Bestuurskrachtige plattelanders uit nr7-8 2017 p22.jpg
Provider image

Een aantal besturen peilde recent naar de verschillen in de vakantieregeling publieke en private sector. Lokale besturen kunnen namelijk tussen beide kiezen. Maar hoe de keuze maken en hoe een overstap aanpakken?

Vakantieregeling publieke sector en vakantieregeling private sector

Een van de meest in het oog springende verschillen is dat de opbouw van vakantiedagen in het vakantiestelsel private sector gebeurt op basis en a rato van de prestaties geleverd in het voorgaande jaar, het vakantiedienstjaar genaamd. In het vakantiestelsel publieke sector wordt het aantal vakantiedagen opgebouwd op basis van de arbeidsprestaties in het lopende jaar. (De opbouw van de vakantietoelage (of van het ‘dubbel vakantiegeld’) gebeurt overigens altijd op basis van de prestaties in het voorgaande jaar.) 

De vakantieregeling private sector is gebaseerd op de Jaarlijkse Vakantiewetten Werknemers, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 28 juni 1971. De juridische basis voor de vakantieregeling publieke sector is de lokale rechtspositieregeling, aangevuld met de dwingende minimale bepalingen die centraal vastgelegd zijn in het Rechtspositiebesluit Gemeente- en Provinciepersoneel van 7 december 2007 en in het Rechtspositiebesluit OCMW-personeel van 12 november 2010.

Het is toegelaten om het vakantiestelsel publieke sector toe te passen, zelfs als het bestuur slechts enkel contractanten in dienst heeft (Wet 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, art. 17).

Welke keuze maken?

Er zijn een aantal argumenten waarom het interessant is om de vakantieregeling publieke sector toe te passen. Zo sluit een vakantieregeling die gebaseerd is en opgebouwd wordt volgens de arbeidsprestaties in het lopende jaar, nauwer aan bij wat de Europese wetgeving vooropstelt, namelijk dat alle voltijds werkende werknemers recht hebben op 20 vakantiedagen binnen het jaar waarin de prestaties geleverd worden. Volgens de Belgische vakantieregeling private sector wordt het recht op vakantiedagen opgebouwd op basis van het voorgaande jaar. Deze regeling is daarom gewijzigd moeten worden door de invoering van de zogenaamde Europese aanvullende vakantie (wat eigenlijk een voorafname is van het enkel vakantiegeld dat in het erop volgende jaar verschuldigd is).

Ook is het vakantiestelsel publieke sector minder arbeidsintensief voor de personeelsdienst omdat er geen dubbele tellers (van het voorafgaande jaar en van het lopende jaar) moeten bijgehouden worden.

Ten slotte is er ook een belangrijk financieel voordeel: besturen die het vakantiestelsel publieke sector volgen betalen 0,40% loonmatigingsbijdrage minder en betalen geen 1,69% bijzondere bijdrage werkloosheid (die anders verschuldigd is als men meer dan 10 medewerkers in dienst heeft). Zie www.socialsecurity.be > ondernemingen > administratieve instructies > bijdragen of rechtstreeks via https://www.socialsecurity.be/employer/instructions/dmfa/nl/latest/instructions/socialsecuritycontributions/contributions.html#h23.

Het is ook belangrijk om te vermelden dat het vakantiegeld in het vakantiestelsel publieke sector berekend wordt op het salaris van de maand maart (evt. verhoogd met de haard- of standplaatstoelage), terwijl het vakantiegeld in het vakantiestelsel private sector berekend wordt op het aan RSZ onderworpen loon van de maand maart (dus een ruimer loonbegrip).

Ook is er een verschil bij langdurige arbeidsongeschiktheid: afwezigheden wegens arbeidsongeschiktheid tot 1 jaar blijven (toch) meetellen voor de opbouw van jaarlijkse vakantie in de vakantieregeling private sector (art. 36 en 43 Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie Werknemers 30 maart 1967). In de vakantieregeling publieke sector blijven enkel de afwezigheden gedekt door salaris mee  tellen voor de opbouw van vakantierechten. De raad heeft wel de ruimte om de periodes van disponibiliteit (statutairen) en van arbeidsongeschiktheidsuitkering (contractanten) toch te valideren voor de opbouw van de jaarlijkse vakantie (artikel 177 Rechtspositiebesluit Gemeente- en Provinciepersoneel van 7  december 2007, en het overeenkomstige artikel uit het Rechtspositiebesluit OCMW-personeel van 12 november 2010).

Sommige besturen kiezen er niettemin voor om de vakantieregeling private sector te blijven toepassen, bijv. omdat er veel in- en uitstroom naar de particuliere sector is en de vakantieregeling publieke sector - dat minder gekend is - vragen oproept. Met name bij uitdiensttreding van het personeelslid is het voor de betrokkene niet altijd duidelijk dat er geen afrekening meer moet gebeuren van de vakantiedagen in het voorgaande jaar, aangezien de vakantiedagen in het jaar van de prestaties zelf opgebouwd en opgenomen werden.

De moeilijkste klip is de concrete overstap voor het personeel dat al in dienst is. Immers, dat zou betekenen dat in één jaar tijd een personeelslid twee keer vakantierechten zal uitoefenen: een eerste keer op basis van de tewerkstelling opgebouwd in het voorbije jaar, zoals de private vakantieregeling bepaalt, en een tweede keer op basis van de tewerkstelling in het lopende werkjaar. Dat is een dubbele periode van afwezigheid waartegenover geen prestaties staan. Soms levert dat problemen op voor de continuïteit van de dienstverlening.  Het houdt ook een  - weliswaar eenmalige -  belangrijke financiële uitgave in. Het gaat niet om meerkosten, want deze vakantierechten zullen bij uitdiensttreding niet meer afgerekend en uitbetaald moeten worden. Lees in onze VVSG-suggesties ter vereenvoudiging van de vakantieregeling bij de lokale besturen hoe je de overstap het beste aanpakt.

Voor een lokaal bestuur is het belangrijk om minstens intern de discussie te voeren over het toepasselijke vakantiestelsel.