191104wvlancker_z07 kennisnetwerk.png
Provider image

Volgens professor Wim Van Lancker moet de welvaartsstaat aangepast worden aan een andere samenleving, gekenmerkt door vergrijzing, migratie en een andere arbeidsmarkt. ‘Een maatschappij zonder armoede is misschien mogelijk, maar dan moet de overheid een visie hebben op armoedebestrijding. En dat is nu niet de prioriteit van het beleid.’

In theorie is een samenleving zonder armoede mogelijk, maar er zullen altijd mensen pech hebben, er zal altijd een zekere werkloosheid bestaan. Toch zou een samenleving met weinig armoede het streefdoel van een rijke samenleving kunnen zijn. Maar dat is nu minder en minder het geval. Individueel zijn mensen zeer bereid tot helpen en tot solidariteit, maar het beleid toont minder ambitie. De Vlaamse regering heeft geen becijferde doelstellingen meer, er is geen politiek draagvlak meer om de armoede te bestrijden.’

‘Een buurt met sociale cohesie is mooi om na te streven, maar het vervangt de sociale zekerheid niet. In de welvaartsstaat hoefde je niet individueel te beslissen of je iemand wilde helpen. Als je dat aan de buurt overlaat, geef je burgers de verantwoordelijkheid, terwijl ze niet altijd zin hebben om solidair te zijn met hun luie of vuile buurman. Bovendien zie je dat het vrijwilligerswerk beter uitgebouwd is in een welvaartssamenleving dan in een meer ongelijke maatschappij. Mensen met een stabiel inkomen zijn meer bereid iets voor anderen te doen. Ouderen een genereus pensioen bieden waardoor zij anderen kunnen helpen en vrijwilligerswerk kunnen doen, werkt ook. Want als ouderen dagelijks strijd moeten voeren om te overleven, dan wordt hun mentale ruimte kleiner en vermindert hun animo om anderen te helpen.

En of je dit de vermaatschappelijking van de zorg noemt, de participatiesamenleving of de big society, het draait ook om kostenbesparing, omdat we de vergrijzing en de groeiende vraag naar zorg moeten betalen. Maar deze oplossing geeft geen beter resultaat. Het is in elk geval slechter voor bepaalde groepen zoals nieuwkomers, want hun netwerk is kleiner en er zijn culturele kloven. Het is maar de vraag of zij adequaat geholpen zullen worden als ze terug moeten vallen op de buurt. De vergrijzing houdt nog dertig tot veertig jaar aan. We kunnen nu niet alleen ad hoc een pleister op de wonde blijven leggen in de hoop dat ze niet ettert. We hebben een globaal plan voor de toekomst nodig, een langetermijnvisie.’


Wim Van Lancker studeerde eerst informatica en dan sociale wetenschappen. In 2014 verdedigde hij zijn doctoraat. Zijn onderzoek focust onder meer op de welvaartsstaat, kinderarmoede en de notie van persoonlijke verantwoordelijkheid in het sociaal beleid.

‘De welvaartsstaat ontstond na de Tweede Wereldoorlog en streefde volledige tewerkstelling van mannen na. Het systeem heeft goed gewerkt, alleen is onze samenleving compleet veranderd. Hoe kun je de welvaartsstaat in het algemeen en de sociale zekerheid in het bijzonder performant doen werken in een samenleving die gekenmerkt wordt door vergrijzing, immigratie en een andere arbeidsmarkt? Hoe moet je dat stelsel financieren? Politici zijn bezig op de korte termijn, niet op de lange termijn, ze hebben geen visie over waar we met deze samenleving naartoe willen.’ ‘De sociale zekerheid en de fiscaliteit zijn in dit land zo complex dat niemand ze begrijpt. Het hoeft niet simpel te zijn, maar het zou wel een systeem met visie moeten zijn. Niemand lijkt ermee bezig, naar academici wordt zelden geluisterd en topambtenaren mogen niet zeggen wanneer het beleid in de fout gaat.’

‘Op het vlak van de sociale zekerheid en de grote beleidsambities zijn de lokale besturen niet aan zet, ze kunnen per definitie niets aan de armoedecijfers veranderen, want hun rol in verband met sociale zekerheid, arbeid en gezondheidszorg is beperkt. Ze hebben wel veel hefbomen in handen om de pijn te verzachten, de directe noden te detecteren, preventief op te treden, mensen te begeleiden. Dat is de rol van een lokaal bestuur. In het regeerakkoord staat als nieuwigheid dat er meer ingezet zal worden op brugfiguren, gezinscoaches of hoe je deze maatschappelijk werkers ook wilt noemen. Het lokale niveau krijgt hierbij een belangrijke regiefunctie. Het nieuwe is dat dit op Vlaams niveau wordt gepropageerd in de strijd tegen de armoede. We testen nu in Kortrijk een heel specifieke vorm van outreachend casemanagement uit. Eén coach per twaalf gezinnen klinkt aantrekkelijk, dat betekent zeer intensieve begeleiding, ook in het weekend. Maar wie op de wachtlijst voor een sociale woning staat, blijft wel op die wachtlijst staan. De dienstverlening kan verbeteren, maar de woning niet per se. Dit gaat ook op voor het inkomen. Hoe goed zo’n coach ook werkt, het inkomen zal niet verhogen. Maar de coaches detecteren meer, ze maken de rechten beter toegankelijk, de kinderen worden beter geholpen, het hele gezin krijgt toegang tot de juiste dienstverlening. Ook de organisaties gaan beter werken, normaal werkt ieder in zijn eigen winkel, mensen moeten naar hen toe komen.

Nu wordt de organisatie geconfronteerd met wat ze niet zo goed doet. Zo’n coach is een luis in de pels. Als hij de drempels zichtbaar maakt, kan een OCMW die wegwerken. Maar wil zo’n organisatie dat wel? En welk mandaat heeft zo iemand? Hoeveel tijd, middelen mag zo iemand spenderen en wie stuurt hem aan? Het is jammer, maar dit zal de armoede niet de wereld uit helpen. Je botst op de limieten van een lokale overheid. Er moeten veel voorwaarden worden vervuld voor het een succes wordt. Als de Vlaamse overheid het serieus meent, moet er boter bij de vis komen, anders blijft het de dood in de pot.

‘Het structurele beleid op Vlaams en federaal niveau is cruciaal. Als alles meezit, heb je meer te verdelen, maar au fond moet ook dan het beleid anders zijn. De armoede wordt door veel factoren beïnvloed. Maar zolang er geen beleid wordt gevoerd, dalen de armoedecijfers niet, zelfs niet bij hoogconjunctuur. Dat weten we, we moeten keuzes maken, anders gaan er dingen etteren.’

‘Armen hebben weinig invloed. Er zijn veel minder boeren dan armen, maar toch hebben boeren meer invloed. Bovendien is armoedebeleid een moeilijke zaak en het vergt ook complex beleid, tegelijkertijd op fiscaliteit, subsidies, sociale zekerheid, arbeidsmarkt, kinderopvang maar ook huisvesting.’

‘Op lokaal vlak is er een kloof tussen droom en daad. Zonder structurele middelen kun je niets doen. Toch zal de verandering van beneden moeten komen. De prioriteiten en ambities zullen bottom-up moeten groeien. Het is de enige optie voor verandering. Zo kan kinderopvang helpen tegen armoede. Maar helaas maken de lage inkomens er minder gebruik van dan de hoge inkomens. Een lokaal bestuur kan dan een verschil betekenen door ervoor te zorgen dat nieuwe plaatsen in armere wijken bijkomen. Dat is langetermijnbeleid. Een lokaal bestuur kan ook meer activeren, mensen trainen of als artikel 60’er laten werken, of via wijkwerking. Of een lokaal bestuur structureel een verschil kan maken, is een politieke keuze. Dit geldt ook voor de sociale huisvesting: op dat vlak kan de ambitie van een lokaal bestuur veel bereiken. Politieke keuzes doen er echt toe.’ •

 

Marlies van Bouwel is hoofdredacteur van Lokaal
Voor Lokaal 01 | 2020