De vraag naar ruimte in Vlaanderen is groot, en ze situeert zich op vele vlakken. We willen ruimte om te wonen, ruimte voor ondernemerschap en voorzieningen, groen om te ontspannen en infrastructuur die ons verbindt. Daarnaast moet er ook voldoende ruimte blijven voor de productie van voedsel. Al deze noden zijn legitiem en leggen druk op onze ruimte. Vlaanderen is simpelweg te klein om elke functie afzonderlijk een plek te geven. Slim ruimtegebruik is dan ook geen keuze, maar een noodzaak.
Gemeenten staan daarbij in de frontlinie. Zij kennen hun grondgebied, hun inwoners en hun noden het best. Het is op lokaal niveau dat deze afwegingen gebeuren en visie wordt omgezet in concrete projecten. Door functies te stapelen en doordacht te combineren kunnen we meer doen met minder. Klassieke voorbeelden zoals wonen boven winkels tonen al decennialang hoe verweving kan werken. Vandaag zien we ook nieuwe vormen. Kleinschalige bedrijvigheid nabij woonkernen behouden en versterken, bijvoorbeeld. Een gemeenteschool die haar sportzaal ‘s avonds deelt met de turnclub, of een prachtige parochiekerk die ontmoetingsplek wordt. Een supermarkt bouwen met daarboven appartementen, waardoor je minder ruimte inneemt voor wonen en tegelijk meer mensen in de winkel krijgt? Eigenlijk is dat de evidentie zelf.
Maar slim ruimtegebruik is meer dan zomaar stapelen en mengen. Zonder sturing kan dat leiden tot overlast en verlies aan leefkwaliteit. Omwonenden houden ieder ruimtelijk initiatief in de gaten voor de mogelijke impact ervan op hun buurt. Daarom is een sterke regierol van de gemeente cruciaal. Lokale besturen waken via ruimtelijke plannen over de gewenste kwaliteit van een gebied. Zo wordt het voor projectontwikkelaars, zowel de publieke als de private, duidelijk binnen welke marges een gebied (her)ontwikkeld kan worden.
Niet overal is hoogbouw aangewezen, niet overal is elke combinatie van functies wenselijk. Soms is het de taak van het lokale bestuur om bepaalde ontwikkelingen bij te sturen om kwaliteit in een project voorop te stellen. Wat na de vergunningsbeslissing wordt uitgevoerd, bepaalt immers in de komende tientallen jaren mee het uiterlijk en de sfeer van de gemeente.
Jo Brouns, Vlaams minister voor Omgeving, kondigde recent de ‘bouwboost’ aan. Die richt zich op de herontwikkeling van onderbenutte sites. Het is een goede zaak dat Vlaanderen het potentieel van onze kernen erkent en ondersteunt. Bouwen ín de kernen is makkelijker en wenselijker dan het ontwikkelen van een maagdelijk stuk landbouwgrond. Veel details kennen we nog niet, maar deze bouwboost moeten we alleszins aangrijpen om als lokale besturen sterker te kunnen sturen op integrale kernversterking: met de juiste functies op de juiste plek, met waardering van het aanwezige erfgoed, en een sterke aanwezigheid van groen en water in de wijk.—