Navigatiekoppelingen overslaan
werking & organisatie
sociaal beleid
welzijnsvoorzieningen
vrijetijdsbeleid
Economie & Werk
omgeving
veiligheid
internationaal
onderwijs
  
VVSG > werking & organisatie > Erediensten
Zoeken

 

Besturen van de eredienst
Het Vlaams Parlement keurde op 5 mei 2004 het ontwerp van decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten goed. Het decreet dateert van 7 mei 2004, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2004, en trad in werking op 1 maart 2005, met uitzondering van de regeling inzake het financieel beheer van de eredienstbesturen, die uiterlijk op 1 januari 2007 in werking moest treden. Dit laatste gebeurde met het Besluit van de Vlaamse regering van 13 oktober 2006 dat het nieuwe financiële stelsel invoert en een gefaseerde inwerkingtreding bevat. Het werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 november 2006, ed. 2.

Het decreet van 2004 werd gewijzigd bij decreet van 20 januari 2006, teneinde de leeftijdsvereiste voor de leden van de bestuursorganen te schrappen (B.S. 17 februari 2006).

Enkele krachtlijnen van het decreet van 7 mei 2004
De zes erkende erediensten krijgen voor een groot deel een parallelle regeling voor de organisatie en werking, de financiën, de goederen en patrimoniumbeheer en het administratief toezicht. De rooms-katholieke, de protestantse, anglicaanse en Israëlitische eredienst blijven onder de gemeentelijke bevoegdheid vallen, terwijl de orthodoxe en islamitische eredienst met de provinciale overheid blijven te maken hebben.

De lokale besturen (gemeenten of provincies) krijgen een grotere verantwoordelijkheid: zij worden bevoegd om de meerjarenplannen en budgetten goed te keuren. Het aantal leden van de eredienstbesturen vermindert tot vijf (of zes voor de Israëlitische eredienst), aangevuld met de vertegenwoordiger van rechtswege van de parochie of kerkgemeente of islamitische gemeenschap. Het bureau van kerkmeesters van de rooms-katholieke kerkfabrieken wordt afgeschaft; de burgemeester zetelt niet meer in het eredienstbestuur. Er komt een geïnstitutionaliseerd overleg tussen het (centraal)bestuur en een afvaardiging van het gemeentebestuur (of provinciebestuur).
Vanaf vier erkende parochies (of kerkgemeenten of gemeenschappen) op het grondgebied van de gemeente (of provincie), wordt een overkoepelend centraal bestuur opgericht. Dit orgaan coördineert de budgetten en meerjarenplannen, het  dient deze en de rekeningen bij de gemeentelijke (of provincieoverheid) in.
Meerjarenplanning wordt verplicht.

Het administratief toezicht over de eredienstbesturen wordt hervormd in de lijn aangehouden in het Vlaams binnenlands bestuur voor de lokale besturen: ruim algemeen toezicht en eerder beperkt bijzonder toezicht; het college van burgemeester en schepenen (of deputatie) krijgt een schorsingsbevoegdheid wanneer de financiële belangen van de gemeente (of provincie) worden geschaad. De gouverneur kan schorsen bij schending van de wet of schade voor het algemeen belang.

Geen echte hervorming
Het decreet heeft voor de gemeentelijke overheden zeker zijn verdiensten. Door het invoeren van een geïnstitutionaliseerd overleg tussen de gemeentelijke overheid en eredienstbestuur en door de meerjarenplanning kunnen gemeenten de weerslag op hun planningen en budgetten beter inschatten.
Maar het decreet houdt geen echte hervorming in: de problematiek van de stijgende financiële bijdrage van de lokale overheden aan de eredienstbesturen is niet ten gronde aangepakt. Het grote aantal kerkfabrieken blijft bestaan. Waarom werd hier niet voor één kerkfabriek of erediensbestuur per gemeente gekozen? Het decreet is niet helemaal kostenneutraal voor de lokale besturen want de oprichting van centrale besturen brengen indirect nieuwe kosten mee. Voor de meerjarenplannen en budgetten blijft het bijzonder toezicht bij de provinciegouverneur (en in laatste instantie de Vlaamse regering voor de meerjarenplannen) wanneer de gemeenteraad ze niet goedkeurt.
De problematiek van de grensoverschrijdende parochies en de verdeling van het aandeel van de betrokken gemeenten is niet expliciet geregeld.
Wij durven concluderen dat het decreet, in het parlement met een ruime meerderheid goedgekeurd, een verbetering is ten opzichte van de vorige situatie, maar een echte vernieuwende regelgeving voor de eredienstbesturen blijft zich opdringen.

Huisvesting van de bedienaars van de eredienst
Het decreet raakt niet aan de bestaande verplichting van de gemeente (of provincie) om de bedienaar van de eredienst een pastorie te bezorgen, of, bij gebrek aan pastorie, een woning, of bij gebrek aan pastorie of woongelegenheid, een geldelijke vergoeding.  Voor de gemeente is deze verplichting bepaald in artikel 255,12° van de NGW (dit artikel zal worden vervangen door een overeenstemmende bepaling in het gemeentedecreet, cf. art. 302, 156° gemeentedecreet) en in artikel 92,2° van het keizerlijk decreet van 30 december 1809.

Overzicht van regelgeving en nuttige publicatie
* Regelgeving (wetgeving en omzendbrieven) en vragen en antwoorden: deze informatie vindt u op de webstek van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur. Zie gerelateerde link.

* Politeia/VVSG-publicatie: "Vademecum Kerkbesturen". U kan dit Vademecum bestellen via Politeia. Zie gerelateerde link. 

 Links