Hans Bruyninckx, specialist milieubeleid aan de Universiteit Antwerpen en een van de meest vooraanstaande klimaatwetenschappers van ons land, neemt geen blad voor de mond als het gaat over het gebrek aan ambitie in het klimaatbeleid: ‘Verschillende toppolitici maken er een sport van klimaatwetenschappers weg te zetten als paniekzaaiers. Maar wat wij zeggen, is wetenschappelijk onderbouwd. En wetenschappers zijn doorgaans voorzichtige mensen.’ Stap mee op de roetsjbaan tussen vertwijfeling en volharding.
‘Natuurlijk is die indruk correct,’ antwoordt Hans Bruyninckx op de enige mogelijke beginvraag die dit gesprek kan hebben: klopt de indruk die veel mensen spontaan koesteren dat de klimaatproblematiek in een hoek van de kamer is gedrongen nu er zoveel meer aandacht en geld naar defensie en geopolitiek vloeit?
De hoogleraar kan niet wachten om die indruk te onderbouwen: ‘Kijk alleen al naar ons eigen beleid, in Vlaanderen, in België en Europa. Je hoort en leest sterke en voortdurende oproepen van zo goed als alle politieke partijen, tot op het hoogste niveau, om minder aandacht te besteden aan duurzaamheidsthema’s, milieu en klimaatbeleid.’ Om die paradigmashift te verantwoorden worden alle argumenten, het ene al minder onderbouwd dan het andere, uit de kast gehaald.
Hans Bruyninckx somt op: ‘Omdat klimaatbeleid een handicap voor onze concurrentiepositie zou zijn, omdat het niet spoort met de vele extra uitgaven die we voor defensie moeten doen, omdat het niet mogelijk is wegens de budgettaire besparingen, omdat het onrealistisch zou zijn, omdat de Green Deal (het gecontesteerde en ambitieuze actieplan van de Europese Unie om tegen 2050 het eerste klimaatneutrale continent ter wereld te worden, red.) een ideologisch project zou zijn, wat hij overduidelijk niét is. Of was. De Green Deal was een wetenschappelijk gefundeerd project.
Maar ook op Europees niveau is klimaatbeleid op een lager pitje gezet. Een lichtpunt is dat Europa vasthoudt aan de marsrichting. De Europese instellingen hebben bijvoorbeeld beslist dat er tegen 2040 een drastische vermindering van uitstoot moet zijn, met name 90 procent minder dan in 1990. Dat ligt in lijn met wat de onafhankelijke wetenschappelijke adviesraad voor het klimaat van de Europese Unie naar voren schuift. Het is mede dankzij de standvastigheid van Kurt Vandenberghe, hoofd van het directoraat-generaal Klimaat, dat Europa vasthoudt aan wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen.’
“Veel mensen blijven hangen in de leuze “Oh, in the end, all will be okay” en lijken te denken dat de risico’s en gevolgen van de klimaatverandering wel zullen meevallen.
![]()
Is de Europese Green Deal dood en begraven? Kan hij nog worden gered, en hoe?
‘Nee, hij is niet dood. Heel wat wetgeving die in de Green Deal ingebakken zat, is al effectief wet geworden. Dat kun je niet zomaar terugschroeven. Maar er zijn nog belangrijke puzzelstukken uitgesteld of – al dan niet tijdelijk – opgeschort. We kunnen het best zoveel mogelijk in effectieve wetgeving omzetten en aantonen dat dit economisch en geopolitiek verstandige keuzes zijn.’
De zaak voor het klimaat is dus zeker nog niet knock-out?
‘Zeker niet. Hoe bereik je klimaatneutraliteit? Dat vraagt een cocktail van maatregelen. Mensen denken vaak naïef dat je de hele klimaatproblematiek kunt aanpakken met alleen een transitie in het energiesysteem. Weg van fossiele brandstoffen. Als we die afhankelijkheid afbouwen, komt het wel goed. Maar klimaatneutraliteit vergt inspanningen van zoveel sectoren. Dan praat ik naast energie ook over mobiliteit, landbouw, ons grondstoffengebruik enzovoort. Er komt dus veel bij kijken en hier zie je dat politici bereid zijn een aantal doelstellingen af te zwakken of uit te stellen. Denk maar aan de automobielsector, waar de doelstellingen afgezwakt zijn. Tegelijkertijd hoor je ook stemmen opkomen die zeggen: “Goed, als we minder afhankelijk willen zijn van de fossiele sector, die zich bovendien bevindt in plaatsen in de wereld die minder stabiel zijn, dan hebben we er alle belang bij die energieomslag naar klimaatneutraliteit en alternatieve energie zo snel mogelijk te maken.”'
Dan zit je noodzakelijkerwijs op een niveau dat je niet anders dan mondiaal kunt noemen?
‘Nee. De omslag moet op álle niveaus gebeuren. Wat ik vaak hoor zeggen is: “Waarom moet Europa vooroplopen en die omslag maken? Wij zijn goed voor een klein deel van de wereldeconomie en wij stoten niet het meeste uit, verre van. Wat wij doen of laten is een druppel op een hete plaat als de Chinezen niet meedoen, en de Amerikanen, de Indiërs en de Indonesiërs.” Maar iederéén moet meewerken aan de klimaattransitie. We hebben ook een belangrijke historische verantwoordelijkheid en als continent dat sneller opwarmt dan de rest van de wereld hebben we alle belang bij een goed klimaatbeleid. Bovendien lopen wij op een aantal vlakken niet meer voorop. De investeringen in hernieuwbare energie zijn in China de laatste jaren dé motor van de economische groei. De elektrificatie van hun mobiliteit gaat razendsnel.’
Hebben die defaitisten geen punt? Meer dan wat rommelen in de marge kan een gemeentelijk of stedelijk bestuur toch niet doen?
‘Lokale besturen kunnen best veel doen. Denk aan klimaatneutraliteit in onze gebouwen, of aan beleid inzake mobiliteit en ruimtelijke ordening, vergroening van de stedelijke ruimte. Vooral moeten we ook de risico’s leren inschatten van slabakkend klimaatbeleid. Daar houden we veel te weinig rekening mee. Als die trend zich doorzet, maakt het beleid een compleet verkeerde inschatting van die risico’s. Veel mensen blijven hangen in de leuze “Oh, in the end, all will be okay” en lijken te denken dat de risico’s en gevolgen van de klimaatverandering wel zullen meevallen en dat we die met wat halfslachtige adaptatiemaatregelen het hoofd zullen kunnen bieden.
Ik kan u zeggen: dat is niét wat klimaatwetenschappers zeggen. Helemaal niet. Overigens geldt dat niet alleen voor het klimaat, maar ook voor wat men earth systems noemt (de wereldwijde ecologische systemen die permanent op elkaar inwerken, red.). Biodiversiteit, waterhuishouding, oceanen, de atmosfeer en chemische pollutie hangen samen. Wetenschappers zijn niet bijzonder optimistisch over de toestand van die earth systems. Want er zijn uiteraard grenzen aan de draagkracht van die systemen. Vandaag tonen zoveel tekenen overduidelijk aan dat de zwakke adaptatie waarvoor we nu kiezen, op haar grenzen stuit. Het Centrum voor de Risicoanalyse van Klimaatverandering (CERAC) evalueert klimaaten milieurisico’s in België en legt de vinger op de wonde door te stellen dat we risico’s onderschatten en ons te weinig voorbereiden op een meer turbulente toekomst. Helaas wordt die analyse grotendeels opzijgeschoven. Maar ik kan u verzekeren: die risico’s gaan niét vanzelf weg.’
De klimaatramp vertoont zich bijna elke avond in het tv-journaal. Is het al te laat?
‘Ik ben geen klimaatalarmist, maar met het wetenschappelijke onderzoek in de hand kan ik niet anders dan zeggen: ja, voor sommige dingen zijn we al te laat. Nu al hebben we zeven van de negen planetaire grenzen overschreden. Ook de zogenaamde tipping points of kantelpunten in die earth systems die de negatieve spiraal versterken, zijn deels al bereikt. Het smelten van de ijslaag op Groenland is zo’n kantelpunt. Als we vandaag zouden stoppen met alle uitstoot – wat we voor alle duidelijkheid niét doen, de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer neemt ieder jaar nog toe – dan zal de ijslaag op Groenland nog zeer lang blijven smelten. Dat heeft grote gevolgen voor de stijging van de zeespiegel, maar ook voor de mondiale watercycli, oceaanstromingen en dergelijke. Een ander kantelpunt is het Amazonewoud, dat niet langer de functie van long van de wereld vervult. Integendeel, het woud zal meer broeikasgassen uitstoten dan het zuivert.’
Nog eens naar de steden en gemeenten. Als het Amazonewoud niet langer naar behoren functioneert, als de mondiale waterhuishouding verstoord is, als de uitstoot van broeikasgassen niet afneemt maar groeit, wat kan een stad of gemeente in Vlaanderen daartegen doen?
‘Heel veel, binnen de grenzen van de eigen bevoegdheden. Gelukkig zitten wij, wereldwijd bekeken, op een plek met een relatief gematigd klimaat waar de extremen zich niet in dezelfde omvang tonen als in het Middellandse Zeegebied, Australië of de Hoorn van Afrika.
Wij hebben bovendien meer middelen en capaciteit om met de klimaatverandering om te gaan. Gemeenten en steden hebben ook een uniek kenmerk waardoor ze beter geplaatst zijn om milieubeleid te voeren: nabijheid. Een gemeente kan als een echte community de klimaatrisico’s aanpakken, samen met burgers, politici, lokale verenigingen, bedrijven, scholen en uiteraard ambitieuze gemeentelijke diensten. Steden en gemeenten hebben specifieke bevoegdheden die voor risicobeheersing van groot belang zijn.
Met stip staat daar voor mij ruimtelijke ordening. We hebben die de jongste decennia niet altijd goed gebruikt, maar toch liggen daar grote mogelijkheden rond klimaatadaptatie, werken met natuur, vergroening van steden, planning van vervoersstromen en dergelijke. Ik heb ooit in het Vlaams Parlement gezegd dat de ruimtelijke ordening in Vlaanderen het bordeel is van de lokale politici, wat me niet in dank is afgenomen (grinnikt).’
Steden en gemeenten kunnen veel doen qua klimaatbeleid, zegt u. Geeft u een concreet voorbeeld?
‘Een bijzonder positieve evolutie is de aanleg van steeds meer overstromings- en sponsgebieden: water gecontroleerd opvangen om het bij droogte vrij te laten. Je ziet ook dat lokale besturen bij nieuwe structuurwerken of nieuwe woonwijken resoluut de kaart trekken van overstromingsrisico’s aanpakken. We gaan in Vlaanderen naar een fikse bevolkingsgroei. Die mensen hebben nood aan nieuwe wijken en gebouwen, vaak in of nabij de steden. Dat is een uitgelezen kans, maar tegelijk een verantwoordelijkheid voor lokale besturen om nieuwe projecten klimaatneutraal en klimaatadaptief te maken. De kennis in Vlaanderen is daarvoor zeker aanwezig.
Toch zie je nog echte draken opduiken. Neem het Operaplein in Antwerpen, nochtans een relatief recent project. Dat is één stenen vlakte, een hitte-eiland midden in de stad. Er zijn gelukkig ook in Antwerpen goede voorbeelden te geven, zoals het nieuwe park op het Zuid, aan de Waalse en Vlaamse Kaai. Dat park heeft niet alleen een klimaatfunctie maar is ook een plek voor sociaal contact voor de buurtbewoners. Je ziet: als het goed is, zeggen we het ook (glimlacht). Nog eentje: in Lier worden stukken openbare ruimte duidelijk voorbereid als wegen waarlangs indien nodig enorme hoeveelheden water uit de stad worden geëvacueerd. En ik vermeld ook graag Leuven. Daar zit een superteam dat rond Leuven klimaatneutraal werkt met een heel gestructureerde en onderbouwde aanpak. Daar is een pak ervaring opgebouwd waar ook andere gemeenten uit kunnen leren, en zie je echt de veranderingen plaatsvinden. Aan goede voorbeelden dus geen gebrek.’
Is het front van de strijd tegen klimaatverandering naar het lokale bestuur verhuisd?
‘We zijn bezig met het grootste experiment uit de geschiedenis van de mensheid. Gedurende zowat tienduizend jaar hebben we een relatief stabiel klimaat gekend, met wat schommelingen die binnen bepaalde grenzen vielen. Die veilige klimaatzone zijn we aan het verlaten. Maar we denken nog altijd dat we relatief stabiele samenlevingen kunnen uitbouwen binnen een context van turbulente klimaatveranderingen. Het is naïef te denken dat één beleidsniveau ons op de veranderingen en risico’s kan voorbereiden. Vlaanderen heeft de omvang van een middelgrote Chinese stad. Op dat niveau gaan we het niet oplossen. Maar de lokale besturen kunnen wel binnen een bredere Europese context bijdragen aan de ambitie van klimaatneutraliteit en veel sterkere klimaatadaptatie. Zo moet elk niveau vanuit zijn eigenheid zijn steentje bijdragen. En zo moeten we allemaal ambitieus zijn.’
“Ik zeg dit met nadruk, maar ik bedoel het positief: het is hoog tijd dat we lokaal een degelijke risicoanalyse maken van de gevolgen van de klimaatverandering in elke stad of gemeente.
![]()
Er is ontzettend veel wetenschappelijke literatuur over klimaatverandering voorhanden. Hoe geraakt die bij de lokale besturen en kunnen zij ermee aan de slag?
Bruyninckx: ‘Het is waar: het is niet eenvoudig om door de bomen het bos te zien. Maar er zijn ondertussen zoveel initiatieven op alle niveaus om die kennis heel toegankelijk op gemeentelijk niveau te gebruiken. En we kunnen alleen al van de goede voorbeelden in Vlaanderen veel leren. Ook Europees is er heel veel concrete kennis beschikbaar. Aan uitwisselingen en studiereizen naar goede voorbeelden is er zeker geen gebrek. Maar daar moet inderdaad meer uit voortkomen dan het ondertekenen van alweer een convenant na wat terreinbezoeken en een receptie.’
U waarschuwt herhaaldelijk dat een set van zachte maatregelen, adaptatie, onvoldoende is om de klimaatverandering het hoofd te bieden. Als we niet langer alleen kiezen voor adaptatie maar voor mitigatie (de uitstoot effectief doen verminderen, red.), wat is dan de meest dringende maatregel?
‘Dan moeten we op Europees niveau vooral verder inzetten op elektrificatie en hernieuwbare energie. De boodschap is dat, als we gaan naar een wereld die 3 graden opwarmt, Europa, dat sneller opwarmt, naar 5 à 6 graden zal gaan. Dan ga je er niet komen met wat adaptatiemaatregelen. Want dan belanden we in een andere wereld. Als we erin slagen de opwarming onder de 2 graden te houden – want de grens van 1,5 graad moeten we al opgeven – dan zal adaptatie maatschappelijk nog net haalbaar zijn. Gaan we daarboven, dan zal de maatschappelijke kost onbetaalbaar en zeer verstorend worden. Dan kunnen we er niet van uitgaan dat we in dezelfde stabiele maatschappelijke context verder kunnen leven zoals we die vandaag kennen. Het is dus zaak om slag te leveren voor elk tiende van een graad. Ieder tiende telt.’
Is er voldoende sense of urgency bij de beleidsmakers?
‘Toen wij als klimaatwetenschappers vijftien jaar geleden onze voorspellingen deden over bosbranden, overstromingen en dies meer, werden wij weggezet als klimaatalarmisten. Terwijl we nu in de praktijk zien dat die modellen kloppen als een bus. Ik kan u projecties tonen van waar we over twintig jaar zullen staan. In sommige delen van Centraal-Europa en gebieden rond de Middellandse Zee ziet dat er echt niet goed uit. Dat gaat om overstromingen, om hittegolven die de olijfgaarden teisteren, om Franse wijnboeren die hun druiven aan de ranken zien verbranden en om een grote impact op de gezondheid. Ook bij ons zullen die fenomenen toenemen en maatschappelijke en economische risico’s met zich meebrengen. En ook nu weer worden we alarmisten genoemd en maken toppolitici ons belachelijk omdat we zogezegd mensen bang willen maken. Terwijl we gewoon ons werk als wetenschappers doen (lacht).’
De vraag van één miljoen: hoe en wanneer kunnen we het infuus van de fossiele brandstoffen doorknippen?
‘Dat is inderdaad een kolossale opgave. Er zijn twee lenzen om ernaar te kijken. De optimistische lens, die trouwens ook de mijne is, ziet dat we een snelle doorbraak meemaken van hernieuwbare energie. Dat heeft te maken met technologische innovatie en economie. Hernieuwbare energie is op dit moment op de meeste plaatsen de goedkoopste energiebron. Ook krijgt hernieuwbare energie geopolitiek belang. Daardoor worden we minder afhankelijk van staten waarvan we niet afhankelijk willen zijn.
Je schept natuurlijk nieuwe afhankelijkheden, want de technologie berust op grondstoffen die we niet zelf bezitten. Maar over het algemeen kun je zeggen dat we ons minder afhankelijk maken van leveranciers van fossiele energie. Ook iemand als Jos Delbeke, voormalig directeur-generaal voor klimaat bij de Europese Unie, legt sterk de nadruk op dit positieve verhaal. Dat is terecht. We moeten wel eerlijk toegeven dat schone energie nog altijd maar een klein aandeel vormt in de globale energievoorziening. Dat zit nog altijd een stuk onder de tien procent voor wind en zon. Maar kijken we alleen naar elektriciteitsproductie, dan ligt dat aandeel veel hoger en zijn er dagen dat hernieuwbare energie al de belangrijkste bron is voor elektriciteit in Europa.
Als we de elektrificatie kunnen uitbreiden en die op hernieuwbare energie kunnen enten, dan maken we echt de omslag. Dat is de cruciale uitdaging en ik denk dat Europa die aankan. Want wij beseffen dat we te afhankelijk zijn van onze leveranciers van fossiele brandstoffen. Door die afhankelijkheid te doorbreken, bewijzen we onszelf een dienst. Fossiele brandstoffen blijven subsidiëren, wat we nog altijd doen, is eigenlijk een krankzinnige onderneming.’
U pleit gloedvol voor elektrificatie in het energiegebruik. Wie elektrificatie zegt, zegt in één adem kernenergie. Moeten producenten en overheden resoluut de kaart van de nucleaire energie trekken?
‘Nee, het ene is niet zomaar gelijk te stellen met het andere. Er zijn best wel landen in de Europese Unie waar de nucleaire factor van belang is, maar evengoed zijn er landen die sterk inzetten op elektrificatie en weinig tot geen nucleaire energie gebruiken. Voor mij is dat geen ideologische vraag maar veeleer een empirische kwestie: wat is de kostprijs, wat zijn de risico’s, draagt de nucleaire capaciteit bij aan de energie-onafhankelijkheid? Een droge vaststelling is dat het nucleaire aandeel in de totale energieproductie de laatste decennia lichtjes is afgenomen omdat sommige landen een nucleaire uitstap hebben ondernomen.
Specialisten zoals het Internationaal Energieagentschap verwachten dat het nucleaire aandeel weer zal toenemen. Maar het is een droom te denken dat kernenergie de oplossing bij uitstek is. Want als we volop de kaart van de nucleaire energie zouden trekken, dan zouden we ten eerste een enorm aantal nieuwe centrales moeten bouwen. We leren uit het verleden dat kerncentrales moeilijk liggen bij een deel van het publiek en de politiek. Kerncentrales bouwen blijkt telkens duurder uit te vallen dan gedacht en meer te kosten dan geraamd.
We zouden ook kernenergie moeten toestaan in landen waarvan we liever niet zien dat ze nucleaire capaciteit verwerven. En nog een ijzersterk argument voor andere hernieuwbare en schone energie: op de meeste plekken wereldwijd leveren hernieuwbare energiebronnen de goedkoopste energie. Kortom, nucleaire energie kan deel uitmaken van een gediversifieerde energiemix, maar ze is geen mirakeloplossing.’
Kunnen steden en gemeenten ook in dit verhaal een rol spelen?
‘Ja, door grip te hebben op de eigen energie, letterlijk: door zoveel mogelijk mee te stappen in de elektrificatie via de gemeentelijke energierekening. Ook kunnen gemeenten aan innovatie doen, denk aan warmtenetten. Verder: niet elk huishouden apart zijn eigen batterij en eigen oplaadpunt laten installeren, maar streven naar meer collectieve vormen van energiebeheer en -verbruik, zoals ik zag in Denemarken toen ik daar tot 2023 tien jaar lang het Europees Milieuagentschap in Kopenhagen leidde.’
“Mochten we bij de hele klimaattransitie het beleid baseren op de armere inkomenscategorieën, dan zou dat beleid er heel anders uitzien.
Collectieve formules inzake energiegebruik laten ook toe om dat beleid socialer te maken?
‘Dat is voor mij een van de belangrijkste uitdagingen in de hele transitie. Ik kan heel goed begrijpen dat een pak mensen niet mee is met het verhaal. Want we maken vooral beleid op maat van mensen uit het zevende, achtste en negende inkomensdeciel, dus de meer begoeden. Die subsidiëren we, dikwijls te gul en te lang. Mochten we de insteek nemen om bij de hele klimaattransitie het beleid te baseren op het tweede, derde en vierde deciel, dan zou dat beleid er heel anders uitzien.
We moeten ons bij elke maatregel de vraag stellen welke impact het beleid heeft op de armere decielen, dus de lage inkomenscategorieën. We hebben lang te maken gehad met milieu-externaliteiten, dat wil zeggen de milieukosten die niet nu door ons worden betaald maar door anderen, elders of later. Die milieu-externaliteiten pakken we, vaak traag, aan. Maar het risico is groot dat we onbewust sociale externaliteiten aan het creëren zijn. Ook die gaan we op een dag onder ogen moeten zien.
Gaan we dan her en der een subsidie lanceren? Of een saus van symboolpolitiek uitgieten? Neem die externaliteiten dan toch beter meteen mee in het beleid van vandaag. Er is onderzoek gedaan naar klimaatmaatregelen en het tweede, derde en vierde deciel. Dan blijkt dat die mensen gewoon nooit mee kunnen met al die nieuwe dingen die centraal staan in veel beleid: anders eten, zonnepanelen en thuisbatterijen, een elektrische auto, enzovoort. De sociale dimensie is vaak veel belangrijker dan de technologische.’
Omstreeks de publicatie van dit interview bent u keynote speaker op de Klimaatdag van de VVSG op 2 juni in Deinze. Welke absolute kernboodschap wilt u de steden en gemeenten meegeven?
‘Ik zeg dit met nadruk, maar ik bedoel het positief: het is hoog tijd dat we lokaal een degelijke risicoanalyse maken van de gevolgen van de klimaatverandering in elke stad of gemeente, en van wat de klimaatverandering over 30, 40, 50 jaar voor uw stad of gemeente zal betekenen.
Welke toekomstige en huidige uitdagingen moet de gemeente het hoofd bieden? Hoe zit het met de scholen in onze gemeente? Waar wonen de oudere mensen en de mensen met een beperking? Hoe gevoelig zijn uw wijken voor overstromingen? Hoe gevoelig is de gezondheidsinfrastructuur voor hitte? Er is ontzettend veel wetenschappelijk materiaal voorhanden met kaarten op gemeentelijk niveau. Ook organisaties als de VVSG kunnen hier een erg belangrijke rol spelen. Laat u inspireren! Er is geen excuus om het niet te doen. Plus est en vous!’ —
Auteur
-
MarcPeirsRedacteur Lokaal
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsMeer weten over
Up to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Nieuws
Vlaams warmteactieplan start waakzaamheidsfase
Zorg en gezondheidKinderen en gezinnenVrije tijdPublieke ruimteMilieuLokaal sociaal beleidArmoedeKlimaatadaptatie -
Nieuws
Klimaatenquête toont draagvlak voor lokale klimaatactie
Energie en klimaatKlimaatadaptatie -
Nieuws
Label sponsgemeente helpt je water slimmer beheren
KlimaatadaptatieEnergie en klimaatGemeentelijk waterbeleid