Voor een sterk lokaal bestuur

Kies hieronder uw thema

wedden, toelagen en vergoedingen

Nieuwe kilometervergoeding voor dienstreizen

 vanaf 1 juli 2012

De bedragen van de kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen worden jaarlijks per 1 juli aangepast aan het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen. Het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen is het indexcijfer waarbij ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de brandstofprijzen. De indexering gebeurt volgens de berekeningswijze, vastgesteld in artikel 156 van het BVR rechtspositieregeling gemeente- en provinciepersoneel van 7 december 2007. Vanaf 1 juli 2012 tot 30 juni 2013 zijn de volgende bedragen van toepassing op de vergoeding van dienstverplaatsingen: dienstverplaatsingen met een gemotoriseerd voertuig: 0,3349 euro per kilometer; bij carpooling kan de kilometervergoeding voor de bestuurder verhoogd worden met: 0,1675 euro per kilometer; dienstverplaatsingen met de fiets: 0,1709 euro per kilometer. Het bedrag van 0,3349 euro/km voor gemotoriseerde dienstverplaatsingen is uniform voor alle graden en rangen en onafhankelijk van het belastbaar vermogen van het voertuig. Bron: Agentschap Binnenlands Bestuur.         

Begrotingsinstructies personeel 2013 – begeleiders buitenschoolse kinderopvang op C-niveau

De begrotingsinstructies voor 2013 zijn bekend. Daarin staan ook enkele instructies met betrekking tot personeelsaangelegenheden. Het gaat onder meer om de algemene evolutie van de personeelsuitgaven, de verhoging van de pensioenbijdrage voor de vastbenoemde personeelsleden en de tweede pensioenpijler voor contractanten. Daarnaast besteedt de omzendbrief ook aandacht aan extra personeelsuitgaven in uitvoering van het sectoraal akkoord 2008-2013 (verhoging eindejaarstoelage met 100 euro).  De omzendbrief sginaleert al dat de begeleiders van de buitenschoolse kinderopvang en van de erkende kinderopvang (crèches) met verloning C1-C2, hun tweede weddeschaal C2 na vier jaar schaalanciënniteit in C1 krijgen (in plaats van na negen jaar). Soms is dat met terugwerkende kracht. Deze nieuwe functionele loopbaan heeft geen gevolgen voor wie nu in de functionele loopbaan C1-C3 zit, noch voor de begeleiders van de buitenschoolse kinderopvang of crèches die op D of E-niveau verloond worden. In de OCMW’s was deze wijziging al eerder van kracht geworden. Meer info in de omzendbrief van het Agentschap Binnenlands Bestuur.

Is het gras van de overheid groener dan dat van de privé?

‘De overheid betaalt beter dan de private sector’, zo concludeert de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka deze maand in een vergelijkende analyse over de lonen binnen private en publieke organisaties. Heel wat deskundigen hebben deze stelling genuanceerd. Er moet naar het totale beloningspakket gekeken worden en niet alleen naar het salaris en de toelagen of premies. Voka vergelijkt ook enkel met statutaire medewerkers, terwijl de contractueel aangestelde medewerkers – toch 213.000 mensen in de lokale besturen in België – een slechter statuut hebben (bv. bij pensioen en ziekte). Het lokale overheidsniveau wordt overigens helemaal buiten beschouwing gelaten, terwijl de sector, met 355.000 personeelsleden, op onderwijs na de grootste overheidswerkgever is. De VVSG mist in de analyse nog enkele andere zaken. Zo wordt de private sector als één grote sector bekeken, terwijl de aard van de activiteiten van een overheid veel nauwer aanleunen bij de (private) social-profitsector dan bij de commerciële private sector. De verloning in de private social-profitsector ligt doorgaans lager dan in de openbare sector. Dat verschil wordt scherper met de jaren omdat in de social-profitsector vlakke loopbanen de regel zijn (enkel loonaanpassingen na indexering), terwijl in de overheid anciënniteit een hogere weddetrap en hogere weddeschalen oplevert. Ook de schaal van een organisatie speelt een rol. Grote organisaties kunnen doorgaans betere loon- en arbeidsvoorwaarden geven dan kleinere. Maar in de privé bestaan geen maximumlonen, in de overheid wel. Dat alles maakt dat de verloningsverschillen tussen de overheidsmedewerkers onderling niet zo groot zijn als in de private sector. In de private sector zijn er meer uitersten. Het is dan nog de vraag of een beperktere loonkloof tussen basis en top een slechte zaak is voor onze maatschappij.

Algemeen

Het salaris van het personeel van de lokale besturen in Vlaanderen wordt vastgelegd in sectorale akkoorden, afgesloten in het Vlaams onderhandelingscomité voor de lokale en provinciale besturen. De sectorale akkoorden zijn in de openbare sector de tegenhanger van de collectieve arbeidsovereenkomsten uit de private sector. Maar sectorale akkoorden zijn niet rechtstreeks afdwingbaar: ze moeten eerst omgezet worden in een wet, decreet of besluit. Dit is gebeurd met het Rechtspositiebesluit Gemeente- en Provinciebesluit van 7 december 2007. In bijlage II van dat besluit staan de salarisschalen. Deze moeten nog geïndexeerd worden (157,69% vanaf maart 2012).

De salarisschalen voor het specifieke OCMW-personeel (zoals bijv verzorgenden en verpleegkundigen) zijn niet opgenomen in het besluit, maar wel terug te vinden in de gecoördineerde versie van de zogenaamde Krachtlijnen Kelchtermans. Dat is vakjargon voor de opeenvolgende sectorale akkoorden die sinds 1993 afgesloten zijn in het Vlaamse onderhandelingscomité C1. Ook deze salarisschalen moeten nog geactualiseerd worden (te indexeren).

De salarisschalen worden centraal ingedeeld in vijf niveaus (A, B, C, D en E) op basis van de door het bestuur vereiste scholingsgraad.

Sinds de invoering van de Krachtlijnen zijn alle niet bij wet, besluit of omzendbrief geregelde toelagen afgeschaft. Niet geregelde nieuwe toelagen kunnen ook niet meer worden ingevoerd. Sociale voordelen zijn wel toegestaan.

Effectief gemaakte en bewezen kosten bij de uitoefening van het ambt blijven vatbaar voor een vergoeding.

Navigatie