Voor een sterk lokaal bestuur

Kies hieronder uw thema

Belangrijke hervorming van de financiering van de pensioenen op komst




De federale regering is van plan belangrijke maatregelen te nemen voor de financiering van de pensioenen, in het bijzonder voor de financiering van de lokale ambtenarenpensioenen. Ze heeft hiertoe op 20 juli een voorontwerp van wet goedgekeurd, na onderhandelingen met de vakorganisaties op 30 juni 2017. De Raad van State moet nu zijn advies uitbrengen. In het najaar zou de federale regering het wetsontwerp indienen in het federale parlement.

In dat voorontwerp staan volgende thema's: 

      • het niet meer in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als niet-vastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector,
      • een stimulans om een aanvullend pensioen op het lokale overheidsniveau uit te werken via de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerd Pensioenfonds,
      • aanpassingen aan de Wet Aanvullende Pensioenen,
      • snellere betaling van de responsabiliseringsbijdrage  verschuldigd door sommige besturen aangesloten bij het Gesolidariseerde Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen,
      • bijkomende middelen voor het genoemde Gesolidariseerde Pensioenfonds.

Waarover gaat het concreet?

a)     Er komt een gemengd pensioen, waarbij de prestaties onder een arbeidsovereenkomst in de openbare sector een werknemerspensioen opleveren en de prestaties als statutair personeelslid een ambtenarenpensioen. Ingangsdatum: voor vaste benoemingen vanaf 1 december 2017.
Dat is een goede zaak waarvoor de drie verenigingen van gemeenten altijd al gepleit hebben. 

b)     Om die reden (invoering van het gemengd pensioen) wordt de regularisatiebijdrage bij de (vaste) benoeming van een personeelslid van een lokaal bestuur dat meer dan vijf jaren onder een arbeidscontract in dienst was, vanaf 2017 opgeheven (dus nog voor ze ooit in werking is kunnen treden). In dezelfde lijn zullen bij de vaste benoeming van de lokale overheidsmedewerker die voor zijn contractuele prestaties een aanvullend pensioen opbouwde, de verworven reserves vanaf 2017 niet meer overgedragen worden naar de instelling die instaat voor de financiering van de ambtenarenpensioenen (voor de meeste lokale besturen is dat ondertussen het Gesolidariseerd Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, in de schoot van de Federale Pensioendienst).
De kwijtschelding van de regularisatiebijdrage is begrijpelijk, maar houdt opnieuw een onderfinanciering van de ambtenarenpensioenen van de lokale besturen in, althans voor de (vaste) benoemingen van contractanten tussen 1 januari 2017 en 30 november 2017, wat niet correct is want de werkgeversbijdragen van lokale besturen op het salaris van een statutair personeelslid bedragen nu al 49,48% (!) waarvan 34% om de lokale ambtenarenpensioenen te financieren. Voor een derde van de lokale besturen komt daarbovenop een responsabiliseringsbijdrage (zie verder). 

c)     Het zal vanaf 1 december 2018 niet meer nodig zijn om vijf jaren als statutair personeelslid gewerkt te hebben om recht te hebben op een ambtenarenpensioen.
Dit was een van de aanbevelingen van de ombudsdienst pensioenen nu meer mensen een gemengde loopbaan (als werknemer, als zelfstandige of als ambtenaar) hebben en is uiteraard een goede zaak.

d)     Samen met de invoering van het gemengd pensioen wil de federale overheid de overheidswerkgevers aansporen om een aanvullend pensioen op te bouwen voor hun contractuele personeelsleden. Aangezien de federale overheid niet bevoegd is om een tweede pensioenpijler op te leggen (sinds 2001 zijn de gewesten bevoegd om salaris en aanvullende loonvoordelen van de lokale besturen vast te stellen) kan ze dit enkel doen via een 'aanmoediging'. De federale regering voorziet daarom in een financiële incentive voor een tweede pensioenpijler via een korting op de responsabiliseringsbijdrage.

(over de responsabiliseringsbijdrage bij lokale besturen:

De financiering van het ambtenarenpensioen is een repartitiesysteem en wordt gedragen door bijdragen op het salaris van de actieve statutaire personeelsleden in dienst. Wanneer de basisbijdrage van 41,5% op het salaris van statutaire personeelsleden in dienst niet volstaat om de pensioenen van de gepensioneerde personeelsleden van het betrokken lokaal bestuur te betalen, moet het bestuur een extra bijdrage betalen, de responsabiliseringsbijdrage. De lokale besturen in België staan immers volledig zelf in voor de financiering van hun lokale ambtenarenpensioenen, in tegenstelling tot de andere overheidsniveaus en in tegenstelling tot de financiering van de werknemers- of zelfstandige pensioenen. In theorie moet het bestuur dat een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd is het volledige verschil betalen tussen wat het bijdraagt via de basispensioenbijdrage op het salaris van de actieve ambtenaren in dienst  enerzijds en de pensioenlasten van haar voormalige statutaire personeelsleden anderzijds. Maar de wet bepaalt dat slechts een percentage aangerekend wordt. Dat percentage is de responsabiliseringscoëfficiënt, die jaarlijks vastgesteld wordt en niet lager mag liggen dan 50%.  Het Gesolidariseerd Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, dat instaat voor de financiering van de lokale ambtenarenpensioenen van de meeste lokale besturen, recupereert dit saldo van de betrokken besturen. In de praktijk is één op drie lokale besturen een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd. Meer info.)

De financiële incentive houdt een korting op de responsabiliseringsbijdrage in voor besturen die een aanvullend pensioen toekennen van minstens 2% pensioenbijdrage vanaf 2019 en minstens 3% vanaf 2020 (= ondergrens). Voor lokale besturen die niet werken met een tweede pensioenpijler in de vorm van vaste bijdragen (defined contributions) maar van vaste prestaties (defined benefit) zijn aangepaste voorwaarden bepaald. De korting zou de helft van de bijdrage voor het aanvullend pensioen - inclusief de erop verschuldigde werkgeversbijdrage – bedragen tot maximum (de helft van) 6% pensioenbijdrage (= bovengrens). De ministerraad kan evenwel beslissen dat méér dan de helft van de pensioenbijdrage als korting op de responsabiliseringsbijdrage wordt ingebracht.
Aangezien de financiering van de lokale ambtenarenpensioenen een gesloten doos is (er is geen externe financiering) moet de 'korting' betaald worden door een verhoging van de responsabiliseringsbijdrage van de besturen die niet aan de voorwaarden voldoen… Het ene lokaal bestuur zal dus aan het andere lokaal bestuur moeten betalen.

De drie verenigingen van lokale besturen hebben altijd gepleit voor de invoering van een gemengd pensioen (zie hoger) gekoppeld aan een veralgemeende invoering van een voldoende hoog aanvullend pensioen voor de contractueel aangestelde medewerkers. Maar met de voorgestelde financiële incentive als korting op de responsabiliseringsbijdrage gaan we absoluut niet akkoord.

Het beheerscomité van het Gesolidariseerd Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen waarin de vertegenwoordigers van de lokale besturen én de vakorganisaties zetelen, heeft over de financiële incentive als korting op de responsabiliseringsbijdrage twee keer een unaniem negatief advies gegeven, omdat het plan van de minister een mattheuseffect veroorzaakt, aangezien de besturen die over voldoende financiën beschikken om een (voldoende hoge) tweede pijler uit te bouwen de 'ontvangers' van de incentive en de besturen die daarover niet beschikken de 'betalers' van de incentive zullen zijn.

Bovendien zit het systeem niet goed in elkaar: wat als alle besturen een aanvullend pensioen toekennen dat aan de voorwaarden voldoet: op welk bestuur moet dan de korting op de responsabiliseringsbijdrage verrekend worden?

Ten slotte zijn de financiering van de ambtenarenpensioenen (een repartitiesysteem) en de financiering van de tweede pensioenpijler (een kapitalisatiesysteem) twee aparte financieringssystemen die beter niet met elkaar vermengd worden. Anders gezegd, de redenen waarom besturen in voorkomend geval een responsabiliseringsbijdrage moeten betalen heeft te maken met een pensioenlast die in het verleden werd opgebouwd en staat helemaal los van de eventuele uitbouw van een tweede pijler.

e)     De responsabiliseringsbijdrage waarvan hierboven sprake en die door 1/3 van de lokale besturen verschuldigd is, is nodig om de rekeningen van het Gesolidariseerd Pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen sluitend te maken. In de Wet van 24 oktober 2011 (dat de financiering van de lokale ambtenarenpensioenen regelt) is daarom bepaald dat de responsabiliseringsbijdrage pas definitief verschuldigd is in het jaar volgend op het jaar waarop het betrekking heeft. Maar dit heeft tot gevolg dat er gedurende een tot anderhalf jaar een prefinanciering moet gebeuren, die tot nu toe door reserves gedragen werd. Om verdere thesaurieproblemen te vermijden is het echter nodig om de responsabiliseringsbijdrage te laten betalen in het jaar waarop ze van toepassing is (dus niet meer in het jaar N+1) en om met maandelijkse voorschotten te werken.
Vanaf 2018 zouden lokale besturen hun eventuele responsabiliseringsbijdrage al in maandelijkse voorschotten moeten betalen.

Bovendien zal, op een door de federale regering te bepalen datum, de responsabiliseringsbijdrage gefaseerd naar voor geschoven worden. Zo bijv. zou het kunnen dat lokale besturen in 2019  al een deel van de responsabiliseringsbijdrage van 2019 verschuldigd zijn (bijv. 30%) naast de responsabiliseringsbijdrage voor het jaar 2018, onder voorbehoud van een koninklijk besluit hierover.
Het mogelijke liquiditeitsprobleem van het Gesolidariseerd Pensioenfonds is inderdaad een gevolg van de late eisbaarheid en betaling van de responsabiliseringsbijdrage, een systeem dat wettelijk verankerd is in de genoemde wet van 24 oktober 2011. Het is daarom verdedigbaar om de responsabiliseringsbijdrage gefaseerd vooruit te schuiven naar het jaar waarop ze betrekking heeft, in combinatie met maandelijkse voorschotten, ook al betekent dit dat lokale besturen gedurende enkele jaren tot 130% van "de responsabiliseringsbijdrage" (even in de veronderstelling dat de responsabiliseringsbijdrage elk jaar dezelfde is, wat een fictie is) zullen moeten betalen. Het gaat echter niet om een bijkomende uitgave, wel om een vervroegde betaling (in het jaar N) van de responsabiliseringsbijdrage die in voorkomend geval verschuldigd zou zijn (in het jaar N + 1).

f)       Een deel van de opbrengst van loonmatigingsbijdrage op het salaris van de lokale statutaire personeelsleden zou vanaf 2018 jaarlijks toegewezen worden aan Globaal Beheer naar Gesolidariseerd Pensioenfonds.

Sinds 1987 moet elke werkgever in de publieke en de private sector (met uitzondering van de federale overheid als werkgever) een loonmatigingsbijdrage betalen voor personeelsleden die onderworpen zijn aan één of meer takken van de sociale zekerheid. Voor de lokale besturen bedraagt deze extra werkgeversbijdrage 6,20% op het salaris van de statutaire personeelsleden en 6,91% of 7,31% op het salaris van de contractanten, naargelang op hen het vakantiestelsel publieke of private sector van toepassing is (meer info). De opbrengst van deze bijdrage wordt aangewend voor de financiering van de regelingen van het Globaal Beheer van de sociale zekerheid, waarvan de pensioenregeling van de werknemers deel uitmaakt.

Momenteel wordt ongeveer 38% van de geglobaliseerde geldmiddelen die toekomen aan het Globaal Beheer van de sociale zekerheid en die ook de opbrengst van de loonmatigingsbijdrage bevatten, aangewend voor de financiering van de uitgaven van de pensioenregeling van de werknemers. Eenzelfde proportioneel deel van de opbrengst van de loonmatigingsbijdrage, die de provinciale en plaatselijke besturen betalen voor hun statutaire personeelsleden en die meer dan 319 miljoen euro op jaarbasis bedraagt, zou bestemd worden voor de financiering van de pensioenregeling van deze laatstgenoemde personeelsleden. Dat komt op 121 miljoen euro op jaarbasis dat vanuit het Globaal Beheer van de sociale zekerheid aan het Gesolidariseerd pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen zou worden doorgestort.

De toewijzing van het gedeelte van de loonmatigingsbijdrage dat betrekking heeft op het statutair personeel van de lokale besturen, juichen we toe. Maar de werkgeversbijdrage die lokale besturen moeten betalen op het salaris van hun statutaire personeelsleden blijft ontzettend hoog (49,48%) wat bijna helemaal te wijten is aan de hoge bijdragen voor het pensioen (34%). Ook op het salaris van hun contractuele personeelsleden betalen lokale besturen een hogere werkgeversbijdrage dan de 25% van private werkgevers ingevolge de tax shift.

g)     Wijzigingen aan de Wet Aanvullende Pensioenen van 28 april 2003 om ze (nog meer) af te stemmen op het systeem van sociaal overleg in de publieke sector.

Bron: info afkomstig van de website van de minister van pensioenen en uit contacten met de Federale Pensioendienst en met het kabinet Bacquelaine.

Daarnaast zijn er nog heel wat zaken die in de pijplijn zitten maar waarvan we nog geen teksten of vooruitgang gezien hebben: afschaffing ziektepensioen; afschaffing preferentiële tantièmes en vervanging door regeling voor zware beroepen/zware taken en de harmonisering van de diplomabonificatie voor de berekening van het pensioen over de drie stelsels heen (overheidspensioen, werknemerspensioen en pensioen voor de zelfstandigen).

Verder kondigde de federale regering ook aan dat er wijzigingen op komst zijn over de (minder) meerekenbaarheid van perioden van werkloosheid voor het pensioen en over de (toekomstige) meerekenbaarheid van alle gewerkte jaren, zelfs als men al gepensioneerd is. (Meer info).

Navigatie