Auteur:

Gepubliceerd op: 08-07-2020

De Arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt dat wanneer een werkneemster verder heeft gewerkt tijdens de zes weken voor de bevalling, zij haar moederschapsrust na de negen weken verplichte rust met vijf weken kan verlengen. Deze vijf weken zijn facultatief en kunnen zowel voor de geboorte als na de verplichte postnatale rust worden opgenomen.

Voorheen was het zo dat wanneer een zwangere medewerkster ziek werd, een ongeval had, op tijdelijke werkloosheid werd gezet of preventief van de werkvloer werd verwijderd in de zes weken voor de bevalling, deze arbeidsongeschiktheid/tijdelijke werkloosheid gelijkgesteld werd aan het prenataal verlof. Het prenataal verlof dat niet werd opgenomen kon dus niet meer worden overgedragen na de postnatale rust en ging bijgevolg “verloren”.

De wet van 12 juni 2020 tot wijziging van de periodes die plaatsvinden tijdens de voorbevallingsrust en in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van de nabevallingsrust, bracht hier verandering in.

De nieuwe regeling voorziet dat de dagen van facultatief prenataal verlof die nog niet werden opgenomen, overgedragen kunnen worden na de negen weken verplichte postnatale rust. De inwerkingtreding van deze wet is retroactief vastgesteld op 1 maart 2020.

Sinds 1 maart wordt dus ook rekening gehouden met:

  • ziekte of ongeval;
  • tijdelijke werkloosheid wegens overmacht;
  • de werkverwijdering van een zwangere vrouw als maatregel van moederschapsbescherming.

Met andere woorden, als deze afwezigheden zich voordoen in de prenatale periode, dan wordt het moederschapsverlof niet langer ingekort.

Zie ook het nieuwbericht van het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) voor meer info. Inforumnr. 337129

Kujtime Pajazitaj