De federale overheid past vanaf aanslagjaar 2029 de berekening van de aanvullende personenbelasting (APB) aan. Een correctiefactor moet voorkomen dat gemeenten inkomsten verliezen door de federale hervorming van de personenbelasting. Daarmee komt de federale wetgever tegemoet aan een jarenlange vraag van de VVSG om federale en gewestelijke belastingmaatregelen niet te laten doorwerken in de gemeentelijke ontvangsten.
VVSG pleit al jaren voor fiscale neutraliteit
De VVSG vraagt al lang dat federale en gewestelijke belastingmaatregelen de ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting niet aantasten. Ze nam die vraag ook op in haar memorandum voor de verkiezingen van 2024.
Zo goed als alle Vlaamse gemeenten heffen een aanvullende personenbelasting (APB). De gemeenteraad bepaalt het tarief als een percentage van de federale personenbelasting.
Als de federale of gewestelijke overheid de personenbelasting verlaagt, daalt normaal ook de berekeningsgrondslag van de APB. Gemeenten ontvangen dan minder inkomsten, ook al wijzigen ze hun eigen belastingtarief niet.
Lokale besturen staan daardoor voor een moeilijke keuze: inkomsten verliezen of hun APB-tarief verhogen. Dat laatste wekt vaak ten onrechte de indruk dat gemeenten een belastingverlaging terugnemen.
Correctiefactor beschermt gemeentelijke ontvangsten
De wetswijziging(opent nieuw venster) vult artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen aan. Vanaf aanslagjaar 2029 wordt het bedrag waarop de aanvullende gemeentebelasting wordt berekend, vermenigvuldigd met een algemene correctiefactor.
Die factor houdt rekening met de geraamde daling van de totale belasting door de hervorming van de personenbelasting, vergeleken met aanslagjaar 2026.
De Koning legt een factor vast voor de aanslagjaren 2029, 2030 en 2031. De factor voor aanslagjaar 2031 blijft ook voor de volgende aanslagjaren gelden.
De wetswijziging geeft zo uitvoering aan het neutralisatiemechanisme waarover we eerder berichtten.