Voor een sterk lokaal bestuur

Op zoek naar een presentatie van #VVSGtrefdag?

Kies hieronder uw thema

Lokale mandatarissen en de fiscus

 

Speciaal kostenforfait burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters aanslagjaar 2017 (inkomsten 2016)
- Voor de burgemeester: 6681,94 euro
- Voor een schepen en OCMW-voorzitter: 4009,16 euro

 

1. Burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters, leden districtscolleges

1.1 Fiscale behandeling van de wedde

Burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters en leden van districtscolleges verdienen voor de uitoefening van hun mandaat een wedde. Deze wedde is vergelijkbaar met het loon dat een werknemer maandelijks verdient. Dat betekent dat de ‘werkgever’ (de gemeente, het OCMW of het district) maandelijks aan de betrokkene een netto-bedrag uitbetaalt: de bruto-wedde verminderd met de persoonlijke sociale bijdragen en de bedrijfsvoorheffing.
De mate waarin dergelijke afhoudingen gebeuren, is wettelijk vastgelegd: het bestuur kan dit dus niet zo maar zelf gaan bepalen. De hoogte van de bedrijfsvoorheffing hangt o.m. af van de gezinssamenstelling (kinderen ten laste of niet), en van de vraag of de echtgenoot of echtgenote van de uitvoerende mandataris zelf een inkomen verdient.
De ingehouden bedrijfsvoorheffing is een voorschot op de belastingen die de betrokkene na afloop van het jaar zal moeten betalen. Dit systeem heeft als doel te vermijden dat een belastingplichtige pas bij de berekening van de te betalen belasting op het werkelijk verdiende loon, alle belastingen zal moeten betalen, met het risico dat de belastingplichtige die middelen ondertussen aan andere zaken heeft besteed. Bij zelfstandigen bestaat de bedrijfsvoorheffing uiteraard niet, maar zij worden er dan weer financieel toe aangezet uit eigen beweging voorafbetalingen te doen.
Na afloop van het inkomstenjaar zal de gemeente, het OCMW of het district aan de uitvoerende mandatarissen een zogenaamde fiche 281.10 bezorgen. Een kopie van dat document gaat naar de belastingdiensten.

1.1.1 Speciaal forfait, wettelijk forfait of werkelijke beroepskosten?
Elke belastingplichtige heeft het recht om van zijn belastbaar inkomen de kosten af te trekken die hij heeft gemaakt om zijn inkomen te verdienen, de zogenaamde beroepskosten. Loon- en weddentrekkenden hebben de keuze tussen twee systemen: een beroep doen op een in de wet opgenomen forfait, of de werkelijk gemaakte kosten bewijzen. Voor bepaalde lokale mandatarissen bestaat er daarnaast nog een specifiek forfait.
We moeten hier een onderscheid maken tussen twee categorieën uitvoerende mandatarissen: de burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters enerzijds en de leden van districtscolleges anderzijs.

Burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters
Deze uitvoerende mandatarissen hebben voor het aangeven van de beroepskosten verbonden aan hun mandatariswedde de keuze tussen drie systemen: het speciaal forfait, het wettelijke forfait of de werkelijke kosten.

Speciaal forfait
Sedert vele jaren bepaalt de fiscus jaarlijks een speciaal forfait van beroepskosten die een burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter in mindering mag brengen van zijn belastbaar inkomen, zonder die kosten expliciet te moeten bewijzen. Het bedrag van het speciale forfait is voor alle besturen gelijk, ongeacht de grootte ervan.

Speciaal kostenforfait inkomsten 2016 - aanslagjaar 2017 (cf. Circulaire AAFisc Nr. 7/2016 (nr. Ci.703.814) van 2 maart 2016)

  • burgemeester: 6681,94 euro
  • schepen / OCMW-voorzitter: 4009,16 euro 

Burgemeesters, schepenen of OCMW-voorzitters die hun mandatariswedde vrijwillig laten verminderen (bv. omwille van de combinatie met een rustpensioen) kunnen toch het volledige forfait van hun inkomen blijven aftrekken, uiteraard beperkt tot dat inkomen zelf . Bij uitbreiding geldt dezelfde regel voor iemand die slechts gedurende een deel van het jaar zijn mandaat heeft uitgeoefend.

Wettelijk forfait
Een tweede mogelijkheid is een beroep doen op het wettelijke forfait, dat ook voor de gewone loon- en weddetrekkenden bestaat. Wie niet zijn werkelijke kosten bewijst, of geen gebruik maakt van het speciale forfait dat we hierboven hebben behandeld, geniet automatisch het wettelijke forfait.
De bedragen van dat forfait worden jaarlijks geïndexeerd. Concreet betekent dit:

Voor inkomsten 2016 – aanslagjaar 2017:
30% van de eerste schijf van 8450 euro
11% van de inkomensschijf 8450 euro tot 19960 euro
3% van de inkomensschijf boven 19.960 euro
met een absoluut maximum van 4240 euro.

Voorbeeld
Wie als mandataris in 2016 na aftrek van de persoonlijke sociale bijdragen een inkomen van 20.000 euro heeft verdiend, heeft dus recht op een wettelijk kostenforfait van [30% x 8450 euro] + [11 % x (19.960 - 8450 euro)] + [3 % x (20.000-19.960 euro)] = 3802,30
euro.

Voor burgemeesters is het niet voordelig om op het wettelijke forfait een beroep te doen, omdat het maximaal aftrekbare bedrag lager ligt dan het speciale forfait dat voor hen geldt. Voor schepenen en OCMW-voorzitters liggen het maximale wettelijke forfait (4240 euro) en het speciale forfait (4009,16 euro) dicht bij elkaar.

Opgelet met terugbetaalde kosten

Veel besturen betalen aan hun uitvoerende mandatarissen een deel van de kosten die ze maken terug, zoals verplaatsingskosten, telefonie, computergebruik, enz. Volgens de fiscus moeten deze terugbetalingen worden afgetrokken van het speciale forfait. De belastingdiensten verwijzen hiervoor naar een parlementaire vraag van 25.3.2003 aan Minister van Financiën Reynders.

Werkelijke beroepskosten
Een derde mogelijkheid bestaat erin de werkelijke beroepskosten die men heeft gemaakt als mandataris te bewijzen en, in de mate dat de belastingcontroleur ze aanvaardt, van het belastbare inkomen af te trekken. Mogelijkheden hier zijn: kosten voor verplaatsingen in opdracht van het bestuur, kantoorbenodigdheden, telefoon- en internetkosten, abonnementen, noodzakelijke lidmaatschappen, gedeeltelijk gebruik van privé-huisvesting, aankopen van kantoormeubilair of PC (afschrijven over verschillende jaren), relatiegeschenken, ...
Dergelijke kosten komen uiteraard maar voor aftrek in aanmerking voor zover ze niet al door het bestuur werden terugbetaald, en voor zover de mandataris voldoende kan aantonen dat ze noodzakelijk zijn voor zijn mandaat. Dit laatste betekent vaak dat hierover een afspraak wordt gemaakt met de belastingcontroleur, naar aanleiding van de controle van de belastingaangifte.
Wegens de vele vragen dienaangaande, gaan we hier dieper in op de fiscale aftrekbaarheid van twee specifieke kosten van mandatarissen: verkiezingsuitgaven en giften of bijdragen aan politieke partijen.

Verkiezingsuitgaven
De wetgever heeft de voorbije jaren de verkiezingsuitgaven sterk beperkt, zowel op het niveau van de partijen die aan de verkiezingen deelnemen, als voor individuele kandidaten. Hoewel het duidelijk gaat om kosten die men maakt om als mandataris een inkomen te verwerven of een bestaand inkomen te behouden, werden verkiezingsuitgaven lange tijd niet aanvaard als fiscaal aftrekbare beroepskosten. Uit het arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 28 april 2011 blijkt dat dit niet onbetwist is.
Verder heeft Federaal minister van Financiën Koen Geens op 21 mei 2013 op een parlementaire vraag (pag. 276-277) van Ben Weyts van 26 maart 2013 het volgende geantwoord: 'In dat verband wordt ook aangestipt dat uitgaven gedaan met het oog op het voeren van politieke propaganda niet worden aangemerkt als kosten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het  beroep, maar als niet aftrekbare uitgaven van persoonlijke aard.' Het lijkt er dus op dat de belastingdiensten niet van plan zijn om het hierboven vermelde arrest te volgen. Dat blijkt ook uit een brief van de FOD Financiën van 10.12.2013 aan de VVSG.

Bijdragen of giften aan politieke partijen:
De meeste mandatarissen moeten een deel van hun wedde als politicus afstaan aan de partij of lijst die hen heeft voorgedragen. Deze bijdragen of giften zijn fiscaal aftrekbaar als beroepskosten, voor zover twee voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn:
- de mandataris bewijst zijn werkelijke beroepskosten (en doet dus geen beroep op een van de vermelde forfaits);
- de mandataris kan aantonen aan de hand van partijstatuten of andere dwingende bepalingen dat de bijdrage verplicht is voor verkozenen op een bepaalde lijst; puur vrijwillige giften aan een politieke partij zijn net als voor andere belastingplichtigen) niet aftrekbaar.

Combinatie met andere inkomens
Een burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter die naast zijn mandatariswedde nog een ander inkomen geniet (als werknemer, als zelfstandige, ...) heeft voor dat andere inkomen ook weer de keuze tussen het wettelijke forfait enerzijds en het aangeven van de werkelijke kosten anderzijds. De keuze voor één van de drie mogelijke stelsels als lokaal mandataris, staat totaal los van de keuze voor de andere inkomens. We willen er wel op wijzen dat wanneer men voor de mandatariswedde én voor de andere beroepsinkomsten kiest voor het wettelijke forfait, dat forfait berekend wordt op het totaal van de inkomsten. Het wettelijke forfait wordt in dat geval dus niet twee keer toegepast.

Opgelet bij belastingcontroles
We weten dat belastingcontroleurs niet altijd even vertrouwd zijn met de specifieke fiscale situatie van burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters. Zeker de mogelijkheid om voor het inkomen als mandataris te kiezen voor een ander beroepskostensysteem dan voor het andere inkomen wordt geregeld betwist. Nochtans is ze expliciet opgenomen in deel 51/39 van het Commentaar bij het Wetboek Inkomstenbelastingen.

Leden van districtscolleges
Leden van districtscolleges ontvangen ook een wedde. Toch vallen ze onder een andere fiscale behandeling dan de burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters. Voor leden van districtscolleges bestaat er immers geen speciaal kostenforfait. Hun keuze voor het fiscaal in rekening brengen van de beroepskosten is dus beperkt tot het wettelijke forfait of de werkelijke beroepskosten.
Bovendien blijkt uit verschillende uitspraken van de belastingdiensten dat leden van districtscolleges niet de mogelijkheid hebben om te kiezen voor een verschillend kostenaftreksysteem naargelang het gaat om hun inkomen als mandataris en dat als werknemer. Dus ofwel bewijzen ze voor elk van beide de werkelijke kosten (met de hierboven aangegeven beperkingen), ofwel passen ze het wettelijke forfait toe op de som van beide inkomens. Dit is dus duidelijk een minder gunstig systeem dan voor de burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters.

 

1.1.2 Hoe invullen op het aangifteformulier?
De inkomsten van een uitvoerende lokale mandataris komen zoals gezegd op een fiche 281.10, die in de loop van het voorjaar wordt uitgereikt door de gemeente, het OCMW of het district. Op die fiche staan verschillende bedragen, die alle in vak IV van het aangifteformulier (deel 1) moeten worden ingevuld.

Gewone bezoldiging
De wedde die de mandataris heeft verdiend, staat bij code 250 op de fiche. Het gaat om het bedrag na aftrek van de door het bestuur afgehouden persoonlijke sociale bijdragen. Dat bedrag hoort (samen met eventuele andere beroepsinkomsten) thuis in rubriek 1250-11 (resp. 2250-78) van de aangifte.

Beroepskosten
De beroepskosten die de aangever wil aftrekken van het belastbare inkomen moeten worden ingevuld in rubriek 1258-03 (resp. 2258-70). Wat in dat vak moet komen, hangt af van het gekozen systeem (cf. 1.1.1):

  • Wie een beroep doet op het speciale forfait (alleen burgemeesters, schepenen en OCMW-voorzitters) vult het bedrag van dat forfait  hier in. We raden de aangever ten stelligste aan bij de aangifte een kleine verklaring te voegen waarin men uitdrukkelijk stelt dat men als burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter voor dit speciale forfait kiest, met verwijzing naar de jaarlijkse circulaire hieromtrent. Dit is belangrijk, want niet alle controleurs zijn, gezien het relatief beperkte aantal uitvoerende lokale mandatarissen, vertrouwd met deze mogelijkheid.
  • Wie een beroep doet op het wettelijke forfait vult hier niets in. Bij een blanco rubriek 1258-03 (resp. 2258-70) gaan de belastingdiensten ervan uit dat de aangever voor het wettelijke systeem kiest. De berekening gebeurt dan ook automatisch en het bedrag zal verschijnen op het aanslagbiljet.
  • Wie een beroep doet op het systeem van de aangifte van de werkelijke beroepskosten vult hier het totale bedrag in. Bij de aangifte voegt men vervolgens een lijst van de kosten die men wil aftrekken.

 

We herhalen dat de keuze voor één van de drie kostensystemen voor burgemeesters, schepenen, of OCMW-voorzitters (niet voor voorzitters en bureauleden districtsraden - zie hoger) los staat van de keuze van het kostensysteem voor de eventuele andere beroepsinkomsten. Wie kiest voor de combinatie van enerzijds het speciale forfait of de werkelijke beroepskosten als uitvoerend mandataris, en anderzijds het gewone forfait of de werkelijke beroepskosten als werknemer, moet in vak 1258-03, resp. 2258-70 de som van beide kosten invullen. De fiscus zal immers het speciale forfait of de werkelijke beroepskosten als mandataris niet automatisch aanvullen met het gewone forfait voor het werknemersinkomen.
We geven in elk geval de raad om in een bijlage bij de aangifte zo goed mogelijk te omschrijven welk stelsel de belastingplichtige kiest voor welke inkomsten.

Een specifiek probleem is er met de terugbetaling van kosten voor het openbaar vervoer. Voor werknemers die van hun werkgever een dergelijke terugbetaling krijgen, is die terugbetaling fiscaal vrijgesteld indien de werknemer werkt met het systeem van de forfaitaire kosten. Als de werknemer zijn werkelijke kosten bewijst, wordt die terugbetaling belastbaar. De belastingdiensten aanvaarden soms niet de vrijstelling voor een uitvoerende mandataris die als werknemer werkt met de forfaitaire beroepskosten en voor het inkomen als mandataris werkt met de werkelijke beroepskosten of het speciale forfait. We hebben weet van gevallen waarbij een mandataris na een bezwaar alsnog op die vrijstelling een beroep kan doen. Dat wordt ook gesuggereerd in een opleidingsbundel van de FOD Financiën zelf over deze kwestie.

Bedrijfsvoorheffing

Zoals gezegd moet het bestuur bij de uitbetaling van de wedde bedrijfsvoorheffing afhouden van het loon, als een voorschot op de te betalen belasting. Die bedrijfsvoorheffing staat naast code 286 op de fiche 281.10. Op de aangifte moet ze, eventueel samen met de bedrijfsvoorheffing van de andere beroepsinkomsten, worden ingevuld onder rubriek 1286-72 (resp. 2286-42).

 

1.2 Fiscale behandeling van presentiegelden

Veel burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters, voorzitters en bureauleden van districtsraden verdienen niet alleen een wedde, maar ook presentiegelden. Ze krijgen die dan bv. als provincieraadslid, als lid van de politieraad, als lid van de bestuursorganen van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, socialehuisvestingsmaatschappijen, enz.
Het is belangrijk (en fiscaal interessant) om een onderscheid te maken tussen de wedde als mandataris
enerzijds en de presentiegelden anderzijds.

1.2.1 Werkelijke kosten of forfait
Ook bij de aangifte van de presentiegelden kan men beroepskosten inbrengen. Hier bestaan er slechts twee systemen: het wettelijke forfait
of de aangifte van de werkelijke beroepskosten. Deze keuze staat opnieuw los van de keuze die men maakt voor de mandatariswedde zelf, of voor de eventuele andere beroepsinkomsten.

Opgelet, de schalen voor het wettelijke forfait voor beroepskosten bij baten wijken vanaf aanslagjaar 2017 af van die voor werknemers (zie hoger):

28,7% van de eerste schijf van 5760 euro 
10% van de inkomensschijf 5760 euro tot 11.440 euro
5% van de inkomensschijf 11.440 euro tot 19.040 euro
3% van de inkomensschijf boven 19.040 euro
met een absoluut maximum van 3980 euro.

 

1.2.2 Hoe invullen op het aangifteformulier?
Voor presentiegelden krijgt een belastingplichtige normaal gesproken een fiche 281.30 van het bestuur waar men de prestaties heeft geleverd. In de regel reiken socialehuisvestingsmaatschappijen hiervoor een fiche 281.20 uit, zoals blijkt uit een mededeling van 18 februari 2015 van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW). De bedragen op die fiche moeten op het aangifteformulier terechtkomen, meer bepaald in vak XIX (baten).
Dit vak hoort bij deel 2 van het aangifteformulier, dat niet automatisch naar de belastingplichtigen wordt opgestuurd. De belastingplichtige die de aangifte nog op papier indient, moet deel 2 zelf aanvragen via het telefoonnummer dat op deel 1 van de aangifte staat. Wie zijn aangifte elektronisch invult via Tax-on-Web, heeft deel 2 automatisch ter beschikking. Vergeet niet om het eventuele papieren exemplaar tijdig aan te vragen, want de papieren aangiften moeten ten laatste op 29 juni 2017 worden ingediend. Wie werkt via Tax-on-Web, heeft tijd tot 13 juli 2017.

 

Presentiegelden
De toegekende presentiegelden (op fiche 281.30 vermeld onder 9.a) komen onder rubriek 1650-96 (resp. 2650-66) van de aangifte. Het onder 9.a vermelde bedrag bevat ook de eventuele terugbetaling van gemaakte kosten (nog eens apart vermeld onder 12.).

 

Beroepskosten
Zoals gezegd heeft een mandataris de keuze om van de presentiegelden de werkelijke beroepskosten
af te trekken, dan wel een beroep te doen op het wettelijke forfait.
Wie kiest voor de werkelijke beroepskosten, vult het totale bedrag in bij rubriek 1657-89 (resp. 2657-59). Uiteraard voegt men bij de aangifte een overzicht van die beroepskosten. Ook de beroepskosten die het bestuur heeft terugbetaald (vermeld onder 12. op fiche 281.30) komen in aanmerking voor aftrek, want anders zou de mandataris hierop belast worden.
Wie kiest voor het wettelijke forfait, moet het bedrag niet zelf berekenen. Wanneer er geen werkelijke kosten worden ingevuld, houden de belastingdiensten automatisch rekening met het wettelijke forfait. Dat wordt berekend op het volledige in rubriek 1650-96 (resp. 2650-66) vermelde bedrag (dus inclusief de door het bestuurde terugbetaalde kosten).

 

Bedrijfsvoorheffing
De uitbetaler van de presentiegelden is verplicht bedrijfsvoorheffing af te houden, als voorschot op de later te betalen belastingen. Het bedrag staat vermeld onder rubriek 13. van fiche 281.30 en moet worden ingevuld in rubriek 1758-85 (resp. 2758-55) van vak XX. van de aangifte.

 

Opgelet met sociale bijdragen op presentiegelden
Mandatarissen die voor presentiegelden gebruik maken van de rubriek 'baten' op het aangifteformulier, lopen veel kans nadien de vraag te krijgen van het Rijksinstituut voor Sociale verzekeringen van Zelfstandigen (RSVZ) om op dat bedrag sociale bijdragen te betalen. Die vraag is het gevolg van het automatisch doorgeven van de bedragen vermeld onder 'baten' door de Fiscus aan het RSVZ. Het is echter duidelijk dat op presentiegelden van politieke mandatarissen geen sociale bijdragen verschuldigd zijn. De betrokkene moet dan ook aan het RSVZ elk jaar opnieuw het bewijs leveren dat het om presentiegelden ten gevolge van een politiek mandaat gaat.

 

Opgelet: fiscus kan presentiegelden voor uitvoerende mandatarissen ook anders behandelen

Op basis van een parlementaire vraag van Servais Verherstraeten van 6.12.2004 gaat de fiscus er ook soms van uit dat de door een uitvoerende mandataris verdiende baten bij het beroepsinkomen moeten worden gevoegd, en dus fiscaal niet apart worden behandeld. Nochtans gaat het vaak niet om inkomsten die voortvloeien uit het feit dat men burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter is, maar wel uit het mandaat als raadslid. We stellen vast dat de belastingdiensten hier heel verschillend mee omgaan.

 

2. Presentiegelden gemeente-, OCMW- en districtsraadsleden

Raadsleden verdienen geen wedde als mandataris, maar krijgen per zitting een presentiegeld. Daarnaast hebben ze eventueel nog een inkomen uit een andere beroepsactiviteit. Bovendien kunnen raadsleden uiteraard presentiegelden van verschillende bronnen combineren (bv. gemeenteraad, politieraad en raad van bestuur intercommunale).
De fiscale behandeling van de presentiegelden van raadsleden is volledig identiek aan die van de presentiegelden van uitvoerende mandatarissen (zie hoger)
.

Er bestond een tijd verwarring over de vraag of ook de presentiegelden van districtsraadsleden als 'baten' moeten worden beschouwd. In een antwoord op een mondelinge vraag van Bart Tommelein van 8.7.2008 antwoordde Staatssecretaris Clerfayt hierop het volgende: 'De presentiegelden van districtsraadsleden zijn wel degelijk te beschouwen als baten in de zin van art. 23 §1, 2° en 27 WIB. De minister van Financiën heeft dit reeds duidelijk gemaakt in antwoord op een mondelinge vraag van de heer Borginon van 22 juni 2004. Er is dan ook geen sprake van discriminatie ten opzichte van de gemeenteraadsleden. De wedden die aan de voorzitters van de districtsraden en aan de leden van het bureau van deze raden worden toegekend, moeten wel als bezoldigingen worden beschouwd.'

Jan Leroy

  
  
  
  
Opleidingsbundel personenbelasting woonwerkverkeer mandatarissen.pdf
  
6-7-2016 14:45Limpens Christel
Verkiezingsuitgaven (brief FOD Financiën 10-12-2013).pdf
  
6-7-2016 14:45Limpens Christel

Navigatie