Peter Wollaert is als directeur van CIFAL Flanders, de Vlaamse afdeling van het VN-opleidingsagentschap UNITAR in Genève, sinds de start nauw betrokken bij de SDG’s. CIFAL geeft vorming aan lokale overheden maar ook aan bedrijven, vakbonden, ngo’s en het hoger onderwijs, over het in de praktijk brengen van de kernthema’s van de Verenigde Naties: vrede & veiligheid, mensenrechten en duurzame ontwikkeling, de SDG’s.
Ronkende woorden, maar in de realiteit doen de SDG’s het niet goed: volgens cijfers van de Verenigde Naties zelf zit amper 16 procent van deze mondiale duurzaamheidsdoelen op schema voor implementatie. We kunnen de VN Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling met zijn 17 SDG’s dus niet anders omschrijven dan als een regelrechte mislukking? Peter Wollaert stapt niet in die ‘kritische-journalist-val’: ‘Zo bekijken wij het niet, hoor (lacht).
Wij zijn ervan overtuigd dat de wereld slechter af zou zijn geweest zonder Agenda 2030. En dát we er überhaupt een globaal cijfer op kunnen plakken, is al een verschil met twintig jaar geleden. Dankzij de VN-resolutie van september 2015 is er wereldwijd een heel groot datasysteem ontstaan. Dat maakt dat we de toestand van de wereld accuraat kunnen volgen op basis van cijferdata en andere wetenschappelijke gegevens. Mocht u me twintig jaar geleden hebben gevraagd hoe het ging met bepaalde doelstellingen, dan had ik u toentertijd het antwoord schuldig moeten blijven. Nu meten en weten we.’
‘Maar inderdaad, de cijfers zijn niet om te juichen. Het is zelfs een bijzonder slecht cijfer, dat moeten we grif toegeven. En het is slecht beginnen gaan tijdens de coronapandemie. Daarvoor zaten heel wat doelen op schema. Deze Agenda 2030 is de opvolger van de Millenniumdoelstellingen (MDG’s, 2000-2015). Op nogal wat thema’s was er al flinke vooruitgang geboekt. Bijvoorbeeld armoedebestrijding ging mondiaal de goeie kant op. Uiteindelijk werd beslist de MDG’s voort te zetten maar met aanvullingen, zoals specifieke ecologische doelen. Ook thema’s als vrede en veiligheid en goed bestuur werden toegevoegd. Dat gebeurde op initiatief van Zuid-Amerikaanse landen zoals Ecuador die vonden dat de MDG’s onvoldoende waren om de vele nieuwe uitdagingen mondiaal te behandelen.’
In Agenda 2030 hebben we nog vijf jaar te gaan. De moeite waard om het roer helemaal om te gooien of is dat net een slecht idee?
‘De hamvraag is en blijft: waarin zou een overheid moeten investeren om het algemeen belang het beste te dienen, zowel lokaal, nationaal als mondiaal? De SDG’s zijn een politiek actieplan dat tegelijkertijd een moreel kompas biedt: niet alleen wat je doet is van belang, maar ook hoe je het doet. En er zijn jaarlijks voortgangsrapporten over wat men in Nederland ‘brede welvaart’ noemt, gebaseerd op vijf pijlers: sociale rechtvaardigheid, ecologische zorg, een economisch beleid dat ten dienste staat van de samenleving en niet omgekeerd, vrede en veiligheid, internationale samenwerking en solidariteit. De bedoeling is en blijft dat de landen die gebruiken en ze in eigen beleid omzetten. Zo moet deze Agenda ertoe leiden dat projecten rond deze pijlers naar een ambitieuzer niveau worden getild. Maar we moeten toegeven en inzien dat in vele landen dat hogere ambitieniveau niet wordt gehaald. Ik zeg vaak: de SDG’s zijn dood, leve de SDG’s. We hebben de SDG’s meer dan ooit nodig om de politici ervan te overtuigen dat ze hun ambities voor duurzaamheid moeten verhogen.’
Wij zijn ervan overtuigd dat de wereld slechter af zou zijn geweest zonder Agenda 2030. En dát we er überhaupt een globaal cijfer op kunnen plakken, is al een verschil met twintig jaar geleden
In Vlaanderen tonen veel lokale besturen wel degelijk ambitie op het vlak van de SDG’s. Maar liefst 60 procent van de lokale besturen integreert ze in de nieuwe meerjarenplanning en trekt er dus ook geld voor uit. Dan denk ik: aan de lokale besturen valt niets te verwijten. Zij hebben geen deel aan het echec van Agenda 2030.
‘Ik ben het daar volkomen mee eens. De SDG’s zullen lokaal zijn of ze zullen niet zijn. Alle 17 SDG’s zijn directe uitdagingen en opdrachten voor een lokaal bestuur. Ik ben heel blij dat de VVSG nog steeds een heel belangrijke sensibiliserende én ondersteunende taak op zich neemt, terwijl in de huidige politieke context steeds meer thema’s in vraag worden gesteld, tegen beter weten en wetenschappelijke bevindingen in.’
Kunt u voor de vuist weg enkele gereedschappen noemen die lokale besturen ten goede zouden komen en wat kunnen ze daar dan uit leren?
‘Ten eerste zou ik willen verwijzen naar mijn ervaring bij CIFAL: idealiter krijgt elke lokale beleidsmaker een basisopleiding over duurzame ontwikkeling. Het is immers een thema voor iedereen. Ten tweede: burgerparticipatie, héél belangrijk. Steden en gemeenten hebben adviesraden allerhande. Mijn aanbeveling is dat het goed zou zijn wanneer al die raden elkaar minstens één keer per jaar zouden ontmoeten. Zo groeit er ruimte voor transversale samenwerking. De jeugdraad kan wat leren van de seniorenraad, de cultuurraad kijkt of er met de sportraad een gedeeld project kan worden uitgedacht. Elkaar kennen en interdisciplinair samenwerken is zoveel vruchtbaarder dan elk in het eigen hokje blijven sudderen. Trouwens, de thema’s waarmee de raden bezig zijn, zijn meteen ook SDG-materiaal en stevig aanwezig in Agenda 2030. Het is belangrijk om die geëngageerde burgers – en geëngageerd zijn ze want anders zaten ze niet in een adviesraad – met elkaar te doen praten.’
‘Mijn derde aanbeveling: het thema “duurzame ontwikkeling” is idealiter een bevoegdheid van de burgemeester, als dwarsverbinder. Hij of zij moet ervoor zorgen dat die vele thema’s van jeugdbeleid, investeringen, milieu-uitdagingen en ga zo maar door, dat die allemaal samenkomen en dat het samenspel toch een coherent geheel blijft. Dat betekent ook dat de duurzaamheidsambtenaar op het strategische niveau zou moeten worden getild. Want duurzaamheid is geen aparte specialiteit, wel integendeel; duurzaamheid is transversaal, ze gaat over verbinding, coherentie, langetermijndenken. vertrekkende van de al genoemde vijf pijlers elkaar kunnen versterken.’
In die directe manier van werken, in dat kort op de bal spelen, zit daar de unieke meerwaarde van het lokale beleidsniveau?
‘Evident! Het is op het lokale niveau dat alles concreet wordt gemaakt. Je kunt op federaal en internationaal niveau grote doelstellingen formuleren, zonder de betrokkenheid van je lokale bestuur en je lokale burger zul je dat nooit kunnen realiseren. Agenda 2030 heeft trouwens als baseline ‘leaving nobody behind’, niemand achterlaten. Die oproep richt zich tegen armoede maar verwijst ook naar participatie. Wij hebben godzijdank nog steeds een sterk en geliefd verenigingsleven. Van het handelaarsverbond tot de lokale toneelclub, van de lokale voelbalploeg tot de milieuvereniging.
Onze jeugdbewegingen doen het prima, ondanks alle commercieel aanbod, en dat is een bijzonder belangrijke voedingsbodem voor verduurzaming én verbinding. Duurzaamheid wordt steeds meer lokaal gerealiseerd. Denk aan de vele stadsfestivals. Daar komen alweer verschillende SDG’s samen. Er is aandacht voor inclusie, want er zijn speciale voorzieningen voor mensen met een beperking. Er is aandacht voor ecologie, want er komen steeds meer “smart cups” die gemakkelijk te recycleren zijn. Er is aandacht voor veiligheid met eigen opgeleide stewards.’
Steden en gemeenten hebben adviesraden allerhande. Mijn aanbeveling is dat het goed zou zijn wanneer al die raden elkaar minstens één keer per jaar zouden ontmoeten. Zo groeit er ruimte voor transversale samenwerking.
Moeten lokale politici en ambtenaren hun steentje bijdragen aan de gesprekken over de opvolger van Agenda 2030 en wat zou daarin prioritair moeten zijn? ‘Goeie vraag. De Verenigde Naties hébben al een tekst ter beschikking, het zogenaamde Pact for the Future dat vorig jaar in september op de Algemene Vergadering van de VN is goedgekeurd.
Deze tekst heeft twee luiken. Aan de ene kant werd Agenda 2030 in het Pact door de 193 lidstaten opnieuw bekrachtigd: hij blijft het leidende actieplan van de Verenigde Naties. Maar omdat er kritische geluiden te horen waren, werden ook enkele nieuwe thema’s toegevoegd: de impact van artificiële intelligentie, het veel meer au sérieux nemen van inspraak van en voor jongeren en hen in beslissingsorganen een volwaardige plaats geven. En tot slot de expliciete vermelding van de mensenrechten als basis van duurzame ontwikkeling, waar Europa ferm op de nagel klopt.’
Zit er in die vernieuwde Agenda 2030 iets lekkers voor de lokale besturen of moeten ze hun eigen boontjes doppen?
Welke goede raad zou u hen geven? ‘De huidige tekst is een puur politieke, taaie tekst gericht op federale en bovenfederale overheden. Als lokaal bestuur moet je een dergelijke tekst zo snel mogelijk “lokaliseren” naar een instrument dat bruikbaar is op jouw lokale vlak, dat van mondiale thema’s lokaal beleid maakt.’
‘Dat geldt niet alleen voor lokale beleidslui maar evengoed voor het bedrijfsleven. In zowat elke VN-conferentie verwijst men naar het belang van het bedrijfsleven, niet enkel voor cofinanciering maar ook voor de productie van goederen en diensten die nodig zijn om Agenda 2030 te realiseren. Denk aan specifieke, aangepaste producten voor senioren die nu tachtig, negentig en intussen ook steeds vaker 100+ worden.’
‘Daarnaast ben ik groot voorstander van een burgemeestersconferentie bij de VN. Op dit moment hebben burgemeesters geen structurele stem binnen de VN. De VN zoals we die nu kennen, is een ecosysteem van diplomaten en staatshoofden en regeringsleiders. Ik pleit voor een soort ‘‘Tweede Kamer” waar burgemeesters wereldwijd verkozen worden om teksten van de VN te bespreken en ze al dan niet, vanuit lokaal niveau, mee goed te keuren. In VN-teksten zegt men dikwijls en expliciet dat het lokale bestuursniveau een belangrijke schakel is, welnu, in het VN-systeem is die schakel eigenlijk geheel onzichtbaar. Dat moet mee opgenomen worden in de hervorming van de VN. We weten dat de SDG’s wereldwijd worden getrokken en waargemaakt door burgemeesters in grote steden wereldwijd. De burgemeesters zien dat deze thema’s relevant zijn, dat wordt niet in vraag gesteld.’
‘Maar een forum waar die burgemeesters vrij en vrank mogen dialogeren, dat ontbreekt. Heel deze agenda gaat ook over innovatie en bijhorende proefprojecten. Laat lokale besturen die uitdagingen opnemen. Cohousing, intergenerationeel leven, al die nieuwe leefvormen verdienen het getest te worden. Laat de lokale besturen daar de voortrekkers zijn, ook wat betreft initiatieven betreffende interculturaliteit, een fikse uitdaging voor onze gemeenschap in Vlaanderen.’
De VN zoals we die nu kennen, is een ecosysteem van diplomaten en staatshoofden en regeringsleiders. Ik pleit voor een soort ‘‘Tweede Kamer” waar burgemeesters wereldwijd verkozen worden om teksten van de VN te bespreken en ze, vanuit lokaal niveau, al dan niet mee goed te keuren.
De geopolitieke situatie is gespannen, verward en gevaarlijk. Aan alle kanten wordt bespaard om extra geld aan defensie te geven. Wat houdt u energiek genoeg om in deze moeilijke tijden het enthousiasme voor uw werk op te brengen? ‘Maar er is geen geld tekort (lacht)! Sla op om het even welke dag om het even welke krant open en je krijgt nieuws over miljonairs en multimiljonairs. Er zijn organisaties, landen, zakenlui en stichtingen die superrijk zijn. In België heeft de Koning Boudewijnstichting een spaarpot van meer dan een miljard euro. Er is véél geld in onze samenleving, maar dat geld staat vooral privaat geparkeerd en is niet beschikbaar voor het algemeen belang. Ik kom wekelijks op plaatsen en in meetings waar het gaat over honderdduizenden of zelfs miljoenen euro’s of dollars.
Dus aan geld geen gebrek, dat is punt één. Punt twee: de motivatie, die puur ik zeker uit de ontelbare mooie initiatieven waar ik lezingen geef, waar mensen hun idealen beleven. Er is veel volk, er is veel zin, er gebeuren ontelbaar veel mooie, concrete acties op alle niveaus, in wijken, in scholen, in woonzorgcentra, in bedrijven, in het verenigingsleven.’
‘Dat toont aan dat de SDG’s ook vandaag nog steeds inspirerend werken. Er zijn weinig teksten van de Verenigde Naties die zo wijd en zijd bekend zijn als Agenda 2030 en nog minder teksten waar zo’n enorm aantal lezingen en workshops uit voortvloeien. Meer nog: volgens mij is Agenda 2030 de VN-tekst die na de Mensenrechtenverklaring het meest wordt gebruikt op zoveel verschillende manieren van speelgoed voor peuters tot academische traktaten. De tekst is in alle mogelijke talen vertaald, en zelfs in brailleschrift beschikbaar, en dat is zeer uitzonderlijk.’
‘Agenda 2030 biedt uiteraard inspiratie aan opvallende initiatieven zoals de jaarlijkse VVSG-actie ‘Lokale Helden’ in september tijdens de Week van de Duurzaamheid. Anderzijds zijn er dichters die het thema behoedzaam en in alle rust aan bod laten komen in hun werk. En dat is goed. Als mensen me vragen of we met Agenda 2030 en de SDG’s de gewenste duurzaamheid zullen realiseren, zeg ik: zeker, maar nooit helemaal. Misschien zullen we met verstilling, versobering, schoonheid of een stukje poëzie verder geraken met onze verduurzaming dan met veel technische analyses en goedbedoelde politieke acties.’ —