Auteur:

Gepubliceerd op: 13-07-2020

De Vlaamse Regering keurde op 10 juli 2020 principieel het besluit over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten goed. Met dit besluit geeft de Vlaamse regering uitvoering aan het decreet van 3 mei 2019 voor de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten.

Het decreet legt de verantwoordelijkheid voor de organisatie en afstemming bij de lokale besturen. Het lokaal bestuur zal beslissen over de besteding en verdeling van de beschikbare financiële, personele, logistieke en infrastructurele middelen, waaronder de decretaal bepaalde subsidie.

De VVSG betreurt dat er op vandaag geen duidelijkheid is over het bedrag dat een lokaal bestuur zal krijgen voor deze nieuwe opdracht op basis van de parameters en indicatoren opgenomen in het decreet en de overgangsfase tot 31 december 2026. De VVSG verwacht van de Vlaamse regering bovendien een duidelijk financieel groeipad.
 

Het Besluit lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten


Vlaamse beleidsprioriteiten:

In het besluit engageert de Vlaamse regering zich om lokale besturen een subsidie toe te kennen voor deze opdracht. Dat gebeurt binnen het kader van de Vlaamse beleidsprioriteiten. Het besluit definieert daarbij twee prioriteiten: de regierol en samenwerking enerzijds en de financiering van kleuteropvang met een kwaliteitslabel anderzijds.

Lokaal samenwerkingsverband:

Een lokaal samenwerkingsverband kan het lokaal bestuur adviseren, gezamenlijke operationele doelstellingen ontwikkelen en operationele acties coördineren. Het lokaal bestuur neemt het initiatief voor een dergelijk lokaal samenwerkingsverband en staat ook in voor de organisatie.

Als het lokaal bestuur ervoor kiest om de organisatie van het lokaal samenwerkingsverband niet op zich te nemen, doet het lokaal bestuur een oproep om dit geheel of gedeeltelijk over te laten aan een of meerdere actoren.

Bij gebrek aan initiatief van het lokaal bestuur, kunnen een of meer andere actoren ook zelf het initiatief nemen.

Neutraliteit en transparantie:

Het lokaal bestuur en elke initiatiefnemer of organisator van het lokaal samenwerkingsverband waarborgt de neutraliteit bij de uitvoering van de opdrachten door te werken op een transparante wijze. Er wordt ook voorzien in een procedure om klachten over de schending van de voormelde neutraliteit in te dienen en te behandelen.

Indien blijkt dat er ernstige indicaties zijn dat het lokaal bestuur of het lokaal samenwerkingsverband de neutraliteit schendt, onderneemt Opgroeien regie de volgende stappen:

  1. Initiatief voor dialoog met de betrokken actoren.
  2. Indien geen afdoende oplossing werd bekomen, zal het agentschap dit signaleren bij het Agentschap Binnenlands Bestuur of de actoren ondersteunen om dit te melden bij het Agentschap Binnenlands Bestuur.

Als het lokaal bestuur (of de organisator van het lokaal samenwerkingsverband) zelf een activiteit organiseert die relevant is voor buitenschoolse opvang en gerelateerde activiteiten, wordt zijn rol als organisator functioneel gescheiden gehouden van zijn rol als regisseur/organisator van het samenwerkingsverband. Deze scheiding van rollen kan bijvoorbeeld tot uiting komen in het organogram van de diensten of in het organisatiebeheersingssysteem van het lokaal bestuur.

Overdracht Kind en Gezin-subsidie aan lokaal bestuur voor 2027:

Organisatoren van buitenschoolse opvang die daar vandaag een subsidie van Opgroeien voor ontvangen behouden die subsidie gedurende een overgangstermijn van zes jaar (tot 1 januari 2027).

Het lokaal bestuur en elke organisator op het grondgebied van de gemeente met uitzondering van de vergunde opvang van baby’s en peuters kunnen een kortere overgangstermijn overeenkomen (ten vroegste vanaf 1 januari 2022). In dat geval wordt aan het lokaal bestuur tot 1 januari 2027 een subsidie toegekend waarvan het bedrag minstens gelijk is aan de totaliteit van de subsidies van de organisatoren op het grondgebied van de gemeente.

Toewijzing nieuwe middelen:

Vanuit het beleidsdomein welzijn, volksgezondheid, gezin en armoedebestrijding wordt gedurende deze Vlaamse beleidsperiode een inbreng voorzien van €6,3 miljoen bijkomende middelen, wat neerkomt op €3.3 miljoen in 2023 en €3 miljoen in 2024.

Om te bepalen welke lokale besturen deze bijkomende middelen krijgen in de overgangsfase zal er een rangschikking gemaakt worden van de gemeenten, op basis van drie criteria:

  • de huidige subsidies die worden toegekend in de gemeente aan organisatoren van buitenschoolse opvang door Opgroeien
  • het aantal kwetsbare gezinnen dat in de gemeente is gedomicilieerd
  • het aantal kinderen dat naar een basisschool gaat in de gemeente.

Die nieuwe subsidies zullen uitbetaald worden als een subsidiebedrag afhankelijk van het aantal kinderen in de gemeente. Het aantal kinderen per gemeente wordt als volgt berekend: het aantal kinderen van 2 tot en met 12 jaar dat gedomicilieerd is binnen de gemeente of ingeschreven is in het verblijfsregister van de gemeente weegt door voor 40% en het aantal kinderen dat naar een basisschool gaat die op het grondgebied van de gemeente ligt weegt door voor 60%.

Van de lokale besturen die de subsidie kunnen krijgen wordt verwacht dat zij concrete acties opnemen in hun strategische meerjarenplanning, die vermelden op welke manier zij hun regierol zullen uitoefenen. Als er geen of nauwelijks acties worden ondernomen, dan kan dat een grond zijn voor Opgroeien regie om voorlopig geen subsidie toe te kennen aan dat lokaal bestuur in kwestie.
 

Reactie VVSG


Duidelijkheid:

Het is de bedoeling om via een toekomstig besluit, tegen uiterlijk 1 januari 2022, de decretaal bepaalde subsidie verder te regelen. De VVSG betreurt dat er op vandaag geen duidelijkheid is over het bedrag dat een lokaal bestuur kan of zal krijgen op basis van de parameters en indicatoren opgenomen in het decreet, maar ook in de overgangsfase tot 31 december 2026.

De VVSG vraagt al meer dan 2 jaar duidelijkheid over:

  • De huidige subsidie die Kind en Gezin toekent en jaarlijks uitbetaalt aan organisatoren kinderopvang (per gemeente): het gaat hier over een overzicht van de toegekende middelen op basis van de diverse besluiten.
  • Het subsidiebedrag per kind per jaar waarop een lokaal bestuur zal recht hebben vanaf 1 januari 2027.

Bijkomend is er nood aan duidelijkheid over het subsidiesysteem en de subsidiebepalende factoren (vanaf 1 januari 2027). Concreet gaat dit over:

  • Verrekening aantal kwetsbare gezinnen
  • Verrekening aantal kinderen specifieke zorgbehoefte
  • Aandeel subsidiebedrag dat naar kleuteropvang met kwaliteitslabel moet gaan
  • Transitie (opbouw en afbouw subsidie, finaal tegen 2027)

Financieel groeipad:

De lokale besturen worden met dit decreet verantwoordelijk voor de buitenschoolse opvang en activiteiten voor alle kinderen (niet alleen kleuters). Deze verschuiving van verantwoordelijkheid (van Vlaanderen naar de lokale besturen) geeft lokale besturen de opdracht om een aanbod te ontwikkelen dat in voldoende mate beschikbaar, bereikbaar, bruikbaar, betaalbaar, betrouwbaar en kwalitatief is. In de toelichting bij het decreet is er duidelijk sprake van de nood aan een financieel groeipad om dit decreet uit te rollen.

Vlaams Minister Wouter Beke voorziet deze legislatuur extra middelen voor de uitrol van het decreet. Dit bedrag - ongeveer €123 per kind per jaar - aangevuld met de huidige middelen die vandaag al besteed worden aan de buitenschoolse opvang (circa 80 miljoen) zijn volgens de VVSG onvoldoende om elk lokaal bestuur in staat te stellen om de in het decreet geformuleerde ambities te realiseren. De VVSG verwacht daarom extra middelen van de Vlaamse regering en een duidelijk financieel groeipad.

Gefaseerde opstart:

Het BVR stelt in art. 5 dat de inkorting van de overgangstermijn enkel kan als elke organisator hiermee akkoord is. De VVSG vraagt zich af waarom het nodig is dat alle actoren akkoord zijn om eerder de overstap te maken en pleit voor een gefaseerde opstart waarbij een organisator de overstap kan maken zonder dat de andere organisatoren hiertoe verplicht worden.

Besluit kwaliteitslabel kleuteropvang

Naast dit besluit is er ook nog het besluit kwaliteitslabel kleuteropvang dat binnenkort geagendeerd zal worden op de Vlaamse regering.

Dit besluit tot toekenning van een kwaliteitslabel aan organisatoren van kleuteropvang vertrekt van het idee dat kinderen op kleuterleeftijd een nog grotere behoefte hebben aan een ‘veilig nest’ met de nodige zorg en begeleiding dan kinderen in het lager en het secundair onderwijs. Dat rechtvaardigt dat er specifieke kwaliteitsvoorwaarden gelden voor het aanbieden van dergelijke opvang op structurele basis. Het agentschap Opgroeien Regie (Kind en Gezin) zal het kwaliteitslabel toekennen aan die organisatoren die dit label aanvragen en voldoen aan deze kwaliteitsvoorwaarden.

Enkele voorwaarden gekoppeld aan het kwaliteitslabel:

  • Integriteit en beleidsvoerend vermogen als organisator om kleuteropvang te realiseren
  • Een toegankelijk en inclusief opvangaanbod
  • Het pedagogisch beleid
  • Een medewerkersbeleid
  • Periodieke evaluatie, klachtenbehandeling en gegevensuitwisseling

Een label aanvragen zou reeds kunnen vanaf 1 januari 2021.

Voor meer info kan je de volgende documenten naslaan: 

Ann Lobijn