Het salaris van het personeel van de lokale besturen in Vlaanderen wordt vastgelegd in sectorale akkoorden, afgesloten in het Vlaams onderhandelingscomité voor de lokale en provinciale besturen. De sectorale akkoorden zijn in de openbare sector de tegenhanger van de collectieve arbeidsovereenkomsten uit de private sector. Maar sectorale akkoorden zijn niet rechtstreeks afdwingbaar: ze moeten eerst omgezet worden in een wet, decreet of besluit. Dit is gebeurd met het Rechtspositiebesluit Gemeente- en Provinciebesluit van 7 december 2007. In bijlage II van dat besluit staan de salarisschalen. Deze moeten nog geïndexeerd worden (145,68% vanaf juni 2008).
De salarisschalen voor het specifieke OCMW-personeel (zoals bijv verzorgenden en verpleegkundigen) zijn niet opgenomen in het besluit, maar wel terug te vinden in de gecoördineerde versie van de zogenaamde Krachtlijnen Kelchtermans. Dat is vakjargon voor de opeenvolgende sectorale akkoorden die sinds 1993 afgesloten zijn in het Vlaamse onderhandelingscomité C1. Ook deze salarisschalen moeten nog geactualiseerd worden (te indexeren).
De salarisschalen worden centraal ingedeeld in vijf niveaus (A, B, C, D en E) op basis van de door het bestuur vereiste scholingsgraad.
Sinds de invoering van de Krachtlijnen zijn alle niet bij wet, besluit of omzendbrief geregelde toelagen afgeschaft. Niet geregelde nieuwe toelagen kunnen ook niet meer worden ingevoerd. Sociale voordelen zijn wel toegestaan.
Effectief gemaakte en bewezen kosten bij de uitoefening van het ambt blijven vatbaar voor een vergoeding.
Is het gras van de overheid groener dan dat van de privé?
‘De overheid betaalt beter dan de private sector’, zo concludeert de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka deze maand in een vergelijkende analyse over de lonen binnen private en publieke organisaties. Heel wat deskundigen hebben deze stelling genuanceerd. Er moet naar het totale beloningspakket gekeken worden en niet alleen naar het salaris en de toelagen of premies. Voka vergelijkt ook enkel met statutaire medewerkers, terwijl de contractueel aangestelde medewerkers – toch 213.000 mensen in de lokale besturen in België – een slechter statuut hebben (bv. bij pensioen en ziekte). Het lokale overheidsniveau wordt overigens helemaal buiten beschouwing gelaten, terwijl de sector, met 355.000 personeelsleden, op onderwijs na de grootste overheidswerkgever is. De VVSG mist in de analyse nog enkele andere zaken. Zo wordt de private sector als één grote sector bekeken, terwijl de aard van de activiteiten van een overheid veel nauwer aanleunen bij de (private) social-profitsector dan bij de commerciële private sector. De verloning in de private social-profitsector ligt doorgaans lager dan in de openbare sector. Dat verschil wordt scherper met de jaren omdat in de social-profitsector vlakke loopbanen de regel zijn (enkel loonaanpassingen na indexering), terwijl in de overheid anciënniteit een hogere weddetrap en hogere weddeschalen oplevert. Ook de schaal van een organisatie speelt een rol. Grote organisaties kunnen doorgaans betere loon- en arbeidsvoorwaarden geven dan kleinere. Maar in de privé bestaan geen maximumlonen, in de overheid wel. Dat alles maakt dat de verloningsverschillen tussen de overheidsmedewerkers onderling niet zo groot zijn als in de private sector. In de private sector zijn er meer uitersten. Het is dan nog de vraag of een beperktere loonkloof tussen basis en top een slechte zaak is voor onze maatschappij.