Auteur:

Gepubliceerd op: 12-03-2020

Recent sprak het Grondwettelijk Hof zich uit over de verenigbaarheid van de camerawetgeving met de grondrechten. De wetgever besloot in 2018 een onderscheid te maken tussen het cameragebruik voor politiediensten en het cameragebruik door andere personen en organisaties. Daarbij moest de wetgever rekening houden met de gevolgen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Daardoor werd onder meer een operationele analyse en privacy impact analyse verplicht voorafgaand aan het maken van beeldopnames of het leggen koppelingen of correlaties met beeldopnames. Dat daarbij doorgaans de functionaris voor de gegevensbescherming, de toezichthoudende autoriteit en/of de gerechtelijke autoriteiten geraadpleegd moeten worden, is voldoende om de privacytoets te doorstaan.

Ook de langere bewaartermijnen voor politionele beeldopnames (12 maanden) kunnen de toets aan de grondrechten doorstaan, aangezien deze beeldopnames slechts voor een beperkte tijd toegankelijk blijven en dat voorzien is van de nodige maatregelen, loggings en toezicht. Daarmee heeft de wetgever een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen het recht op eerbiediging van het privéleven en de nagestreefde doelstellingen van ordehandhaving en misdrijfbestrijding.

De uitrol van een nationaal ANPR-cameranetwerk, waarbij de lokale ANPR-politiecamera’s aangesloten worden op een nationale back-office AMS, kan daarmee ook voortgezet worden. VVSG onderzoekt samen met Informatie Vlaanderen hoe deze gegevens ook aangewend kunnen worden voor het realiseren van Vlaamse en lokale beleidsdoelstellingen.

De VVSG blijft gemeenten en politiezones ondersteunen met duiding en modeldocumenten. Op de website van de FOD Binnenlandse Zaken vindt u meer duiding en verwijzing naar infosessies.

Tom De Schepper