Auteur:

Gepubliceerd op: 18-06-2020

Als het van de Vlaamse Energieregulator VREG afhangt, moeten de distributienettarieven drastisch dalen. De gemeenten dreigen hiervan het belangrijkste slachtoffer te worden.

De distributie van elektriciteit en aardgas is een monopolie-activiteit, die wordt uitgevoerd door distributienetbeheerders (DNB's). Die DNB's zijn voor 100% eigendom van de gemeenten en werken samen binnen Fluvius.

De DNB's zijn verantwoordelijk voor het onderhoud, de exploitatie en de uitbouw van het distributienet en moeten voor die werkzaamheden uiteraard worden vergoed. Dat gebeurt via de gas- en elektriciteitsfactuur van de gebruikers. Het is de VREG die bepaalt hoe hoog die vergoeding mag zijn.

De voorbije weken organiseerde de VREG een consultatieprocedure voor de tariefmethodologie voor de periode 2021-2024. Daarin krijgen de DNB's een zogenaamd 'toegelaten inkomen'. Ze kunnen dus niet zo maar de gemaakte kosten doorrekenen aan de gebruikers, maar krijgen een bedrag waarmee ze het moeten doen. Zijn de werkelijke kosten uiteindelijk hoger, dan daalt de marge en dus de vergoeding van de aandeelhouders, gemeenten. Kunnen de DNB's zuiniger werken dan het toegelaten inkomen, dan is er meer marge en dus mogelijk een hoger dividend.

Met de nieuwe tariefmethodologie stelt de VREG echter een bijzonder krap toegelaten inkomen voor, met een veel lagere vergoeding van het eigen vermogen en van het vreemd vermogen (leningen). Bovendien zal die kapitaalvergoeding niet meer op het volledige vermogen worden toegepast, maar worden de herwaarderingen er stilaan uitgehaald. Voorts gaat de VREG ervan uit dat de fusie van Eandis en Infrax tot Fluvius voor 150 miljoen euro kostenbesparingen kan opleveren, terwijl Fluvius zelf maximaal 110 miljoen euro haalbaar acht.

Zoals het er nu naar uitziet, zal het toegelaten inkomen niet volstaan om de werkelijke kosten te dekken. Het gevolg is een dalende rentabiliteit van Fluvius en uiteindelijk een kleinere vergoeding voor de gemeentelijke aandeelhouders. Berekeningen wijzen uit dat het voor de periode 2020-2025 zou gaan om een mogelijk verlies van 535 miljoen euro.

De VVSG heeft de VREG dan ook gevraagd haar huiswerk opnieuw te maken. De VVSG vindt dat de VREG de notie 'algemeen belang' te eenzijdig invult met alleen de verlaging van de energietarieven voor ogen. Dat dit uiteindelijk helemaal gefinancierd wordt met lokale publieke middelen, is onaanvaardbaar, zeker omdat gemeenten in hun pas afgewerkt meerjarenplan op dat geld hadden gerekend om beleid te voeren. De VVSG vreest ook voor een lagere kredietwaardigheid van Fluvius, waardoor de rentelasten van nieuwe leningen uiteindelijk hoger dreigen uit te komen dan die waar de VREG van uitgaat. Voor de versnelde uitrol van de digitale meters, een element uit het Vlaamse regeerakkoord, moet Fluvius in elk geval nieuwe leningen aangaan. Het kan niet de bedoeling zijn dat de gemeenten uiteindelijk opdraaien voor een deel van die rentelasten.

Jan Leroy