Auteur:

Gepubliceerd op: 19-05-2021

Op vrijdag 7 mei keurde de Vlaamse Regering, na advies van de Raad van State het ontwerp van decreet dat het huidige Vlaamse integratie- en inburgeringdecreet wijzigt definitief goed. Het gewijzigde decreet moet zo uitvoering geven aan de ambities uit het Vlaamse Regeerakkoord 2019-2024 over de hertekening van inburgering en het aanpassen van het integratiebeleid. Zo komt er een vierde pijler sociale  netwerking en participatie waarvan de lokale besturen de regierol krijgen, inburgering wordt vanaf 2022 betalend, Vlaanderen wil werk maken van geïntegreerde intake met de belangrijkste actoren waaronder ook de lokale besturen en er komen wijzigingen bij het sociaal tolken. Het ontwerp van wijzigingsdecreet wordt nu ingediend bij het Vlaams Parlement. De Vlaamse regering stelt dat de hertekening van het inburgeringsbeleid geen impact zal hebben op de lokale besturen. De VVSG betwijfelt dit en vraagt dat Vlaanderen deze wijzigingen over het inburgeringsbeleid nauwkeurig inventariseert en monitort. Indien nieuw Vlaams beleid extra taken en kosten voor de lokale besturen met zich meebrengt, vraagt de VVSG aan Vlaanderen het belfortprincipe te respecteren.

We overlopen de belangrijkste wijzigingen met impact op lokale besturen:

1. Vierde pijler inburgering: sociale netwerking en participatie

Het inburgeringstraject bestaat vanaf volgende jaar uit vier pijlers: lessen Nederlands, maatschappelijke oriëntatie, versterken van de economische zelfredzaamheid en de vierde pijler sociale netwerking en participatie. Elke verplichte inburgeraar die niet werkt of niet studeert op het ogenblik van het ondertekenen van het inburgeringscontract neemt deel aan een traject ‘sociale netwerking en participatie’. Dit kan op verschillende manieren ingevuld worden: in de vorm van een buddyproject, een kennismakingsstage bij een bedrijf, vereniging, organisatie of lokaal bestuur, een initiatie in het vrijwilligerswerk. Lokale besturen krijgen hierover de regie.

  • Deze vierde pijler is een absolute meerwaarde bij het huidige inburgeringstraject en maakt een noodzakelijk brug naar de eigenlijke integratie in de lokale samenleving. Bestaande initiatieven in gemeenten tonen aan dat ze een succesvolle factor vormen voor de participatie van inburgeraars en andere nieuwkomers in de (lokale) samenleving effectief te laten participeren aan de samenleving en om de wederkerigheid van inburgering concreet te maken. Deze netwerking en participatietrajecten onderstrepen de rol van de ontvangende samenleving in het wederkerig karakter van processen van inburgering en integratie.
  • Wat echter met de financiering voor deze vierde pijler?  De huidige ervaring van lopende buddy- en andere participatie-initiatieven leert ons dat deze trajecten heel wat maatwerk en coördinatie vragen en dus extra personeelsinspanningen. De vierde pijler zal ook een minimale administratieve omkadering vragen die niet aan vrijwilligers kan worden overgelaten.
  • Een aandachtspunt is dat heel wat van deze huidige initiatieven vertrekken op basis van vrijwilligheid van deze nieuwkomers. Door deze trajecten te verplichten, plaatsen we deze projecten in een nieuw kader. Dit aspect moet zeker worden gemonitord en worden geëvalueerd.
  • Een proeftuin bereidt deze vierde pijler ‘participatie en netwerk’ verder voor. Met het Fonds voor Asiel en Migratie (AMIF) werd een proeftuin opgezet waarin totaal 55 Vlaamse gemeenten aan deel nemen. De VVSG vraagt de (voorlopige) resultaten van de proeftuin af te wachten om het nieuwe beleid verder uit te tekenen.

2. Inburgering wordt betalend

De Vlaamse regering heeft de keuze gemaakt om de inburgeraars zelf een bepaalde financiële verantwoordelijkheid te laten opnemen. Naast de onkosten bij het inburgeringstraject (vervoersonkosten, kosten voor cursussen en kinderopvang) zullen inburgeraars ook financieel moeten bijdragen voor hun inburgeringstraject.

In totaal zal het traject minimaal 360 euro kosten, maar dat bedrag moet niet meteen bij aanvang op tafel gelegd worden.

Elke stap kost 90 euro:

  •  Taalcursus tot basiskennis Nederlands 90 euro + test 90 euro
  • Maatschappelijke oriëntatie: 90 euro + test 90 euro

Wie niet slaagt voor de test, betaalt nog eens 90 euro.

  • De VVSG wil vermijden dat deze kostprijs wordt doorgeschoven naar de OCMW’s en vindt het belangrijk dat de Vlaamse overheid deze beslissing goed communiceert naar alle actoren en de nieuwkomers over de waarde van het inburgeringstraject en een duidelijk appel doet op de verantwoordelijkheid van de individuele inburgeraar om deze financiële bijdrage te leveren.
  • De VVSG vraagt daarbij ook aandacht voor OCMW-cliënten en andere kwetsbare inburgeraars, waarbij de Vlaamse overheid in oplossingen kan voorzien om de betaalbaarheid door deze doelgroepen haalbaar te maken.
  • Bovendien vraagt de VVSG dat de Vlaamse overheid deze en alle verdere beslissingen over het inburgerings- en integratiebeleid nauwkeurig inventariseert en monitort. Het aandeel OCMW-cliënten vooral bij de verplichte inburgeraars groot is. Veel van deze inburgeraars zullen voor de kosten en onkosten van inburgering wellicht bij de OCMW’s aankloppen wat niet de intentie is van deze beslissing, maar misschien wel een mogelijk gevolg.
  • Veel gemeenten hebben veel rechthebbende inburgeraars die baat hebben bij een inburgeringstraject. Door het betalend maken van inburgering haken deze rechthebbende inburgeraars misschien af. Ook dit moet nauwkeurig worden gemonitord en indien nodig worden geëvalueerd.

3. Versterken van het taalniveau na het inburgeringstraject

Voor het onderdeel NT2 binnen inburgering blijft Vlaanderen het taalniveau A2 vooropstellen. Inburgeraars moeten dit niveau behalen om hun inburgeringsattest te behalen. Verplichte inburgeraars die 2 jaar na het behalen van het inburgeringstraject niet werken of studeren zullen taalniveau B1 moeten behalen.Voor analfabeten en laaggeletterden blijft het huidige aangepaste taalniveau gelden. Wel wordt ook aan de VDAB gevraagd dat aan de inburgeraars die bij hen ingeschreven zijn en die geen job hebben, geen opleiding volgen of niet studeren, net zoals elke werkzoekende begeleiden in de zoektocht naar werk en hen erop wijzen dat ze in dat geval binnen 24 maanden na succesvolle afronding van het inburgeringstraject taalniveau B1 mondeling (luisteren en spreken) behaald moeten hebben.

  • De VVSG vraagt ook dat dit onderdeel wordt van de samenwerkingsakkoorden over regie en sanctionering. Zeker over de eigen cliënten moeten de OCMW’s betrokken worden.
  • Dat voor laaggeletterde en analfabeten de huidige aangepaste taalniveaus blijven gelden, is goed. Maatwerk is en blijft belangrijk.
  • Veel lokale besturen zetten in op oefenkansen Nederlands. Deze oefenkansen zijn en blijven essentieel voor het bereiken van het beoogde taalniveau. Ook deze inspanningen van lokale besturen moeten in kaart worden gebracht en worden ondersteund. De VVSG verwijst hierbij naar de Vlaamse Visietekst Taalbeleid (2018) en naar het  Advies Taal en nieuwkomers van de Taalunie (2019). Net als in de Vlaamse Visietekst pleit de Taalunie voor maatwerk, geïntegreerd leren en het stimuleren en faciliteren van taalcontacten. Lokale besturen spelen hier een belangrijke rol niet alleen voor de doelgroep van inburgeraars maar ook voor de vele andere nieuwkomers die Nederlands willen leren.

4. Doelgroep Inburgering

Verzoekers Internationale bescherming behoren niet langer tot de rechthebbende doelgroep van inburgering. Enkel deze die het statuut van 'erkend vluchteling' of 'subsidiair bescherming' toegewezen kregen, komen in aanmerking voor een inburgeringstraject.

  • De VVSG mist in dit decreet opnieu een betere afstemming met het federale opvangbeleid het regionale én  het lokale integratiebeleid. Specifiek denken we aan de verzoekers IB die afkomstig zijn uit een land waarvoor er een hoge beschermingsgraad geldt. Dit betekent dat er voor bepaalde nationaliteiten minstens 80% positieve beslissingen genomen worden gedurende een referteperiode. De LOI's zijn net bevoegd voor deze specifieke doelgroep. Fedasil zorgt voor een regelmatige actualisatie van deze lijsten.
  • Door het actuele federale opvangmodel stromen verzoekers IB met een hoge beschermingsgraad pas na 2 maanden verblijf in een collectief opvangcentrum door naar een lokaal opvanginitiatief (LOI). Voor de VVSG staat deze federale beslissing al haaks op de doelstelling om deze groep verzoekers IB sneller te integreren. De VVSG pleit dan ook voor een doorstroming naar de LOI na maximaal 1 maand en liefst zo snel mogelijk na aankomst. Nu houdt ook Vlaanderen geen rekening met deze specifieke doelgroep binnen de verzoekers IB.

5. Geïntegreerde intake

Om de verschillende onderdelen van inburgering af te stemmen is een geïntegreerde intake met alle actoren noodzakelijk. De Vlaamse regering wil daar deze legislatuur werk van maken.

  • De VVSG is blij met de plannen voor deze geïntegreerde intake en hoopt dat Vlaanderen lokale besturen nauw bij deze intake betrekt. Zoals reeds boven vermeld, zitten bij de inburgeraars heel wat OCMW-cliënten
  • Ook voor de vierde pijler is een absolute noodzaak om ook bij deze intake de lokale besturen te betrekken. De ervaringen uit de proeftuinen vierde pijler moeten ook voor de verdere uitwerking ervan worden meegenomen.

6. Sociaal tolken

Het Vlaamse Regeerakkoord 2019-2024 stelt dat “Inburgeraars tijdens hun inburgeringstraject beroep kunnen doen op de dienstverlening sociaal tolken en sociaal vertalen. De gebruikersoverheden financieren deze dienstverlening. Na deze periode dient de anderstalige zelf te betalen voor deze dienstverlening. Het project taalhulpen wordt verder uitgerold. “

De Vlaamse regering stelt: “Aan anderstaligen die een inburgeringstraject aan het volgen zijn, zal de Vlaamse overheid tussenkomen in de vergoeding van de tolkdienstverlening. De verantwoordelijkheid om aan te tonen dat men inburgeraar is ligt bij de anderstalige zelf. “

  • De VVSG begrijpt dat de Vlaamse regering het gebruik van het instrument sociaal-tolken wil beperken in de tijd. De Nederlandse taal is het bindmiddel bij uitstek in onze steden en gemeenten daarom ook is het heel belangrijk dat nieuwkomers snel onze taal leren. Heel wat gemeenten zetten in op het aanbieden van oefenkansen Nederlands en het doorverwijzen naar NT2-opleidingen en inburgering, vaak nog voor deze burgers gekend zijn bij de Agentschappen voor Inburgering. Met de voorliggende wijziging verbindt Vlaanderen het instrument van sociaal tolken en vertalen enkel aan bepaalde groep van nieuwkomers, met name inburgeraars tijden hun traject, terwijl de doelgroep nieuwkomers die nu gebruik maken van tolken veel ruimer is. Bovendien maken nieuwkomers juist meer gebruik van het instrument sociaal tolken en vertalen voor hun inburgeringstraject. Ook hier vraagt de VVSG aan Vlaanderen om het gebruik van het instrument van het sociaal tolken en vertalen goed te monitoren en dit instrument vooral efficiënt complementair met andere taalinstrumenten in te zetten. Wat met potentiële inburgeraars die bijvoorbeeld wel NT2 volgen, maar geen inburgeringscontract hebben ondertekend? (Van alle deelnemers die in het schooljaar 2019-2020 NT2 volgden, was maar 23% inburgeraar.).
  • De VVSG stelt ook opnieuw de vraag of lokale besturen op financiering kunnen rekenen van het Vlaamse niveau en haar verschillende gebruikersoverheden (Welzijn, Binnenlands Bestuur, Onderwijs, Gezondheid, Werk)? Zullen de Agentschappen Integratie en Inburgering nog dienstverlening kunnen organiseren (matching, administratie, kwaliteit) voor niet-inburgeraars? Wat bijvoorbeeld met verzoekers IB? Wat met potentiële inburgeraars die bijvoorbeeld wel NT2 volgen, maar geen inburgeringscontract hebben ondertekend?
  • De VVSG vraagt bovendien dat het hertekenen van de dienstverlening sociaal tolken gebeurt volgens de principes van service design. Service design draait om samenwerking. De gebruikers betrekken bij deze vernieuwde dienstverlening is essentieel. De afgelopen jaren is dit niet gebeurd waardoor lokale besturen vaak deze dienstverlening betalen voor andere organisaties en overheden. Hiervoor moet een oplossing gevonden worden.

7. Rondtrekkende woonwagenbewoners en personen zonder wettig verblijf niet langer doelgroep integratiebeleid

Rondtrekkende woonwagenbewoners en personen zonder wettig verblijf behoren niet langer tot de doelgroep van het integratiebeleid. Om het integratiebeleid te dynamiseren en alle betrokken domeinen te responsabiliseren en te ondersteunen in het voeren van een integratiebeleid werd de aanpak van het horizontaal beleid aangepast.

  • Woonwagenbewoners, rondtrekkende beroepsbevolking en zeker vreemdelingen zonder wettig verblijf zorgen voor heel wat uitdagingen bij de lokale besturen om de sociale cohesie in buurten en wijken te bewaren. Deze mogen niet alleen gedragen worden door de lokale besturen.
  • De VVSG vraagt een blijvende ondersteuning door Vlaanderen van specifieke doelgroepen. Dit is niet enkel de verantwoordelijkheid van de lokale besturen, maar een gedeelde verantwoordelijkheid. 

 

Sabine Van Cauwenberge