Auteur:

Gepubliceerd op: 18-03-2021

De Vlaamse regering nam op 12 maart een beslissing over de referentieregio’s en het verdere verloop van het traject regiovorming. Voor de afbakening van de werkingsgebieden en de vorming van woonmaatschappijen is deze beslissing van belang. De gemeenten hebben, als regisseur van het lokale woonbeleid, de opdracht gekregen om aan de Vlaamse Regering een voorstel van de werkingsgebieden van de woonmaatschappijen te bezorgen tegen 31 oktober, op basis waarvan die Vlaamse Regering het werkingsgebied kan vastsstellen. De gemeenten krijgen dus de kans om zelf te bepalen met welke buurgemeente(n) men in de toekomst wil werken aan sociaal woonbeleid. De beslissing van de Vlaamse Regering over de referentieregio’s vult het kader van die opdracht wat meer in.

De nota aan de Vlaamse Regering betreffende de regiovorming geeft aan dat woonmaatschappijen de algemene aanpak van de regiovorming volgen. Dit houdt in dat nieuwe samenwerkingsverbanden die door Vlaanderen worden opgelegd of gestimuleerd, gealigneerd worden met de referentieregio’s. Het vooropgestelde matroesjkamodel is dus van toepassing op de woonmaatschappijen. Het werkingsgebied van de woonmaatschappij wordt geacht binnen de grenzen van de afgebakende referentieregio’s te liggen. Minister van wonen, Matthias Diependale bevestigt dit in zijn brief van 17 maart aan de gemeenten: "Met betrekking tot de woonmaatschappijen heeft de Vlaamse Regering beslist dat deze moeten vallen binnen of samenvallen met een referentieregio." Deze beslissing bevestigt dus het criterium dat minister Diependaele reeds eerder meegaf aan de burgemeester van elke Vlaamse gemeente in zijn eerdere brief over de afbakening van de werkingsgebieden van de woonmaatschappijen. 

Uitzonderlijk zal een afwijking mogelijk zijn.  De Vlaamse Regering hanteert daarvoor het 'pas toe of leg uit’-principe. Dit stelt dat afwijken van het algemene principe dat samenwerkingen passen binnen of samenvallen met een referentieregio enkel kan indien daar een grondige motivatie voor wordt gegeven en enkel op het niveau van een individueel samenwerkingsverband. Concreet zal de Vlaamse Regering dan voorafgaand zijn fiat moeten geven, na een gemotiveerde aanvraag tot afwijking van de referentieregio-grenzen waarbij minstens moet aangegeven worden waarom hetzelfde doel niet kan worden gerealiseerd door een samenwerking met (een) gemeente(n) die behoort/behoren tot dezelfde referentieregio. Minister Diependaele benadrukt dat hij dergelijke afwijkingen slechts in zeer uitzonderlijke situaties in overweging zal nemen. HIj wenst de algemene regel van afbakening van werkingsgebieden voor woonmaatschappijen binnen een referentieregio maximaal na te leven.

 

Joris Deleenheer