is daarbij heel belangrijk. Tijdens onze eerste ontmoeting stellen we onszelf voor en leggen we uit welke stappen we zetten en welke mensen we eventueel betrekken. We koppelen tussentijdse vaststellingen systematisch terug en het bestuur krijgt ook altijd vooraf het ontwerprapport te zien. Bovendien kondigen we onze komst ruim op tijd aan. Die werkwijze heeft vertrouwen gecreëerd. Besturen kennen ons intussen beter en staan doorgaans positief tegenover onze instrumenten.’
Hoe vaak krijgt een lokaal bestuur Audit Vlaanderen over de vloer?
‘Heel weinig. (lacht)Gemiddeld ongeveer één keer om de zes à zeven jaar. En dan nog onderzoeken we maar één aspect van de werking. Terwijl een bestuur natuurlijk continu actief is, met heel veel verschillende processen. Met 285 lokale besturen en andere entiteiten zoals autonome gemeentebedrijven en welzijnsverenigingen die we moeten auditeren, is het onmogelijk om via individuele audits overal structureel verandering te brengen. Onze grootste meerwaarde zit daarom in de hefboomwerking en daar proberen we vooral met onze thematische audits het verschil te maken. Lokale besturen hebben grotendeels dezelfde opdrachten en basisdienstverlening, hun processen zijn vaak vergelijkbaar. Als we bij tien of vijftien besturen hetzelfde thema onderzoeken, kunnen we daar algemene lessen en adviezen uit halen die voor alle besturen bruikbaar zijn.
Algemeen directeurs rapporteren jaarlijks aan de gemeenteraad over organisatiebeheersing, maar wij zien die rapporten vandaag niet systematisch. Misschien zitten daar mogelijkheden.
Hoe deelt u die kennis met de andere besturen?
‘Dat doen we op verschillende manieren. We publiceren alle rapporten op onze website, maar we bundelen er ook de goede praktijken. Als verschillende besturen voor een kwetsbaar proces een goede oplossing hebben gevonden, hoeft niet iedereen het wiel opnieuw uit te vinden. Bij de voorbereiding van een audit denken we ook na over hoe een proces idealiter ingericht wordt. Het controleprogramma dat daaruit ontstaat, vormen we regelmatig om tot een zelfevaluatie-instrument. Daarmee kan een bestuur zichzelf toetsen zonder dat wij langskomen. Ook andere instrumenten die we ontwikkelen, proberen we zo breed mogelijk te delen.’
‘De verspreiding daarvan gebeurt nu nog te veel in pieken. Wanneer een rapport verschijnt, is er aandacht via onze nieuwsbrief, de website en via partners zoals het Agentschap Binnenlands Bestuur of de VVSG. Maar na verloop van tijd wordt die beschikbare online informatie toch minder geraadpleegd. Daarom willen we opnieuw sterker samenwerken met partners die een groter bereik en bredere contacten hebben. We willen onze kennis beter ontsluiten en meer geïntegreerd aanbieden.’
Wat gebeurt er met jullie aanbevelingen na een audit?
‘We volgen die steekproefsgewijs op. Volgens ons jaarverslag is ongeveer 46 procent van de opgevolgde aanbevelingen in 2025 volledig gerealiseerd. Dat percentage kan zeker beter, maar er zijn weinig aanbevelingen waarmee helemaal niets gebeurt en dat is een hoopvol punt. Wel moeten we nog een betere manier vinden om de opvolging structureel in beeld te brengen, aangezien we dat nu steekproefsgewijs doen. Algemeen directeurs rapporteren jaarlijks aan de gemeenteraad over organisatiebeheersing, maar wij zien die rapporten vandaag niet systematisch. Misschien zitten daar mogelijkheden.’
Worden audits afgestemd op het individuele bestuur?
‘Altijd. Vroeger verliepen thema-audits heel programmatisch: bij ieder bestuur onderzochten we ongeveer hetzelfde. We keken ook sterk naar de afdekking: waar waren we nog niet geweest? Nu willen we meer risicogebaseerd werken. Het auditprogramma blijft een kader, maar we houden meer rekening met de specifieke context. Leegstaande bedrijfsruimten kunnen bijvoorbeeld een belangrijk thema zijn voor een centrumstad, maar nauwelijks relevant voor een kleine landelijke gemeente.’
‘We selecteren besturen op basis van cijfers, risico’s en de relevantie van een proces. We zoeken daarbij een goede mix van grote en kleine besturen. Daardoor kan een bestuur binnen één cyclus eventueel twee keer aan bod komen, terwijl een ander bestuur wat langer moet wachten. Niet de geografische kaart, maar het risico en de maatschappelijke relevantie moeten doorslaggevend zijn.’
Welke evolutie ziet u in de organisatiebeheersing van lokale besturen?
‘De leidraad organisatiebeheersing die we ontwikkelden is bij de meerderheid van de besturen goed ingeburgerd. Veel besturen gebruiken die echt om hun algemene managementprocessen te verbeteren. We zien ook dat ze meer investeren in medewerkers die met organisatiebeheersing, kwaliteit of procesmanagement bezig zijn. Dat verschil tussen een ad-hocaanpak en een structurele aanpak is heel belangrijk. In veel besturen is er nu een stafmedewerker organisatiebeheersing. Zo iemand kijkt over de hele organisatie heen en helpt processen ontwikkelen en verbeteren.’
‘Niet ieder lokaal bestuur heeft een eigen interne auditdienst nodig. Ik zou besturen aanraden eerst en vooral in hun eigen aanpak te investeren. Het managementteam en alle medewerkers vormen de eerste lijn: iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen processen en risico’s. Een stafmedewerker kwaliteit of organisatiebeheersing vormt de tweede lijn en bewaakt de samenhang. Wij zijn de derde lijn en komen maar om de zoveel jaar langs. Als die eerste twee lijnen sterk zijn, geeft dat veel meer inzicht en zekerheid dan één periodieke audit.’