Voor een sterk lokaal bestuur

Kies hieronder uw thema

Recht op maatschappelijke integratie

Actuele bedragen leefloon, socio-professionele vrijstelling, inkomensgrenzen en terugvorderingschaal onderhoudsplichtingen

Vanaf 1 september 2017 verhogen de leefloonbedragen met middelen vanuit de welvaartsenveloppe. In een omzendbrief worden de aangepaste leefloonbedragen aan de OCMW’s meegedeeld.

Per 1 september 2017 bedraagt het leefloon:    

categoriebasisbedragjaarbedragmaandbedrag
samenwonend5.202,20 euro7.141,58 euro595,13 euro
alleenstaand7.803,31 euro10.712,38 euro892,70 euro
gezinslast10.404,42 euro14.283,19 euro1.190,27 euro

  

De meest recente aanpassing van de SPI-vrijstelling, de bedragen van de terugvorderingsschaal bij onderhoudsplichtigen,  het zakgeld van bewoners van ouderenvoorzieningen dateert van 1 juni 2017. Deze stijging was het gevolg van een indexatie. De omzendbrief dienaangaande vindt u hier.

Meer info: ocmw.wetgeving@vvsg.be

 

Vrijwilligerswerk versus Gemeenschapsdienst 

Sinds de invoering van de gemeenschapsdienst in het kader van de leefloonwetgeving, stellen heel wat maatschappelijk werkers in OCMW's zich vragen over het onderscheid tussen vrijwilligerswerk en de gemeenschapsdienst. Een korte duiding is dus op zijn plaats.

De vrijwilligerswetgeving[1]  

De wet op vrijwilligerswerk omschrijft wat vrijwilligerswerk inhoudt. Vrijwilligers stellen uit vrije wil, onbetaald een deel van hun tijd ter beschikking van een organisatie. Er is dan sprake van vrijwilligerswerk als:

  • mensen zich inzetten in een organisatie die geen winst nastreeft;
  • ze dit onbezoldigd doen: vrijwilligerswerk wordt nooit betaald; vrijwilligers mogen wel een kostenvergoeding ontvangen, maar volgens de wettelijke regeling.
  • ze dit vrijwillig doen: niemand kan gedwongen worden om vrijwilligerswerk te doen. Een stage, een PWA-opdracht, gemeenschapsdienst of een alternatieve sanctie,… is daarom geen vrijwilligerswerk volgens de wet.

Vanaf de leeftijd van 16 jaar mag iedereen vrijwilligerswerk doen. Er zijn geen nationaliteitsvereisten aan verbonden. Wanneer een leefloner vrijwilligerswerk wil doen dan brengt hij zijn persoonlijke dossierbeheerder bij het OCMW vooraf op de hoogte. Die moet zijn akkoord geven.

 

De gemeenschapsdienst[2]

Volgens de wet bestaat een gemeenschapsdienst uit het verrichten van activiteiten op een vrijwillige basis die positief bijdragen aan het persoonlijk ontwikkelingstraject van de betrokkene en de gemeenschap.

Het verrichten van een gemeenschapsdienst gebeurt op een vrijwillige basis. Het verrichten van een gemeenschapsdienst is één van de elementen aan de hand waarvan kan beoordeeld worden of de betrokkene werkbereid is. De loutere weigering tot het opnemen van een gemeenschapsdienst in een GPMI kan op zich geen reden zijn om te besluiten dat iemand niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en dus niet werkbereid is.  Als een gemeenschapsdienst in het GPMI wordt opgenomen (en dus door de cliënt aanvaard wordt), maakt de gemeenschapsdienst onlosmakelijk deel uit van dat GPMI.

Andere belangrijke elementen bij het aanbieden van een gemeenschapsdienst zijn:

  • beschikbaarheid op de arbeidsmarkt mag niet verminderen
  • de activiteiten mogen niet behoren tot een betaalde tewerkstelling en dit ongeacht of die tewerkstelling in het kader van een statutaire aanstelling of een arbeidscontract wordt uitgeoefend; dit geldt ook voor de arbeidscontracten die in het kader van een tewerkstellingsmaatregel werden opgesteld
  • gemeenschapsdienst mag niet gebruikt worden ter vervanging van de proefperiode, tewerkstellingstest, …

 

Zelfde leest, maar toch anders!

Zowel in het kader van de vrijwilligerswetgeving als de gemeenschapsdienst is het kernwoord 'vrijwilligheid'. Dit houdt ontegensprekelijk in dat niemand kan gedwongen worden om vrijwilligerswerk te doen.

Bij het begeleiden van personen met een leefloon moet dit steeds voor ogen gehouden worden. Wanneer men iemand vraagt om vrijwilligerswerk te doen en men maakt daarover afspraken in een facultatief GPMI, dan is dit te plaatsen in begeleidingskader waarbinnen met de cliënt stapjes worden gezet om te werken aan zijn sociale participatie. Dit duidelijk op basis van vrijwilligheid, zoals bedoeld wordt in de vrijwilligerswet. De eventuele beoordeling van het al dan niet volbrengen van die vrijwillige activiteiten kunnen m.i. an sich niet leiden tot enige sanctionering in het kader van de leefloonwetgeving, daar dit volledig zou indruisen tegen de geest en de essentie van het vrijwilligerswerk.

Daarnaast creëerde de wetgever sinds 1/11/2016 de mogelijkheid om een leeflooncliënt een gemeenschapsdienst aan te bieden en dit in een GPMI (met alle door de wet vereiste afspraken) op te nemen. Dergelijke gemeenschapsdienst, gericht op activering, vertrekt eveneens vanuit het uitoefenen van vrijwillige activiteiten, zoals in de vrijwilligerswetgeving, en de cliënt is ook vrij om het aanbod al dan niet te aanvaarden, normaliter zonder gevolg voor zijn leefloon.

De gemeenschapsdienst kent, in tegenstelling tot het zuivere vrijwilligerswerk, ook heel wat criteria waaraan voldaan moeten worden. De activiteiten moeten gericht zijn op mogelijke toekomstige tewerkstelling, maar het mag geen stage of proefperiode zijn, de cliënt moet ter beschikking blijven van de arbeidsmarkt, de activiteiten moeten bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling van de cliënt en tegelijk een bijdrage zijn aan de gemeenschap. Ook al gaat om vrijwillige activiteiten, op het moment dat de cliënt deze aanvaardt, wordt duidelijk gesteld dat alle wettelijk elementen spelen en er met andere woorden ook kan gesanctioneerd worden en er een invloed kan zijn op de beoordeling van de werkbereidheid.

Er is dus een duidelijk verschil tussen vrijwilligerswerk (dat als kern de absolute vrijwilligheid in zich draagt en waarvan het versterken van de sociale participatie van een vrijwilliger zowel nuttig moet zijn voor de cliënt als voor de vereniging waarbinnen eventuele activiteiten worden opgenomen) en de gemeenschapsdienst (wanneer aanvaard is de vrijwilligheid relatief en is ook duidelijk gericht op activering, waardoor het een van de trajecten kan zijn naast alle anderen in het kader van een activeringsbeleid). Het is aan de maatschappelijk werkers van de OCMW's dit ten allen tijde in het achterhoofd te houden met het oog op een degelijke begeleiding op maat van de cliënten.

 

Peter Hardy - Stafmedewerker OCMW Wetgeving – ocmw.wetgeving@vvsg.be


[1] Wet betreffende de rechten van vrijwilligers van 3 juli 2005

[2] Op basis van omzendbrief van 12 oktober 2016 naar aanleiding van de wet van 21 juli 2016 houdende wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie

 

 

Gebrek aan medewerking in leefloondossiers 

 

De meeste OCMW's deden dit al in de praktijk, maar er was discussie in de rechtspraak. Sommige rechtbanken oordeelden dat dit niet kon omdat zo een extra voorwaarde wordt opgelegd aan het leefloon. Het Hof van Cassatie heeft op 30.11.2009 anders beslist (www.cass.be). Het OCMW dat door een gebrek aan medewerking van de aanvrager niet over de nodige informatie beschikt om de toekenningsvoorwaarden te onderzoeken, mag het leefloon weigeren.


Geen leefloon bovenop opleidingsuitkering RVA


Iemand die een individuele beroepsopleiding in een onderneming (IBO) volgt, krijgt een productiviteitspremie van de onderneming en (soms) een opleidingsuitkering van de RVA. Voor de berekening van het leefloon is de productiviteitspremie vrijgesteld, de opleidingsuitkering niet. Dat werd bevestigd door de Arbeidsrechtbank van Brussel (Inforum nr. 246142). De POD past haar interpretatie aan. 

 

 

  


Navigatie