Het spreidingsplan voor asielzoekers
In 1995 voert de regering het wachtregister en het spreidingsplan in. Met deze instrumenten wil zij de financiële lasten voor de opvang van asielzoekers spreiden over al de OCMW’s. Via een quotaregeling op basis van het aantal inwoners, het aantal in de gemeente wonende leefloongerechtigden en asielzoekers en het gemiddeld belastbaar inkomen van de inwoners, worden de asielzoekers over de OCMW’s verdeeld. Indien het OCMW een Lokaal Opvanginitiatief (LOI) heeft opgericht, mag het van het quotum het dubbel aantal LOI-opvangplaatsen voor volwassenen aftrekken. De asielzoeker kan enkel van het toegewezen OCMW maatschappelijke dienstverlening (in de praktijk financiële steun) krijgen. De toewijzing (code 207 in het wachtregister) houdt enkel het opleggen van een administratieve verblijfplaats in. Er wordt geen verplichte feitelijke verblijfplaats aan de asielzoeker opgelegd. De grondwet garandeert het recht op vrije woonstkeuze ook voor asielzoekers die hun woonplaats bijgevolg volledig vrij kunnen kiezen.
Feitelijke spreiding was aanvankelijk wel het doel van de regering maar omwille van de grondwet stelde de regering zich tevreden met administratieve en financiële spreiding. Om toch zoveel mogelijk feitelijke spreiding te realiseren, zet de regering de OCMW’s steeds meer onder druk door de regels m.b.t. de terugbetaling van de door het OCMW verleende steun aan te passen.Concreet betekent dit dat voor elke asielzoeker, toegewezen voor 1 juni 2002, een ondertekende verklaring in het dossier moet zitten waarin de asielzoeker het gedane huisvestingsaanbod weigert. Voor elke asielzoeker, toegewezen na 1 juli 2002, die niet in de eigen gemeente woont, moet het OCMW een geïndividualiseerd dossier indienen dat aantoont dat het effectief een geschikte en betaalbare woning heeft aangeboden en dat de asielzoeker dat aanbod niet wou aanvaarden.
Ondanks het spreidingsplan kiezen asielzoekers toch vaak voor een woonplaats in de steden. Dit spreidingsplan heeft trouwens heel wat nadelen. Het toegewezen OCMW kan de asielzoeker vanop afstand niet dezelfde kwaliteitsvolle begeleiding geven. De asielzoekers komen terecht bij huisjesmelkers. In de steden verhoogt de druk op het samenlevingsweefsel steeds meer. En de door de overheid nagestreefde feitelijke spreiding van asielzoekers is geen stap dichterbij.
Ook bij de materiële opvang wordt er gewerkt met een code 207 in het wachtregister. Er zijn dus eigenlijk twee soorten codes 207. Ofwel is er een code 207 OCMW en dan heeft de asielzoeker recht op maatschappelijke dienstverlening door het toegewezen OCMW. Ofwel is er een code 207 opvangstructuur en dan heeft de asielzoeker alleen recht op materiële opvang in de hem toegewezen opvangstructuur. Het toekennen van een code 207 opvangstructuur heeft echter niets te maken met het spreidingsplan. Deze toewijzingen gebeuren niet op basis van een formule en quota. In tegendeel, er wordt gezocht naar de meest geschikte opvangplaats in het netwerk. Bovendien zijn alle opvangstructuren ofwel in beheer van de federale overheid zelf (federale opvangcentra) ofwel vrijwillige opgericht door de opvangpartner (Rode Kruis/Croix Rouge, Socialistische Mutualiteit, NGO's of de door de OCMW's georganiseerde lokale opvanginitiatieven). Hier is er dus geen sprake van dwang en financiële sancties zoals bij eigenlijke spreidingsplan.
Het einde van het spreidingsplan?
Sinds 1 juni 2007 hebben asielzoekers tijdens de hele asielprocedure recht op materiële opvang. De federale overheid stapt dus af van de mogelijkheid om financiële steun toe te kennen aan asielzoekers. Is er dan eigenlijk nog wel nood aan een spreidingsplan?
Aangezien de Opvangwet de mogelijkheid voorziet om aan vreemdelingen met het statuut tijdelijke bescherming een code 207 OCMW toe te kennen aan de hand van het spreidingsplan, kan de regelgeving over het spreidingsplan niet worden afgeschaft. Zodra er vreemdelingen met het statuut tijdelijke bescherming zijn, moeten die immers aan de hand van het spreidingsplan aan een OCMW kunnen worden toegewezen.
Bovendien bevat de Opvangwet twee vangnetbepalingen. In twee gevallen kunnen asielzoekers in procedure toch met toepassing van het spreidingsplan aan een OCMW toegewezen worden voor de toekenning van maatschappelijke dienstverlening.
De voorwaarden verbonden aan de toepassing van de eerste mogelijkheid om asielzoekers met toepassing van het spreidingsplan aan een OCMW toe te wijzen, zijn niet zo makkelijk te vervullen. Eerst moet er een evaluatie van de behandelingstermijn van de asielprocedures gebeuren. Indien uit die evaluatie blijkt dat een te hoog aantal asielprocedures niet binnen de op het moment van de evaluatie door de federale overheid te bepalen streeftermijn wordt behandeld (hoe hoog dat percentage moet zijn, zal de federale overheid ook op het moment van de evaluatie bepalen), kan er bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit een maximale verblijfsperiode in de materiële opvang in de Opvangwet worden ingeschreven. De federale overheid zal op dat moment bepalen hoelang die termijn kan zijn. Indien de behandelingstermijn in een bepaalde asielprocedure dan deze maximale verblijfsperiode in de materiële opvang overschrijdt, zal de asielzoeker op dat moment een code 207 OCMW krijgen aan de hand van het spreidingsplan.
De voorwaarden verbonden aan de toepassing van de tweede mogelijkheid om asielzoekers met toepassing van het spreidingsplan aan een OCMW toe te wijzen, zijn een stuk makkelijker te vervullen. Wanneer een rapport van Fedasil aantoont dat er overbezetting is, kan de Ministerraad met een gewone beslissing overgaan tot de toepassing van het spreidingsplan.
Tot nu toe (augustus 2011) werd geen van beide mogelijkheden gebruikt. De federale overheid wou het spreidingsplan na 1 juni 2007 niet meer toepassen om asielzoekers op een bepaald ogenblik systematisch door te verwijzen naar OCMW’s (keuze materiële opvang tijdens hele duur van de asielprocedure). De federale overheid heeft het spreidingsplan in de loop van 2009 moeten gebruiken in het kader van de maatregelen om de overbezetting van het opvangnetwerk voor asielzoekers tegen te gaan maar dat ging nog over de toepassing van de oude wettelijke bepalingen op asielzoekers die hun asielaanvraag voor 1 juni 2007 ingediend hadden en die nog in de opvangstructuren verbleven omdat hun aanvraag nooit ontvankelijk verklaard werd. Dat ging dus niet over de toepassing van het spreidingsplan op basis van één van de wettelijke bepalingen uit de Opvangwet. Het is onduidelijk of het bij dit éénmalig hergebruik gaat blijven.