Voor een sterk lokaal bestuur

Kies hieronder uw thema

milieuhandhaving

Milieuhandhaving
(25.01.2010)
inhoud

1. Milieuhandhavingsdecreet : meer mogelijkheden voor GAS en voor gemeentelijke toezichthouders
2. Kerntakendebat milieuhandhaving: Versterking van de bestaande bevoegdheidsverdeling
3. Wanneer is een gemeentelijk (milieu)ambtenaar of lokaal politieagent ook milieutoezichtsambtenaar?
4. Enquête milieutoezichtsambtenaren: In bijna 4 op 5 gemeenten kan een ambtenaar optreden tegen Vlarem-overtredingen. 

5. Praktijkvoorbeeld: gemeentelijke inspectieronde in Klein-Brabant
6. Verschil in toezichtsbevoegdheden milieutoezichtsambtenaar en politieagent
7. VVSG schrijft modelprotocol milieudienst – politiezone
8. Welk gevolg geven aan de vaststelling van een milieu-overtreding? Prioriteitennota handhavingsbeleid
9. Aansprakelijkheid voor de fouten van een milieuambtenaar

 

1. Milieuhandhavingsdecreet : meer mogelijkheden voor GAS en voor gemeentelijke milieutoezichthouders

Het milieuhandhavingsdecreet vervangt alle toezichts- en strafbepalingen in bestaande milieudecreten door één globale regeling. In de bestaande milieudecreten worden de bestaande toezichts- en strafbepalingen telkens vervangen door een verwijzing naar het milieuhandhavingsdecreet.

*Het milieuhandhavingsdecreet is te vinden in titel 16 van het decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) (ingevoegd door decreet 21.12.2007, B.S., 29.02.2008 Inforum 226585).
*Het milieuhandhavingsbesluit (besluit 12.12.2008, B.S., 10.02.2009 Inforum 235241) is hiervan het uitvoeringsbesluit en bepaalt o.a. dat het decreet op 1 mei 2009 in werking treedt (art. 93).
*Nadien is ook de handhaving van de natuurwetgeving ondergebracht in het milieuhandhavingsdecreet (wijzigingen door decreet en besluit 30.04.2009, B.S., 25.06.2009 Inforum 239429 en 239430).

Hier vindt u ook de presentatie die de VVSG gebruikte op verschillende fora van milieuambtenaren.

> De VVSG was vanaf het begin bij de totstandkoming van het decreet betrokken.

Zo bracht de VVSG een uitgebreid standpunt uit n.a.v. de tweede 'ronde tafel' (oktober 2005) en een korter standpunt n.a.v. de bespreking van het ontwerpdecreet door de Vlaamse regering (juni 2006). De VVSG werd ook gevraagd voor de parlementaire hoorzitting (september 2007; verslag: doc.nr. 1249/2, p. 51-54).
Tot haar tevredenheid zijn de meeste elementen uit haar standpunten over de ontwerpteksten overgenomen of verholpen in het decreet.

 

A.Gemeentelijke administratieve sancties (GAS)

Het milieuhandhavingsdecreet laat ruimte voor gemeentelijke administratieve sancties (GAS) op 'kleine vormen van openbare overlast', ook al zitten die te paard op een milieu-overtreding.
Concreet: in de artikels die milieuverontreiniging strafbaar stellen (art. 16.6.2 en 16.6.3 DABM), staat telkens een tweede paragraaf met de GAS-uitzondering:

"§ 2. (1) In afwijking van de straffen vermeld in § 1 kunnen gemeenten voor kleine vormen van openbare overlast gemeentelijke sancties bepalen overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet.
(2) Wanneer de gemeente geen gemeentelijke sancties overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet heeft bepaald, worden in die gemeente deze kleine vormen van openbare overlast gestraft met een geldboete van maximum 45,45 euro."

Voor alle duidelijkheid: tot voor dit decreet waren alle milieu-overtredingen strafbaar waardoor er volgens sommigen juridisch geen ruimte zou zijn voor GAS; in elk geval is deze discussie nu afgelopen.
Deze opening stond niet in het ontwerp ingediend door de Vlaamse regering, maar is wel toegevoegd tijdens de besprekingen in de commissie leefmilieu (zie amendementen nrs. 32, 33, 37 en 38, doc.nr. 1249/3, p. 18-22)

> Wat zijn 'kleine vormen van openbare overlast'?

1.Afvalgerelateerde 'kleine vormen van openbare overlast': hieronder verstaan de parlementsleden (zie toelichting bij amendement nr. 37: doc.nr. 1249/3, p. 22 en de bespreking ervan: doc.nr. 1249/5, p. 54-55):

    "Onder kleine vormen van openbare overlast onder het toepassingsgebied van het Afvalstoffendecreet moet in het algemeen begrepen worden het vervuilen van de openbare weg en de plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn en het niet naleven van de inzamelregels voor huishoudelijk afval.

    Bij wijze van voorbeeld kunnen hiervan vermeld worden:
    – zwerfvuil (sigarettenpeuken, kauwgum, blikjes, wikkels en andere lege verpakkingen enzovoort);
    – sluikstorten en sluikstoken, althans van huishoudelijk afval in kleine hoeveelheden. Zo mag in straatvuilbakjes uitsluitend afval afkomstig van ter plekke geconsumeerde producten gedeponeerd worden; ander afval hoort er niet thuis;
    – het niet naleven van een verbod om reclamedrukwerk te bedelen in leegstaande panden of in brievenbussen met een 'nee'-sticker (artikel 3.2.5, §4, Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer);
    – het niet plaatsen van de nodige vuilbakjes door verkooppunten voor drank en voeding voor onmiddellijke consumptie;
    – het niet naleven van een verbod om drank en voeding gratis uit te delen op het openbaar domein;
    – het voederen van dieren op het openbaar domein;
    – het niet opruimen van hondenpoep (of het niet bij zich hebben van een hondenpoepzakje) of, voor de begeleider of ruiter ervan, het niet opruimen van uitwerpselen van rijdieren;
    – wildplakken: het aanbrengen van aanplakkingen op plaatsen waar dit niet toegelaten is.

    Het niet naleven van de ophaalregels betreft ook de concrete regels over de selectieve inzameling en de uren van inzameling (bijvoorbeeld het te vroeg buitenzetten van vuilniszakken), en over het niet aanbieden van afval uit andere gemeenten."

2.Andere 'kleine vormen van openbare overlast' (niet-afvalgerelateerd): hieronder verstaan de parlementsleden (zie toelichting bij amendement nr. 32: doc.nr. 1249/3, p. 18 en de bespreking ervan: doc.nr. 1249/5, p. 52):

    "Kleine vormen van openbare overlast buiten het toepassingsgebied van het Afvalstoffendecreet omvatten in de eerste plaats allerlei lokale geluidsoverlast, zoals bijvoorbeeld door het afschieten van vuurwerk (oud artikel 553, 1°, Sw.) of door het gebruik van bijvoorbeeld gemotoriseerde grasmaaiers wanneer dat niet mag.

    Andere voorbeelden van kleine vormen van openbare overlast zijn het wildplassen, het laten loslopen van honden waar dit niet mag, het niet rein houden van de omgeving door verkooppunten voor drank en voeding voor onmiddellijke consumptie, het op kleine schaal niet onderhouden van private (braakliggende) terreinen en van grachten (om de afloop van hemelwater te verzekeren) enzovoort."

> En wat als een gemeente in haar reglementen géén administratieve sanctie heeft opgenomen?
In dat geval geldt een strafsanctie van 250 euro (45,45 euro vermeerderd met de opdecimes), hetzelfde maximumbedrag als voor GAS (oud art. 56, al. 3 afvalstoffendecreet en art. 16.6.2 en 16.6.3 telkens § 2, al. 2 DABM):

    "Wanneer de gemeente geen gemeentelijke sancties overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet heeft bepaald, worden in die gemeente deze kleine vormen van openbare overlast gestraft met een geldboete van maximum 45,45 euro." (vermeerderd met de opdecimes is dit 250 euro)

Info (voor VVSG-leden): Steven Verbanck tel. 02-2115612 (milieu) of Marian Verbeek tel. 02-2115531 (GAS).

Nieuws (27.05.2010): Grondwettelijk Hof: overlastboetes op sluikstorten zijn OK

Meer over gemeentelijke administratieve sancties...

 

B.Milieutoezicht op gemeentelijk vlak
Toezichtsambtenaren zullen een ruimer palet aan handhavingsmogelijkheden hebben. De regels die daarop van toepassing zijn, werden vereenvoudigd. De Vlaamse overheid heeft enerzijds het minimumaantal toezichtsambtenaren bepaald maar zal anderzijds ook de aanstelling van gemeentelijke toezichtsambtenaren subsidiëren.

1 - Bevoegdheidsverdeling
Deze taakverdeling geldt sinds ...Provincies hebben geen milieutoezichtstaken voor Vlarem-inrichtingen.

Vroeger hing de taakverdeling vast aan de klasse-indeling : klasse 1-bedrijven werden gecontroleerd door de Vlaamse milieu-inspectie, klasse 2-bedrijven door de gemeente.

Uit het kerntakendebat voor het deel milieuhandhaving was gebleken dat de bestaande bevoegdheidsverdeling moet versterkt worden, eerder dan een andere bevoegdheidsverdeling uit te tekenen, m.a.w. de bestaande pijnpunten moeten worden verholpen zonder de bevoegdheden te verschuiven. De provincies hebben een grotere rol in milieuhandhaving toen afgewezen omdat dit volgens hen een "zeer specialistische materie" is, waarvoor zij niet de "deskundigheid in huis hebben om deze opdracht naar behoren uit te voeren".

Hierbij één nuancering : een gemeente kan ook bij een klasse 1-inrichting vaststellen dat zij geen vergunning heeft en kan zintuigelijke waarnemingen doen bij vergunde klasse 1-inrichtingen (bv. n.a.v. een klacht).

 

2 - Personeelsnorm (art. 16.3.6 DABM)
Elke gemeente moet tegen 1 mei 2010 een beroep kunnen doen op minstens één milieutoezichthouder.(art. 16, § 1, al. 1 besluit) Dit is nieuw: totnogtoe was het niet verplicht om zo'n toezichthouder aan te stellen; het was wel een mogelijkheid die 80% van de gemeenten hebben benut.
Elke gemeente met meer dan 300 klasse 2-inrichtingen moet tegen 1 mei 2011 een beroep kunnen doen op minstens twee toezichthouders. Hetzelfde geldt voor gemeenten met meer dan 30.000 inwoners waarvan het aantal klasse 2-inrichtingen niet gekend is. (art. 16, § 1, al. 2 besluit)

Deze toezichthouders hoeven echter niet voltijds alleen met handhaving bezig zijn. Als gemeenten een voldoende grote milieudienst hebben, kunnen ze bv. een functiescheiding doorvoeren tussen enerzijds het adviezen van milieuvergunningsaanvragen en anderzijds het controleren van de naleving van de Vlarem-reglementering, maar dit is niet voor elke gemeente verplicht. Wel krijgen ze bij de uitoefening van hun handhavingstaken een duidelijker statuut. (art. 16.3.3 DABM) De toezichthouder ondertekent zelf zijn vaststellingen en beslissingen.

Om te kunnen rekenen op milieutoezichthouders kan een gemeente die zelf aanwerven (art. 16.3.1, § 1, 3° DABM), maar op vraag van de VVSG zijn er ook intergemeentelijke mogelijkheden:

    a) Een gemeente zal een beroep kunnen doen op de toezichtsambtenaar van een andere gemeente, op voorwaarde dat beide gemeenten aangrenzend zijn of deel uitmaken van dezelfde politiezone of intergemeentelijke vereniging en dat die andere gemeente hiermee akkoord gaat (art. 16.3.5, al. 1 DABM)

    b) Ook een intergemeentelijke vereniging zal toezichtsambtenaren kunnen aanwerven. In dat geval kan elke gemeente die er deel van uitmaakt, een beroep doen op die toezichtsambtenaren. (art. 16.3.1, § 1, 4° en art. 16.3.5, al. 2 DABM)
    Als deze mogelijkheid wordt gebruikt voor het volledige pakket van toezichttaken, dan moet de intergemeentelijke vereniging tegen 1 mei 2011 minstens twee toezichthouders aanwijzen per begonnen schijf van vijf gemeenten die op die toezichthouders een beroep wensen te doen. (art. 16, § 2 besluit)

    c) Ook de politiezone kan toezichtsambtenaren aanwerven. In dat geval kan elke gemeente die er deel van uitmaakt, een beroep doen op die toezichtsambtenaren. (art. 16.3.1, § 1, 5° en art. 16.3.5, al. 3 DABM)
    Als in een meergemeentezone deze mogelijkheid wordt gebruikt voor het volledige pakket van toezichttaken, dan moet de politiezone tegen 1 mei 2011 minstens twee toezichthouders aanwijzen per begonnen schijf van vijf gemeenten die op die toezichthouders een beroep wensen te doen. (art. 16, § 3 besluit)

Bij verhindering van de normale toezichthoudende ambtenaar, kan een gemeente tijdelijk ook een waarnemende toezichtsambtenaar aanstellen. (art. 16.3.7 DABM en art. 17 e.v. besluit)

 

> Wanneer is een gemeentelijk milieuambtenaar of een lokaal politieagent ook milieutoezichtsambtenaar?

Een gemeentelijke (milieu)ambtenaar die de toezichtsbevoegdheid wenst uit te oefenen, moet een specifieke opleiding volgen. Als hij deze opleiding met succes afrondt, krijgt hij een getuigschrift. Hij kan ook een (gehele of gedeeltelijke) vrijstelling verkrijgen omdat hij al een gelijkaardige grondige milieu-opleiding heeft gehad.

Daarna moet het schepencollege hem uitdrukkelijk met deze toezichtstaak belasten. Met het getuigschrift en het aanstellingsbesluit, ontvangt de gemeente van de Vlaamse overheid een bekwaamheidsbewijs en een legitimatiebewijs. Dit wordt ook opgestuurd naar de procureur die de ambtenaar meestal oproept voor een eedaflegging (alhoewel dit strikt genomen alleen noodzakelijk is voor contractuele ambtenaren die geen eed bij hun indiensttreding hoefden af te leggen.) (zie artikel 16.3.1 e.v. DABM en art. 13 e.v. besluit) Meer info over het aanvragen van het bekwaamheidsbewijs. Tijdens schooljaar 2015-2016 kunt u die opleiding volgen bij OBAC (Gent).
Voor lokale politie-agenten die de milieutoezichtstaak opgedragen krijgen, geldt in principe hetzelfde. In meergemeentezones moet hun aanduiding echter gebeuren door de politieraad. In dat geval geldt hun aanduiding voor de hele politiezone. 

 

> Overgangsbepalingen (art. 16.3.2, al. 3 DABM)

Al wie voor 1 mei 2009 toezicht mocht doen, blijft bevoegd (art. 92 besluit) Wie al een bekwaamheidsbewijs heeft en dus is opgeleid (getuigschrift) en aangeduid door de gemeente, kan nog steeds optreden.
Helaas moet je wel een nieuw bekwaamheidsbewijs aanvragen binnen drie jaar bij de afdeling milieuvergunningen (art. 88 besluit). Bij het nieuwe bekwaamheidsbewijs, krijg je nu ook een legitimatiebewijs, een soort van identiteitskaart waarop staat dat je toezichthouder bent. (art. 15 besluit) Meer info over het aanvragen van het bekwaamheidsbewijs.
Al wie opgeleid is (wel een getuigschrift, maar geen aanduiding door de gemeente), kan alsnog aangeduid worden en hoeft niet opnieuw de opleiding te volgen. (art. 91 besluit)

 

3 - Subsidieregeling (art. 16.3.4 DABM)
De Vlaamse Regering zal de aanstelling van gemeentelijke milieutoezichthouders subsidiëren. De Vlaamse overheid zal ook steun voorzien voor de opleiding en permanente vorming van gemeentelijke toezichtsambtenaren.

In het uitvoeringsbesluit is hier nog geen uitvoering aan gegeven, maar de Vlaamse Regering heeft beloofd dat er nog deze legislatuur een subsidieregeling wordt opgenomen in een addendum bij de samenwerkingovereenkomst (milieuconvenant) 2008-2013. Bovenop de basissubsidie van de samenwerkingsovereenkomst, zal vanaf 2010 jaarlijks een bijkomende subsidie worden uitgekeerd, gebaseerd op volgende uitgangspunten, afgesproken tussen de VVSG en minister Crevits:

a) De personeelskost van een voltijdse gemeentelijke milieutoezichthouder bedraagt 50.000 euro per jaar. (hoeveel hiervan gesubsidieerd wordt, is echter nog niet bepaald)

b) Omwille van de rechtszekerheid voor elke individuele gemeente komt er geen ad hoc toekenning van subsidies maar wel een algemene regeling.

c) Om 'remmende voorsprong' te vermijden, komen ook gemeenten die nu al een toezichthouder hebben, in aanmerking voor de subsidie.

d) Als een gemeente beroep doet op de Vlaamse loonsubsidie, zal die gemeente ook een welbepaalde tijdsbesteding voor handhaving moeten realiseren, proportioneel met de ontvangen subsidie.
De gemeenten moeten hiervoor de noodzakelijke cijfers aanreiken over het aantal klasse 2- en 3-inrichtingen en het aantal uitgevoerde controles van klasse 2- en 3-inrichtingen. Het gaat zowel om controles uitgevoerd naar aanleiding van klachten en incidenten als naar aanleiding van vergunningsaanvragen en meldingen.
Een gemeente heeft echter ook de keuze om géén beroep te doen op die subsidie.

Om de subsidieregeling te onderbouwen heeft de VVSG in 2008 een enquête gehouden onder de gemeenten.
Opvallendste resultaten uit die enquête zijn:

- Vele gemeenten hebben slechts bij benadering een zicht op het aantal vergunningsplichtige bedrijven. Dit is nog meer het geval voor meldingsplichtige klasse 3-bedrijven. Dit valt hen echter zeker niet altijd ten kwade te duiden, gelet op de moeilijkheden om een gezamenlijke milieudatabank op te zetten. Een extrapolatie bevestigt wel het getal van 70.000 à 75.000 klasse 2-bedrijven in heel Vlaanderen.
- Zien gemeenten mogelijkheden om intergemeentelijk een toezichthouder aan te werven? Uit de antwoorden hierop blijkt dat intergemeentelijke samenwerking in het kader van de politiezone duidelijk een plaats heeft verworven in het bestuurlijke landschap.
- Een gemiddelde gemeente doet 44 controles per jaar. Wat betreft klasse 2-bedrijven en de controles daarop: gemiddeld gebeurt er één zo'n controle per 12 bedrijven per jaar.
- Bijna alle gemeenten doen controles n.a.v. klachten en incidenten; dergelijke controles beslaan 42% van alle controles. Meer dan vier op vijf gemeenten doen controles n.a.v. een aanvraag of een melding (28% van alle controles). Routinematige controles, bv. in het kader van een campagne, komen voor in de helft van de gemeenten en zijn goed voor 27% van alle controles. Gemeenten met geen enkele controle zijn zeer schaars.

In 2003 hield de VVSG ook al een kleine enquête naar het hebben van een milieutoezichtsambtenaar. Toen bleek ook dat de samenwerking met de politie moeilijker verloopt sinds de politiehervorming, maar vooral zeer sterk wisselt van politiezone tot politiezone. Daar waar de samenwerking goed loopt, ziet men ook een taak weggelegd voor de politie bij milieuklachten (bv. PV opstellen).

De VVSG dankt alleszins al wie heeft geantwoord.
top

 

 

C.Welke milieuovertredingen zijn misdrijven gebleven en welke zijn inbreuken geworden?

Alle overtredingen van de milieuwetgeving zijn in principe milieu-misdrijven. (art. 16.6.1, § 1, al. 1 DABM)
Dat betekent dat het parket de keuze heeft om het dossier zelf te behandelen (bv. minnelijke schikking voorstellen of naar strafrechter brengen) dan wel om het dossier door te geven aan de Vlaamse administratie zodat deze een Vlaamse administratieve geldboete kan opleggen.
Sommige overtredingen worden specifiek vermeld om ze zwaarder te kunnen straffen (art. 16.6.2-16.6.3quinquies DABM); andere worden vermeld om ze lichter te straffen (art. 16.6.1, § 2, 16.6.3sexies en 16.6.3septies DABM).

Op die strafbaarheid als algemene regel zijn drie uitzonderingen:

1) Sommige overtredingen zijn uitdrukkelijk niet strafbaar. Zo zijn overtredingen van de regels over de milieuheffingen en van de vergunningsprocedure uitgezonderd (art. 16.6.1, § 1, al. 2, 2°-6° DABM), omdat daar al voldoende specifieke sancties voorhanden zijn, bv. een hogere heffing of het afwijzen van de vergunningsaanvraag.

2) "Kleine vormen van openbare overlast" kan een gemeente aanpakken met gemeentelijke administratieve sancties (GAS) en zijn alleen strafbaar in de gemeenten die hierop geen GAS hebben ingesteld. (art. 16.6.2, § 2 en 16.6.3, § 2 DABM)

3) Sommige overtredingen van louter administratieve verplichtingen worden milieu-inbreuk genoemd: ze zijn niet strafbaar (art. 16.6.1, § 1, al. 2, 1° DABM) en kunnen alleen via een Vlaamse administratieve boete worden gestraft.
Alle milieu-inbreuken worden opgesomd in de bijlagen bij het Milieuhandhavingsbesluit. Zo vind je in bijlagen 7 en 8 bij het Milieuhandhavingsbesluit de lijst met artikels uit Vlarem II en Vlarea waarvan de overtreding een milieu-inbreuk is. 
Voor sommige overtredingen hoef je die lijsten echter niet na te kijken: het decreet somt enkele zaken op die een misdrijf moeten blijven (art. 16.1.2, 1° DABM): bv. wanneer de vergunningsplicht niet werd nageleefd of wanneer er in strijd met de regels een handeling met afval of een verontreiniging ("emissie") is geweest.

Zowel voor milieumisdrijven die het parket niet wenst te behandelen als voor milieu-inbreuken, worden de Vlaamse administratieve boetes opgelegd door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (AMMC), met beroepsmogelijkheid bij het Milieuhandhavingscollege.

D. Naar wie moet een vaststelling van een milieuovertreding?

Milieumisdrijven worden vastgesteld in een proces-verbaal (PV) (art. 16.3.24, al. 1 DABM); milieu-inbreuken in een 'verslag van vaststelling van een milieu-inbreuk' (art. 16.3.23 DABM). Zowel voor een PV als voor een verslag van vaststelling van een milieu-inbreuk is een model opgemaakt (B.S., 23.06.2009).

a) Naar wie moet een PV (milieumisdrijf)?

1-Net zoals voor andere misdrijven, moet een proces-verbaal naar het parket. (art. 16.3.24, al. 1 en 16.4.31, al. 1 DABM en art. 29 Wetboek van Strafvordering)

2-Tegelijk moet een kopie van het PV naar de "relevante gewestelijke overheden belast met de handhaving van de milieuwetgeving". (art. 16.3.24, al. 2 DABM) Wie dat precies zijn, werd niet nader omschreven.
Het lijkt logisch een kopie te sturen naar de gewestelijke dienst die ook bevoegd is voor het toezicht op de overtreden wetgeving, zijnde, naar gelang het geval, de Milieu-Inspectie (Vlarem), de OVAM (afval of bodem), de VMM (water), de Mestbank (mest), het ANB (natuur),…
Daarnaast vraagt de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (AMMC) ook een kopie.

3-De vaststelling van een milieumisdrijf moet gemeld worden aan het schepencollege. Die melding bevat minstens de naam van de vermoedelijke overtreder en de datum van de vaststelling. Deze melding moet gebeuren binnen vijf dagen na het opstellen van het PV. (art. 58, § 2 besluit)

4-Tenslotte moet de vermoedelijke overtreder een kopie van het PV krijgen, en dit binnen veertien dagen na de vaststelling. Gebeurde dit niet, dan is het PV niet nietig, maar vervalt de hogere bewijswaarde die aan die vaststellingen zijn verbonden. (art. 16.3.25 DABM)

b) Naar wie moet een verslag van vaststelling van een milieu-inbreuk?

1-Een verslag van vaststelling van een milieu-inbreuk moet naar de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (AMMC).
2-Tegelijk moet de vermoedelijke overtreder een kopie van het verslag krijgen. (art. 16.3.23 DABM; de 'gewestelijke entiteit' waarvan sprake in het decreet, wordt gedefinieerd in art. 3 en 1, 23° besluit)

De geadresseerden van het origineel en van de kopies van het PV of van het verslag van vaststelling worden vermeld in vak F van het model.

E. Wat gebeurt er verder met een PV?

1-Afspraken tussen administratie en parket: Prioriteitennota vervolgingsbeleid uit 2000

Een veelgehoorde klacht is dat na de vaststelling van een overtreding, er met het PV bitter weinig zou gebeuren en er onvoldoende zicht is op het vervolgingsbeleid van de parketten. Daarom heeft de Vlaamse milieu-administratie met het parket een prioriteitennota afgesproken.

Deze op 30.05.2000 overeengekomen prioriteitennota bestaat uit (1) werkafspraken tussen de administraties en de parketten (o.a. wederzijdse informatie-uitwisseling), (2) de algemene prioriteitscriteria en (3) een opsomming van specifieke prioritaire misdrijven. Aan de hand van die prioriteiten zou een gemeente bv. kunnen beargumenteren waarom het parket een PV beter niet zou seponeren, of bv. nagaan of het wel zin heeft aan te sturen op een strafrechtelijke vervolging.

Deze prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaams Gewest werd bij de parketten bekendgemaakt als omzendbrief van het college van procureurs-generaal en werd bij de milieu-administraties en de gemeenten bekendgemaakt als omzendbrief van Minister Dua: M.O.(Vl.) 26.06.2002 nr LNW/2002/1 betreffende prioriteiten bij de handhaving van de milieuregelgeving in het Vlaams Gewest (deze omzendbrief werd niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd; hij is ook te vinden Inforum)

2-Hoe verloopt een concreet dossier?

Samen met het PV vraagt de verbalisant aan het parket om te kiezen of ze het dossier al of niet zelf behandelt. (art. 16.4.31, al. 2 DABM) Het parket heeft voor deze keuze 180 dagen tijd, eenmalig gemotiveerd verlengbaar na herinnering door de verbalisant (art. 16.4.32 DABM).

Het parket meldt haar beslissing aan afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (AMMC) en die afdeling informeert de verbalisant. (art. 16.4.33 DABM)
De verbalisant moet dan alle relevante informatie (bv. kopies van PVs) bezorgen aan de AMMC, en dit binnen veertien dagen. (art. 76, § 1 besluit) Dit is belangrijk omdat de AMMC, als ze een boete willen opleggen, ze de vermoedelijke overtreder binnen dertig dagen moeten verwittigen (art. 16.4.36, § 1 DABM).

Alleen als het parket beslist om het dossier niet te behandelen, kan een Vlaamse administratieve boete worden opgelegd (art. 16.4.35 DABM). Dat kan niet tijdens de termijn waarbinnen het parket mag kiezen (art. 16.4.32, al. 3 DABM), wanneer het parket het dossier zelf wil afhandelen (art. 16.4.34, al. 1 DABM) of wanneer het parket niet tijdig beslist. (art. 16.4.34, al. 2 DABM)

Anders dan voor milieu-inbreuken (zie art. 16.4.41, § 2 DABM), is het niet verplicht dat de verbalisant ingelicht wordt welk gevolg er uiteindelijk aan zijn vaststelling werd gegeven.
top

F. Kan de toezichthouder zelf iets doen?

Na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf kan de toezichthouder steeds een aanmaning gegeven worden (art. 16.3.27 DABM).

Ook kan een bestuurlijke maatregel worden opgelegd (art. 16.4.5 DABM); zowel de toezichthouder, de gouverneur of de burgemeester kunnen dat (art. 16.4.6 DABM en art. 59-60 besluit). Wat je precies kunt opleggen in zo'n maatregel is veel ruimer dan alleen een sluiting van een bedrijf (zie art. 16.4.7 DABM).

Veel procedurele voorwaarden vind je niet in de wetgeving (zie art. 16.4.8 en 16.4.10 DABM). Daarnaast zijn vooral de hoorplicht en de formele motiveringsplicht van belang. Als er bestuurlijke maatregelen werden genomen, dan moeten dit gemeld worden aan de burgemeester, de gouverneur en de Milieu-Inspectie. (art. 61 besluit)

Wanneer een gemeente een beslissing ter kennis geeft, dan moet ze de beroepsmogelijkheden vermelden. (art. 35 decreet openbaarheid van bestuur) Als het gaat om bestuurlijke maatregelen, dan is er een administratief beroep bij de minister van leefmilieu. De afdeling (AMMC) stel zelf een standaardtekst voor om te gebruiken als vermelding van de beroepsmogelijkheden.

Info (voor VVSG-leden): Steven Verbanck tel. 02-2115612
top

 

 

5. Praktijkvoorbeeld: gemeentelijke inspectieronde in Klein-Brabant
Om alle klasse 2-inrichtingen in orde te brengen, organiseerden de gemeenten Puurs, Bornem en Sint-Amands (Klein-Brabant) als pilootproject sinds 1995 een uitgebreide inspectieronde. Meer info vindt u in SEGERS, Ronny, "Bedrijven hebben nauwelijks zelfcontrole", Lokaal, 2004, nr. 19 (1e helft nov. 2004), p. 20-21.
top

6. Verschil in toezichtsbevoegdheden milieutoezichtsambtenaar en politieagent
De bevoegdheid van een milieutoezichtsambtenaar en een politieagent moeten we van elkaar onderscheiden wat betreft de actiemogelijkheden bij de vaststelling van verschillende soorten overtredingen.

Bij "politieagent" bedoelen we een politieagent die geen milieutoezichtsbevoegdheid heeft of die op dat moment niet optreedt als milieutoezichtsambtenaar.

1. Milieu-overtredingen.
Ook al zijn beide evengoed bevoegd om milieu-overtredingen vast te stellen, het op pad sturen van een milieutoezichtsambtenaar biedt meer voordelen dan een politieagent.

    a. toegangsrecht
    "Toezichthouders mogen altijd, zonder voorafgaande verwittiging, elke plaats vrij betreden en het benodigde materiaal meenemen." (art. 16.3.12 DABM) Dus ook al is er vooraf geen enkele aanwijzing dat er een overtreding gaande is.

    Politieagenten moeten ook preventief "toezien op de openbare orde en de naleving van de politiewetten en -verordeningen" (art. 14 Wet 05.08.1992 op het politieambt). Het is dus niet zo dat zij louter en alleen n.a.v. een klacht of een vermoeden van een misdrijf mogen optreden.

    Wel hebben zij daarbij een heel wat beperkter toegangsrecht: zij mogen "publiek toegankelijke plaatsen alsook de verlaten onroerende goederen betreden" (art. 26 Wet 05.08.1992 op het politieambt). Zij mogen alleen onder strikte voorwaarden binnengaan op andere plaatsen. (zie bv. art. 27 Wet 05.08.1992 op het politieambt: "bij ernstig en nakend gevaar voor rampen, onheil of schadegevallen of wanneer het leven of de lichamelijke integriteit van personen ernstig wordt bedreigd").

    Voor het betreden van een woning heeft de milieutoezichtsambtenaar de toestemming van de bewoner of van de rechter nodig. (art. 16.3.12 DABM) Politieagenten kunnen daarenboven optreden in geval van heterdaad.

    b. bewijswaarde PV's
    De PV's van milieutoezichtsambtenaren hebben ook iets meer bewijswaarde (in het kader van een strafproces) dan een gewoon PV. Als het PV binnen veertien dagen aan de vermoedelijke overtreder werd gestuurd, heeft het "bewijswaarde tot het tegendeel bewezen is". (art. 16.3.25 DABM)

    c. de "sterke arm van de wet"
    Een politieagent heeft dan weer het voordeel dat hij desnoods geweld mag gebruiken om zijn taak naar behoren te kunnen uitoefenen (art. 37 Wet 05.08.1992 op het politieambt), bv. als hem de toegang wordt geweigerd. Een milieuambtenaar kan dit niet, en dat is de reden dat de bijstand van de politie kan gevorderd worden (art. 16.3.21 DABM) en dat het verhinderen van het toezicht of het negeren van een dwangmaatregel op zich strafbaar is gesteld (art. 16.6.1, § 2 DABM).

Daarom is het belangrijk om toezicht en opsporing niet te vermengen en duidelijk aan te geven "onder welk petje" wordt opgetreden. Heeft politieagent ook de milieutoezichtsbevoegdheid of vergezelt hij een milieutoezichtsambtenaar, dan mag hij bv. niet actief op zoek gaan naar andere overtredingen: het toegangsrecht voor milieutoezichtsambtenaren mag niet gebruikt worden om andere overtredingen op te sporen.

2. andere overtredingen.
Voor politieagenten geldt dezelfde regeling als wat hierboven staat over milieu-overtredingen: zij hebben een algemene toezichtstaak, maar hebben slechts een beperkt toegangsrecht en hun PV's hebben geen specifieke bewijswaarde.

Een ambtenaar die geen politieagent is en die tijdens de uitoefening van zijn functie een misdrijf vaststelt, moet hiervan aangifte doen bij de Procureur des Konings. (art. 29, lid 1 Wetboek van Strafvordering en art. 16.3.24 DABM). Bestaan er voor die overtreding specifieke toezichtsambtenaren, dan mag die aangifte bij hen gebeuren. Deze regel geldt bv. voor een milieu-toezichtsambtenaar die een misdrijf vaststelt dat niets te maken heeft met de regelgeving waar hij mag op toezien.
top

7. VVSG schrijft modelprotocol milieudienst – politiezone
De VVSG heeft een model van samenwerkingsprotocol tussen de politiezone en de gemeente(n) over de behandeling van milieuklachten en milieu-overtredingen . Dit model is totstandgekomen in overleg met de afdeling Politiezones binnen de VVSG.

Dit modelprotocol is in de eerste plaats bedoeld in uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst (art. 2.1.2.1.4 contract 2008-2013). Het model stelt afspraken voor over de ontvangst en registratie van milieuklachten, bemiddeling, verhoren, het opstellen van een PV, het voorstellen of opleggen van administratieve sancties, relaties met andere overheden, onderlinge bijstand en overleg en het aanduiden van een contactpersoon voor milieuklachten bij de politiezone.

Gemeenten en politiezones kunnen natuurlijk bij hun onderhandelingen naar eigen goeddunken het model aanpassen. Zo vindt u hier ter vergelijking ook het protocol van de "politieregio Turnhout" (politiezone Baarle-Hertog/Beerse/Kasterlee/Lille/Oud-Turnhout/Turnhout/Vosselaar); met dank aan de stad Turnhout hiervoor.

Graag hadden we geweten waar dergelijk protocol werd afgesloten en of er wijzigingen in werden aangebracht (het gaat slechts om een model: wie het overneemt mag het gerust aanpassen). Maar even interessant om weten is ook waarom er misschien géén protocol werd afgesloten alhoewel er wel over gediscussieerd werd.
Uw reacties zijn welkom bij Steven Verbanck
top

9. Aansprakelijkheid voor de fouten van een milieuambtenaar
De aansprakelijkheid van een milieuambtenaar die een fout zou begaan tijdens de uitoefening van zijn toezichtstaak, is op zich niet anders geregeld dan voor andere fouten of van andere ambtenaren.

1. Wie is aansprakelijk voor fouten van een gemeentelijke ambtenaar begaan bij het uitoefenen van zijn taak?
Alleen als de fout van de ambtenaar helemaal geen verband heeft met zijn job, is de gemeente niet aansprakelijk. De ambtenaar zelf is slechts persoonlijk aansprakelijk voor zijn opzettelijke, zware of herhaaldelijke fouten. Voor eenmalige lichte onopzettelijke fouten is alleen de gemeente aansprakelijk.

    Sinds de Wet 10.02.2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, B.S., 27.02.2003 Inforum is het antwoord heel wat duidelijker dan vroeger. Vroeger was hier een onderscheid tussen statutairen en contractuelen. De huidige regeling is dezelfde als voor werknemers in de privé en als voor contractuelen vroeger. Statutairen waren vroeger altijd aansprakelijk voor hun dienstfouten en de gemeente was vroeger alleen aansprakelijk voor een fout van een statutaire ambtenaar als die de fout beging "in de uitoefening van zijn bevoegdheid". Het Grondwettelijk Hof vond dat discriminerend, vandaar de wetwijziging.

2. Is hiervoor een bijkomende verzekering nodig?
a. Voor de gemeente:
De verzekeringscontracten burgerrechtelijke aansprakelijkheid voorzien meestal dat de gemeente door de wet 10.02.2003 nu in meer gevallen dan vroeger aansprakelijk zal zijn voor haar statutaire ambtenaren.
b. Voor de ambtenaar:
Slechts uitzonderlijk zal de ambtenaar nog persoonlijk worden aangesproken, daarom is het nu minder van belang of hij hiervoor verzekerd is.
Ook de burgerlijke aansprakelijkheid die een ambtenaar persoonlijk zou oplopen voor zijn herhaaldelijke of zware onopzettelijke fouten, kan worden gewaarborgd door de verzekeringsmaatschappij.
Voor alle zekerheid moet de ambtenaar zijn familiale polis en de gemeentelijke polis burgerrechtelijke aansprakelijkheid erbij nemen.
Voor eigen opzettelijke fouten (een van de gevallen waarvoor de ambtenaar nog persoonlijk aansprakelijk blijft), kan men zichzelf overigens logischerwijze niet verzekeren.
top

(Steven Verbanck, stafmedewerker leefmilieu)

Navigatie