Een tiental gemeenten passen verschillende tarieven toe voor de opcentiemen op de onroerende voorheffing op hun grondgebied. Wat zijn hun ervaringen en wat kunnen andere gemeenten eruit leren? Een sessie op de Trefdag bood een antwoord op die vragen.
Sinds 2019 bestaat de mogelijkheid de opcentiemen op de onroerende voorheffing te differentiëren. Vanuit de optiek van de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) kan dat op drie manieren. De eerste is een differentiatie op basis van criteria die beschikbaar zijn bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (AAPD) en die de Vlaamse Belastingdienst met zekerheid kan toepassen.
Voorbeelden daarvan zijn de aard van het KI (gewoon, industrie, materieel en outillage), de aard van het perceel (bv. huis, handelspand, appartement) of de hoogte van het kadastraal inkomen. Een tweede vorm zijn de differentiaties op basis van andere dan de hiervoor geschetste criteria, waarbij de gemeente zelf een lijst met alle perceelcodes en het bijbehorende tarief aan Vlabel bezorgt. Voor beide voorgaande vormen levert Vlabel binnen één maand een advies over de haalbaarheid. Voor de derde vorm, een differentiatie op basis van criteria die niet beschikbaar zijn via de AAPD, en die de gemeente zelf niet kan toepassen, geldt een adviestermijn van drie maanden.
De onroerende voorheffing wordt geïnd via een sterk geautomatiseerd proces. Dat systeem mag niet gehinderd worden. Daarom moeten gemeenten een advies vragen over de technische uitvoerbaarheid van een geplande differentiatie aan Vlabel. Dat moet gebeuren elke keer dat een gemeente een belastingreglement met een differentiatie van het OOV-tarief wil vaststellen. Daarnaast moeten gemeenten ook een grondige motiveringsnota aan de Vlaamse regering bezorgen om de noodzaak van de differentiatie aan te tonen.
Praktijk
In de tabel op deze pagina staan de gemeenten die per aanslagjaar 2025 het OOV-tarief differentiëren, met aanduiding sinds wanneer ze dat doen.
In veruit de meeste gemeenten is de differentiatie er gekomen vanwege budgettaire en/of fiscale doelstellingen. Wat dat laatste betreft willen verschillende besturen op die manier de bedrijfsfiscaliteit vereenvoudigen door tegelijkertijd een andere bedrijfsbelasting – meestal de algemene belasting op basis van oppervlakte of de belasting op drijfkracht – af te schaffen. De meeste gemeenten (7 van de 12) passen dan ook een differentiatie toe waarbij industriële KI’s (die voor nijverheid en materieel en outillage) een hoger tarief krijgen. Twee gemeenten laten de tarieven stijgen naarmate het kadastraal inkomen getrapt stijgt. In maar drie gemeenten vinden we een andere vorm van differentiatie terug: gaande van een lager tarief voor bescheiden woningen, een nultarief voor startende kleinhandelsondernemingen tot een nultarief in het kader van warmtepompen en -netten.
Impact op de administratie
De administratieve gevolgen variëren sterk. Kies je voor een differentiatie op basis van criteria die beschikbaar zijn bij de AAPD, dan kan de werkdruk heel beperkt blijven. Zodra de tarieven vastgelegd zijn gaat Vlabel aan de slag. Het kan nog wel voorkomen dat de gemeente bijkomende informatie aan Vlabel moet bezorgen voor de afhandeling van specifieke bezwaren. Maar als je andere criteria gebruikt en zelf een lijst met perceelcodes moet aanleveren, kan de werkdruk aanzienlijk stijgen. Als gemeente moet je dan zelf alle informatie correct en volledig aanleveren.
Wat levert het op?
Wat de differentiatie financieel betekent voor je gemeente of voor de belastingplichtige hangt sterk af van de gekozen differentiatie. Hoeveel extra euro’s een gemeente ophaalt, of hoeveel belastingdruk er verschuift tussen percelen of eigenaars, vraagt om een eigen budgettaire simulatie. De Vlaamse Belastingdienst maakt die niet voor jou. —