Auteur:

Gepubliceerd op: 14-07-2020

Sinds 17 juli 2020 zijn er meer mogelijkheden. 

In het sectoraal akkoord dat op 8 april 2020 afgesloten werd, staan drie verplichtingen:

  1. Het optrekken van de maaltijdcheque tot het maximum van €8 per cheque, zonder verplichting voor het bestuur om de maaltijdcheques op jaarbasis per VTE met meer dan €100 te verhogen.
  2. Het toekennen van 'cheques allerhande' ter waarde van €200 per jaar per VTE.
  3. Het optrekken van de tweede pensioenpijler naar minstens 2,5% op het salaris (of equivalente percentages voor besturen die met een pensioentoezegging van het type vaste prestaties werken). 

Om te voldoen aan de tweede verplichting uit het sectoraal akkoord, kan gebruik gemaakt worden van lokale handelaarsbonnen. De verhoging van maaltijdcheques (eerste verplichting) kan pas in de loop van het jaar 2020 ingevoerd worden. Soms lukt het daardoor niet meer om dit jaar nog aan €100 per VTE te komen. Specifiek voor het jaar 2020 kan de late(re) invoering van de verhoging daarom opgevangen worden met ‘cheques allerhande’ en dus ook bijvoorbeeld met lokale handelaarsbonnen.

Lokale handelaarsbonnen bestaan juridisch niet onder die naam. De term die men in de wetgeving gebruikt, is de 'cadeaucheque'. In de praktijk overwegen lokale besturen de volgende twee werkwijzen voor de toepassing van de tweede verplichting uit het sectoraal akkoord:

  1.  Een werkgever mag aan zijn personeel een cadeaucheque van maximum €40 per personeelslid per jaar toekennen, naar aanleiding van Sinterklaas, Kerstmis of Nieuwjaar. Deze cadeaucheques zijn vrijgesteld van sociale bijdragen (artikel 19 §2, 14° van het RSZ-besluit van 28 november 1969) en fiscale bijdragen. Als iets als een sociaal voordeel wordt aangemerkt, kan het volgens artikel 38 §1, eerste lid, 11° WIB 92 niet als loon beschouwd worden. Bij de commentaar op het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 lezen we dat - onder meer - de volgende zaken vrijgesteld zijn: “23° cultuur-, geschenk- en surprisecheques die een geringe waarde hebben en door een onderneming met een duidelijk sociaal doel en niet als eigenlijke bezoldiging voor geleverde prestaties aan haar personeelsleden worden toegekend.”
  2. Daarnaast is er de tijdelijke consumptiecheque, een cheque die speciaal uitgegeven is naar aanleiding van de coronacrisis en maximum €300 euro mag bedragen. De consumptiecheque is vrijgesteld van fiscale en socialezekerheidsbijdragen (zie art. 19quinquies van het RSZ-besluit van 28 november 1969, zoals gewijzigd door het KB van 15 juli 2020, BS 17 juli 2020 en door de Wet van 31 juli 2020 tot wijz. diverse bepalingen met het oog op de invoering van de elektronische consumptiecheques, BS 17 augustus 2020. Beide wetteksten zijn op  17 juli in werking getreden).

Een werkgever mag voor het jaar 2020 eenmalig een consumptiecheque tot maximum €300 toekennen, te besteden:

  • in de horecasector
  • in kleinhandelszaken met hoogstens 10 werknemers in dienst die verplicht langer dan één maand gesloten zijn geweest en die, terwijl de consument in de vestigingseenheid gelijktijdig fysiek aanwezig is, goederen of diensten aanbieden aan de consument
  • in de culturele sector wanneer de instelling erkend, goedgekeurd of gesubsidieerd wordt door de bevoegde overheid
  • bij sportverenigingen die tot een van de nationale sportfederaties behoren of voor wie een sportfederatie bestaat die erkend of gesubsidieerd is door de gemeenschappen.

De consumptiecheque is geldig tot 7 juni 2021. Hij mag uitgereikt worden tot en met 31 december 2020. 

De VVSG heeft over de lokale handelaarscheques een heldere brochure uitgegeven. De consumptiecheque werd hierin niet opgenomen.

Marijke De Lange