Geef maar toe, beste lezer: wij behoren tot een clubje van mensen die ‘het’ min of meer ‘gemaakt’ hebben. U bent immers burgemeester, schepen of gemeenteraadslid. Dat geeft u een zeker aanzien in uw gemeente of stad. Of u bent medewerker van een lokaal bestuur, met een (hopelijk) boeiende job en een behoorlijk loon.
Ik werk aan de universiteit, dat is ook boeiend en goedbetaald. We frequenteren elkaar op vergaderingen, studiedagen en netwerkevents. Dan slaan we een praatje: we onderhouden ons netwerk. Het is best gezellig in onze bubbel. We zijn het misschien niet altijd eens, maar we spreken wel dezelfde taal. We lezen in dezelfde kranten, tijdschriften en boeken vooral over zaken waarover we ook zelf geschreven zouden kunnen hebben. En zo overtuigen we onszelf en elkaar ervan dat wij het allemaal goed weten.
Deze hyperbolische spiegel werd me genadeloos voorgehouden, toen ik het boek Armoede uitgelegd aan mensen met geld (2024) van Tim ’s Jongers las. Tim is politicoloog, bestuurskundige, en tot voor kort directeur van de Wiardi Beckman Stichting, zeg maar de studiedienst van de Nederlandse Partij van de Arbeid. (Ideologisch komt die partij het dichtst in de buurt van Vooruit bij ons.) Tim is er dus een van ons: hogeropgeleid, en met een netwerk in politiek en overheid. Het verschil is dat Tim in armoede is opgegroeid, wat zijn kansen op toetreding tot onze club gevoelig verkleinde. Dat het hem – weliswaar op latere leeftijd – is gelukt, is een niet evidente verdienste. Zonder de lezers te willen miskennen die ook in moeilijke omstandigheden de poort naar de beleidsbubbel hebben moeten openbreken: de meesten onder ons kregen meer en betere kansen dan ’s Jongers.
Zijn boek is voor mij een van de beste bestuurskundige boeken van de laatste jaren in ons taalgebied (hoewel het niet echt een klassiek bestuurskundig boek is). Het is verplichte lectuur voor elk lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, of van een bijzonder comité voor de sociale dienst. De essentie van zijn boek is dat wie voldoende financieel, sociaal en cultureel kapitaal heeft (dus geld, een netwerk en een opleiding), zeer moeilijk echt kan begrijpen wat leven in kansarmoede is. En dat is dus een probleem, want het zijn wel die haves die aan de beleidsknoppen zitten. Ze bestuderen het probleem en schrijven een doorwrocht rapport of beleidsplan. Vervolgens wordt er in de beleidsbubbel beslist over – weliswaar goedbedoelde – maatregelen.
Eén voorbeeld maar: het aanbieden van gratis schoolmaaltijden. Meetbaar, concreet, en gegarandeerd effect: ieder kind krijgt dagelijks een portie gezond voedsel, en het probleem van de lege boterhammendozen is opgelost. Maar dan blijkt dat deze maatregel niet altijd even makkelijk ingevoerd raakt. Scholen met veel kansarme kinderen krijgen die gratis maaltijden niet georganiseerd, omdat ze al veel capaciteit aan extra zorg moeten besteden. De maatregel schiet het doel dus voorbij, en levert bovendien ook nog een joekel van een mattheuseffect op. Want in scholen met veel kansrijke kinderen loopt de organisatie van de gratis schoolmaaltijden wél van een leien dakje. Dan gebeurt het dat (letterlijke quote) ‘kinderen met een knorrende maag ’s avonds in het Jeugdjournaal zien hoe andere kinderen een gratis schoolmaaltijd krijgen’
In de overheid zit dan wel veel kennis en kunde, maar die is soms te eenzijdig gebaseerd op een beperkt aantal aannames uit een beperkt aantal – in de bubbel dominante – paradigma’s. En dan krijg je beleid dat, hoe goedbedoeld ook, blind is voor vervelende neveneffecten. Neveneffecten waarvoor een expert by experience op voorhand had kunnen waarschuwen.
Hoog tijd dus om de beleidsbubbel te verbreden. Zeker op de lokale schaal moet het mogelijk zijn om de expertise van het gemeentehuis aan te vullen met de expertise van de – niet oneerbiedig bedoeld – straat. Street level bureaucrats, zoals de politieagenten op het terrein of de maatschappelijk werkers in het OCMW, zien vaak als eersten heel scherp wat de echte effecten van maatregelen zijn. En de mensen voor wie het beleid bedoeld is, kunnen meestal ook wel helder aangeven wat er werkt of niet, en waarom.
Dit zijn geen nieuwe inzichten. Er wordt al lang gepleit voor implementatietoetsen: de mensen die met beleid worden geconfronteerd, moeten gehoord worden om de concrete gevolgen van dat beleid te kunnen inschatten en evalueren. Henk Van Hootegem wijst er, zeer terecht, ook nog eens op in zijn interview op pagina 28. Laten we daarom afspreken, bubbelgenoten onder elkaar, dat we eens wat vaker een netwerkevent overslaan. En dat we in plaats daarvan een townhall meeting met burgers organiseren om te leren hoe beleidsmaatregelen op straat uitpakken. —
Auteur
-
BramVerschuereProfessor bestuurskunde Ugent
Heb je een vraag over de inhoud van dit artikel?
Contacteer onsUp to date blijven?
Blijf op de hoogte van het belangrijkste nieuws voor en door lokale besturen. Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief.
InschrijvenNieuws
-
Verhaal
Voedselnoodhulp maakt nachtopvang in Oostende menselijker
Lokaal sociaal beleidDiversiteit en gelijke kansenMaatschappelijke dienstverleningZorg en gezondheidArmoede -
Magazine Lokaal
Matisse van Aert
ArmoedeMaatschappelijke dienstverlening -
Nieuws
Gezonde voeding op school wordt financieel haalbaarder
Kinderen en gezinnenArmoede