Auteur:

Gepubliceerd op: 10-03-2021

De Vlaamse regering keurde het ontwerpdecreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen een tweede maal goed. Dit decreet regelt onder andere de vorming van de woonmaatschappijen. De Vlaamse Regering heeft een aantal wijzigingen en verduidelijkingen aangebracht aan het eerder principieel goedgekeurde ontwerpdecreet. De voornaamste aanpassingen worden hier opgesomd.

Over het werkingsgebied

Een werkingsgebied moet bestaan uit één gemeente of een groep van geografisch aaneensluitende gemeenten. De Vlaamse regering kan een uitzondering toestaan op die aaneensluitendheid bij de vaststelling van de werkingsgebieden op basis van een gemotiveerd verzoek van de gemeenten die dergelijk voorstel indienen. De memorie van toelichting verduidelijkt dat een aaneensluitend werkingsgebied de transparantie van de organisatie van de sociale huisvesting ten goede komt en dat het ontbreken ervan een struikelblok kan zijn om sommige efficiëntiewinsten en schaalvoordelen te bereiken. Het is met andere woorden wel de bedoeling dat de eventuele uitzonderingen die hierop door de Vlaamse Regering worden toegestaan, inspelen op deze doelstellingen.

Over de participatie van de lokale besturen in de woonmaatschappij

De memorie van toelichting verduidelijkt dat lokale besturen aandeelhouder kunnen zijn van de woonmaatschappij. Op basis van het decreet lokaal bestuur kunnen lokale besturen immers niet participeren in de besloten vennootschap die de woonmaatschappij zal zijn. Het (ontwerp)decreet wordt echter aanzien als een ‘lex specialis’, een uitzonderingswetgeving, waardoor die voorrang krijgt op het decreet lokaal bestuur. Participatie van de lokale besturen aan de woonmaatschappij, één van de uitgangspunten van de regelgeving, is dus mogelijk. Het ontwerpdecreet waarborgt ook dat elke gemeente of OCMW het recht heeft om te participeren in de woonmaatschappij die bevoegd is voor hun grondgebied. Als een gemeente of OCMW nog geen aandeel heeft in de woonmaatschappij zal die de mogelijkheid krijgen om in te tekenen op minstens één aandeel.

Over het bestuur van de woonmaatschappij

De lokale besturen zullen in de woonmaatschappij samen steeds de meerderheid van de stemrechten hebben. Het ontwerpdecreet voorziet dat de Vlaamse Regering de verhouding van de stemrechten tussen de gemeenten en OCMW’s vaststelt aan de hand van objectieve criteria die verband houden met het woonbeleid. In het aan de gemeenten gevraagde advies en voorstel tot samenstelling van het werkingsgebied, zal hen tevens worden gevraagd om een voorstel van deze onderlinge stemverhouding te formuleren. De in dat voorstel gehanteerde onderlinge stemverhouding zal moeten steunen op objectieve criteria die verband houden met het woonbeleid, waaronder minstens het aantal sociale huurwoningen per gemeente en het aantal huishoudens per gemeente.

Inzake het dagelijks bestuur van de woonmaatschappij geeft het ontwerpdecreet aan dat het dagelijks bestuur in elke woonmaatschappij, naast de directeur, kan bestaan uit twee bezoldigde bestuurders. In woonmaatschappijen met een werkingsgebied vanaf 15 gemeenten of 5.000 woningen in beheer kan het dagelijks bestuur maximaal 4 bezoldigde mandaten tellen.  Dit dagelijks bestuur zal - als de raad van bestuur ervoor kiest - alle taken van wat nu in sommige SHM’s bestaande directiecomité uitvoeren, kunnen opnemen.

Het bestuursorgaan en het dagelijks bestuur kunnen één of meer comités oprichten waaraan het één of meer bijzondere volmachten verleent. Deze comités zouden dus meer dan een adviserende rol kunnen opnemen. Hierdoor  - ook in grotere werkingsgebieden- alle lokale besturen voldoende betrokken worden bij de strategische en operationele keuzes van de woonmaatschappij. Wel kunnen enkel de leden van het bestuursorgaan bezoldigde mandaten opnemen, ook in het eventuele dagelijks bestuur of in eventueel op te richten comités.

Over het patrimonium

Zoals eerder aangegeven zal er een herinvesteringsverplichting van de venale waarde gelden bij de overdracht van sociaal woonpatrimonium naar een derde partij die de woning niet langer sociaal verhuurd. Die venale waarde moet geherinvesteerd worden in de sociale huisvestingssector.

Het ontwerpdecreet voorziet een afwijking op de verplichting tot terugbetaling van subsidies wanneer de het lokale bestuur beslist om een sociale huurwoning niet langer te verhuren volgens de regels van de sociale huur, op een ogenblik dat de verbintenissentermijn nog niet is verstreken. Zonder deze toevoeging zou in principe een “cumul” gelden van de herinvesteringsverplichting en de sanctie verbonden aan de niet naleving van de verbintenissentermijn. Dit wordt beleidsmatig niet wenselijk geacht. De afwijking geldt zowel voor subsidiebesluiten die een uitdrukkelijke verbintenissentermijn bevatten als subsidiebesluiten met een impliciete, oneindige verbintenissentermijn.

Over de overgangsbepalingen voor SVK’s

Voor de SVK’s met de rechtsvorm van een OCMW of welzijnsvereniging wordt de mogelijkheid geboden hun sociale huisvesting-activiteiten, om niet of ten bezwarende titel, over te dragen als ‘algemeenheid’ of ‘bedrijfstak’ op overeenkomstige wijze als voorzien in het wetboek van vennootschappen en verenigingen.  Voor die overdrachten worden dezelfde voorwaarden en modaliteiten voorzien als voor de SVK’s met vzw-rechtsvorm.

Dit ontwerpdecreet wordt nu geadviseerd door de Raad van State.

Klik door naar de volledige teksten:

Joris Deleenheer