Voor een sterk lokaal bestuur

Kies hieronder uw thema

Personeel

​​​​De impact van de Europese Sociale Pijler op het lokaal bestuur als werkgever

De Europese Commissie heeft op 26 april de Europese Sociale Pijler bekend gemaakt. Ze wil hiermee de sociale verworvenheden van Europa herbevestigen en aanvullen. Het gaat om drie domeinen: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming en integratie.

Europa zet hiervoor meerdere instrumenten in: (1) fondsen, (2) wetgeving (zoals een geplande richtlijn over het evenwicht tussen werk en privé-leven), (3) sociaal overleg (consultatie van de sociale partners, zoals nu over de communicatie aan de werknemers of over de toegang tot de sociale bescherming, waarop de VVSG via haar Europese koepel, de CEMR zal antwoorden) en (4) enkele niet-bindende instrumenten. De belangrijkste niet-bindende instrumenten zijn de landenspecifieke aanbevelingen, dus ook voor België. Een nieuwigheid is verder het sociaal scorebord, waarbij de vooruitgang op een aantal parameters gemonitord wordt. Tenslotte, maar niet in het minst, heeft de Europese Commissie een interpretatieve mededeling opgemaakt bij de Arbeidstijdenrichtlijn.

Dit zijn heel veel teksten met informatie, maar wat betekent dit nu voor de lokale besturen als werkgever?

Wij zien drie belangrijke elementen:

  • De interpretatieve mededeling over de Arbeidstijdenrichtlijn is in elk geval een belangrijk aandachtspunt, ook voor lokale besturen. Nieuwe dingen staan daar in principe niet in; wel een laatste stand van zaken van (vooral) Europese rechtspraak over een aantal heikele punten, zoals de slapende waak, inhaalrust, referentieperiodes maar ook de samenloop van arbeidsongeschiktheid met vakantie.
  • Daarnaast houdt de Europese Sociale Pijler in dat in de toekomst het ontslag van contractanten in overheidsdienst wettelijk gemotiveerd zal moeten worden (zie punt 7 van de communicatie van de Europese Commissie over de Sociale Pijler. De volledige tekst van de Europese Sociale Pijler vindt u overigens hier).
  • Verder is er een voorstel van EU-richtlijn om het ouderschapsverlof van vier maanden flexibeler te laten opnemen en om het niveau van de uitkering minstens op dat van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen te brengen.

Meer info vindt u op de zeer leesbare website van VLEVA, het Vlaams verbindingsagentschap met Europa.

Uiteraard bevat de Europese sociale pijler nog andere thema's die relevant zijn voor de lokale besturen, zoals over de activering van werkzoekenden en over de toegang tot sociale bescherming. Lees hier het VVSG-standpunt over dat luik.

​​​​Wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk

Het wetsontwerp "betreffende werkbaar en wendbaar werk" (de zogenaamde "Wet Peeters")  is op 23 februari 2017 goedgekeurd in de plenaire vergadering van de Kamer. De wet bevat een heel pak maatregelen ter flexibilisering van de arbeidsmarkt. Een aantal van deze maatregelen is van toepassing op de lokale besturen, waaronder de versoepeling van de regels voor deeltijdse arbeid en de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid voor onbepaalde duur. Een andere reeks wijzigingen is enkel van toepassing op de diensten waarbinnen de Arbeidswet geldt (bijvoorbeeld de woonzorgcentra en de diensten gezinszorg): de annualisering van de referteperiode bij de kleine flexibiliteit, de verhoging van de interne grens, de nieuwe regeling voor vrijwillige overuren en - eindelijk - een wettelijke regeling voor glijdende uurroosters. Tot slot is het toepassingsgebied van een aantal maatregelen beperkt tot de private sector (bv. occasioneel telewerk, loopbaansparen, schenking van conventioneel verlof). Meer informatie vind je in deze nota.​

Minister geeft groen licht voor aanpassingen evaluatiereglement

In de lokale overheidssector is sinds 8 juli een belangrijke switch gemaakt om functioneren en presteren niet langer juridisch maar​ in de eerste plaats HRM-gericht te benaderen (Decreet 3 juni 2016). Een evaluatie wordt niet meer verplicht opgelegd voor iedereen en altijd; in de plaats komt het recht op opvolging en feedback op het functioneren. Wel is een voorafgaande evaluatie vereist bij het ontslag wegens definitieve beroepsongeschiktheid ingevolge ontoereikend functioneren. De decreten mogen gewijzigd zijn; de rechtspositiebesluiten zijn dat nog niet. We lieten een parlementaire vraag stellen of een bestuur dat niet meer periodiek wil evalueren, maar enkel naar aanleidingen van concrete feiten of gedragingen, dit nu al in zijn lokale rechtspositieregeling kan regelen en uitschrijven. ​De minister antwoordt bevestigend. ​Lees meer​.​

Personeelswijzigingen organieke decreten

Met het decreet van 3 juni 2016 werden enkele opvallende wijzigingen aangebracht aan het Gemeente-, het OCMW- en het provinciedecreet. Het gaat voornamelijk om personeelswijzigingen die, met uitzondering van de schrapping van de personeelsformatie als verplicht instrument, op 8 juli 2016 in werking getreden zijn.  Wat de voornaamste wijzigingen zijn leest u hier.

Recht op onbetaald verlof: suggesties voor lokale rechtspositieregeling

Vanaf 1 februari 2017 heeft het personeel van gemeenten en OCMW's recht op onbetaald verlof. Daarnaast is er onbetaald verlof als gunst mogelijk, tenzij de gemeente of het OCMW dit niet in de lokale rechtspositieregeling van toepassing maakt. Het onbetaald verlof is  een door de Vlaamse regering ingevoerde compensatie voor het afschaffen, vanaf 2 september 2016, van de niet-gemotiveerde loopbaanonderbreking met uitkering.  Lees meer.

Van loopbaanonderbreking naar een nieuw Vlaams zorg- en opleidingskrediet

Op 26 juli 2016 heeft de Vlaamse regering het besluit dat het toekennen van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet regelt, definitief goedgekeurd. Het besluit is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2016 (inforum nr. 302977). De Vlaamse regering schaft hiermee de loopbaanonderbreking met uitkering zonder motief, inclusief de loopbaanvermindering in het kader van de eindeloopbaan af. In de plaats komt er vanaf 2 september 2016 een Vlaams zorgkrediet. Lees meer over de krachtlijnen van de nieuwe regeling,  lopende initiatieven die samenhangen met de nieuwe regeling (zoals de geplande invoering van een recht op onbetaald verlof) en het VVSG-standpunt.

KB tarifering externe diensten voor preventie en bescherming op het werk gepubliceerd

Op 14 december 2015 werd het Koninklijk besluit van 27 november 2015 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe ​diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering gepubliceerd. Dit KB wijzigt de minimumtarieven die werkgevers moeten betalen aan hun externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Er worden 5 nieuwe tariefgroepen ingevoerd waarbij de forfaitaire minimumbijdrage per werknemer wordt bepaald door de tariefgroep waartoe de werkgever op grond van zijn hoofdactiviteit behoort. Steden en gemeenten worden toegewezen aan tariefgroep 4 (€95,50 per jaar en per werknemer), OCMW 's, politie, brandweer en civiele bescherming aan tariefgroep 5 (€112). Het gemeentelijk onderwijs valt onder tariefgroep 1 (€41,50). Voor werkgevers die maximum 5 werknemers tewerkstellen bedraagt het tarief respectievelijk €81, €95 en €35,50 per jaar en per werknemer.

Het dienstenpakket inbegrepen in deze forfaitaire minimumbijdrage wordt wel verruimd. Voor de werkgevers met meer dan 200 werknemers (of minder dan 200 werknemers als de werkgever beschikt over een interne preventieadviseur) wordt de forfaitaire minimumbijdrage omgezet in preventie-eenheden waarbij het KB bepaalt aan welke prestaties deze preventie-eenheden prioritair moeten worden besteed.

Het KB treedt in werking op 1 januari 2016. De VVSG heeft er bij minister van werk Peeters op aangedrongen dat deze nieuwe tarifering geen verhoging van de kosten mag opleveren voor de lokale besturen. Het KB voorziet een monitoringsysteem om de gevolgen van de nieuwe regels te evalueren. De VVSG volgt dit op. abderrazak.elomari@vvsg.be

​Regularisatie contingentgesco's op 1 april 2015

 Artikel 76 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 (inforum nr. 287922) machtigt de Vlaamse regering om de tewerkstelling van de contingentgesco’s bij hun lokaal bestuur te regulariseren via een overdracht van 95% van de loonsubsidie en de werkgeversbijdragevermindering. Op vrijdag 27 februari keurde de Vlaamse regering het uitvoeringsbesluit dat de regularisatie nader regelt definitief goed (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2015). Ze keurde ook de lijst van regularisatiepremies per lokaal bestuur goed.

In een overzicht in vraag en antwoord (waarover vooraf met de VVSG van gedachten is gewisseld) verduidelijkt het Agentschap Binnenlands Bestuur wat de gesco-regularisatie betekent voor de personeelsformatie en de rechtspositieregeling en welke impact de regularisatie heeft op budgetopmaak en meerjarenplanning. In het bijzonder willen wij uw aandacht vestigen op de gevolgen van de regularisatie op de jaarlijkse vakantieregeling (vraag 5 in de FAQ). Over dit laatste en over de hogere werkgeversbijdragen die het bestuur voortaan verschuldigd zal zijn op het brutoloon van de betrokken medewerkers (gevolgen op het vlak van sociale zekerheid), vindt u ook informatie in een mededeling van DIBISS (de vroegere RSZPPO).

Naar aanleiding van de vele vragen van lokale besturen die voor hun ‘gewone’ contractanten de vakantieregeling publieke sector volgen, verduidelijken we graag nog dat het bestuur de keuze heeft tussen een afrekening van de op 1 april 2015 nog niet opgenomen wettelijke vakantiedagen (het vakantiegeld bij uitdiensttreding kan bovendien gespreid worden over 2015, 2016 en 2017) enerzijds en de toekenning van het wettelijk vakantieverlof ‘in natura’ gedurende het hele jaar 2015 (of zelfs uitgespreid over de jaren 2015, 2016 en 2017) anderzijds. Het is hierbij belangrijk om te onderstrepen dat de eventuele uitbetaling van het vakantiegeld bij uitdiensttreding enkel slaat op de wettelijke vakantiedagen (zie o.m. art. 9, tweede zin Arbeidstijdwet van 14 december 2000). De wettelijke vakantiedagen bedragen twintig vakantiedagen bij voltijdse prestaties. Er is met andere woorden nooit een verplichting (maar het is evenmin verboden) om de bijkomende dagen (10 à 15 vakantiedagen; in sommige OCMW-diensten 6 vakantiedagen) uit te betalen. De VVSG raadt dat overigens af en stelt voor om het personeelslid deze bijkomende vakantiedagen te laten opnemen in de loop van het jaar 2015. De VVSG betreurt ten zeerste dat het Agentschap Binnenlands Bestuur in een mail aan besturen over dit thema, geen onderscheid maakt tussen wettelijke en bijkomende dagen. Zo lijkt het alsof lokale besturen die voor hun gewone contractanten de vakantieregeling publieke sector volgen en voor de uitbetaling gekozen hebben, verplicht zijn om alle niet-opgenomen vakantiedagen financieel af te rekenen. Dat standpunt is niet correct en jaagt de lokale besturen nodeloos op kosten.

De regularisatie van de contingentgesco’s op 1 april maakt geen einde aan de arbeidsverhouding van het lokaal bestuur met het personeelslid. Er moet dus geen uit- en indiensttreding worden vermeld in DIMONA (de onmiddellijke aangifte van de tewerkstelling), zelfs als de opgebouwde vakantierechten zouden afgerekend worden als ‘vakantiegeld bij uitdiensttreding’. De DIMONA-kwestie is belangrijk voor gesco’s in loopbaanonderbreking: bij een uit- en indiensttreding eindigt immers hun loopbaanonderbreking, wat uiteraard niet de bedoeling is. De RVA kan de beëindiging van de loopbaanonderbreking weliswaar ongedaan maken, maar de rechtzetting van een administratieve vergissing neemt veel tijd en werk in beslag. Geen DIMONA dus: de RVA en de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels DIBISS (de voormalige RSZPPO) zullen u dankbaar zijn.

In antwoord op een brief van de VVSG liet minister Muyters weten dat de regularisatiepremie niet zal worden geïndexeerd. Men zal de premie uitbetalen in twee delen; in 2015 plant men dit te doen op 15 juni en op 15 december. Intussen stellen wij vast dat heel wat besturen in de feiten veel minder zullen ontvangen dan de gegarandeerde 95% van de som van de vroegere subsidies en korting op de werkgeversbijdrage. Dit heeft o.a. te maken met het feit dat er enkel rekening wordt gehouden met het contingent van 2013 (wat we al eerder hebben aangekaart) en dat men geen rekening heeft gehouden met de impact van de verschillende vakantiestelsels. De gesco-regularisatie heeft bovendien een extra financieel nadeel dat met de jaren steeds groter wordt, omdat de korting op de werkgeversbijdrage bevroren wordt op het niveau van 2013. De VVSG heeft deze bijkomende financiële consequenties aangekaart in een brief aan ministers Muyters, Homans en Bourgeois. Hoewel het uitvoeringsbesluit nu definitief is, vragen wij de Vlaamse regering om te bekijken of bijsturingen mogelijk zijn.

Voor informatie over aspecten waarover de Vlaamse minister van werk bevoegd is, kunt u terecht op http://www.werk.be/regularisatie_contingentgescos.

Meer info: katleen.janssens@vvsg.be ​(02-211.55.35) en marijke.delange@vvsg.be (02-211.55.34)

Personeelssterkte van de lokale besturen

In de totale overheidssector (Staat, Gemeenschappen & Gewesten, provincies, lokale besturen, autonome overheidsbedrijven...) werken er 1,1 miljoen personeelsleden. Daarvan zijn er 361.588 aan de slag bij de provincies en de lokale besturen (exclusief onderwijs). In dienst van de lokale besturen in het Vlaams Gewest werken er 207.880 mensen, inclusief het gemeentelijk onderwijspersoneel. Meer..

Navigatie