Navigatiekoppelingen overslaan
werking & organisatie
sociaal beleid
welzijnsvoorzieningen
vrijetijdsbeleid
Economie & Werk
omgeving
veiligheid
internationaal
onderwijs
Platteland
  
VVSG > omgeving > Bodem > grondverzet
Zoeken

Grondverzet-regeling - Voorkomen van bodemverontreiniging bij grondwerken
De VVSG heefthaar standpunt uitgebracht over de grondverzet-regeling. De minister van leefmilieu kondigde immers de evaluatie van de grondverzet-regeling aan in zijn beleidsnota (p. 67)
Naast enkele belangrijke praktijkopmerkingen, stellen we ook dat de gemeenten niet altijd verantwoordelijk zijn voor de meerkost en die daarom niet altijd volledig zou moeten dragen.
De VVSG is echter nog steeds op zoek naar specifieke opmerkingen die onderbouwd kunnen worden met cijfergegevens en/of vaststellingen uit concrete projecten; uw opmerkingen en suggesties over het grondverzet zijn daarom nog steeds welkom bij
Steven Verbanck.

INHOUD
Samenvatting.
1. Waarom?.
2. Ten voordele van wie?.
3. Is de grondverzet-regeling op alle grondwerken van toepassing?.
4. Hoe werkt het bodembeheerssysteem?.
5. Waar mag ik uitgegraven grond nog voor gebruiken?.
6. Wat zijn bodembeheersorganisaties?.
7. Wat met uitgegraven bodem bij wegenwerken?
8. Mag een containerpark nog uitgegraven bodem aanvaarden?.
9. Informeer de bouwheer hierover bij een vergunningsaanvraag
10. Wat zijn de meerkosten voor de gemeenten?.
Meer info …

Samenvatting

Op 1 januari 2004 trad de zgn. "grondverzet-regeling" (hoofdstuk 10 Vlarebo)
in werking. Bedoeling is hiermee de verplaatsing van bodemverontreiniging bij uitgravingen te vermijden.
Wanneer bodem uit mogelijks verontreinigde percelen of in grote hoeveelheden (> 250 m³) wordt uitgegraven, zal de bouwheer moeten onderzoeken of de uit te graven grond verontreinigd is. Door een ketenbeheersysteem zal de ontvanger van de uitgegraven bodem dan de garantie hebben dat de uitgegraven bodem zijn perceel niet vervuilt.
Deze maatregel zal een meerkost betekenen voor de gemeenten doordat ze bodemonderzoeken zal moeten doen en, in voorkomend geval, de ontgraven verontreinigde bodem zal moeten reinigen of afvoeren.
Daartegenover staat dat de gemeente zeker zal zijn geen bodemverontreiniging te hebben veroorzaakt.

1. Waarom?
Als men bodem uitgraaft op een perceel dat misschien verontreinigd is en die bodem daarna gebruikt op een ander perceel, dan kan dit de bodem op dat andere perceel verontreinigen. Bij dergelijke "nieuwe bodemverontreiniging" geldt een zelfstandige saneringsplicht: de saneringsplichtige (de eigenaar of de exploitant van een perceel) moet overgaan tot bodemsanering zonder dat de OVAM hem daartoe aanmaant. Een veel toegepaste saneringstechniek in dergelijke gevallen is het terug ontgraven van de verontreinigde bodem.
Precies om dergelijke "verplaatsing" van bodemverontreiniging te vermijden, heeft de Vlaamse regering regels met betrekking tot het gebruik van uitgegraven bodem opgesteld. Deze regelgeving staat beschreven in het Hoofdstuk 10 van het Vlarebo.
Top

2. Ten voordele van wie?
In de eerste plaats is het milieu gebaat bij het vermijden van nieuwe bodemverontreiniging.
Tegelijk beschermt de grondverzet-regeling ook de partijen betrokken bij de uitvoering van grondwerken:
- enerzijds beschermt het de ontvanger of gebruiker van de uitgegraven bodem: zij zouden de saneringsplichtigen zijn bij het ontstaan van nieuwe bodemverontreiniging; en
- anderzijds beschermt het ook de bouwheer (van wiens grondwerk de uitgegraven bodem komt) en de aannemer en vervoerder van de uitgegraven bodem: bij het veroorzaken van nieuwe bodemverontreiniging door het verplaatsen van vervuilde bodem zal de aannemer en vervoerder en, afhankelijk van het contract dat afgesloten werd met de aannemer en de vervoerder, eventueel ook de bouwheer saneringsaansprakelijk zijn, waarmee wordt bedoeld dat zij degenen zijn die de saneringskosten moeten terugbetalen aan de saneringsplichtige.
Top

3. Is de grondverzet-regeling op alle grondwerken van toepassing?
Nee. De grondverzet-regeling moet alleen toegepast worden:
- als de uitgraving meer dan 250 m³ bedraagt of
- als de uitgraving gebeurt op een "verdachte grond", een potentieel of effectief verontreinigd perceel ongeacht het volume. (art. 51, §§ 1-2 en 54 Vlarebo)
Als de uitgraving minder dan 250 m³ bedraagt, gebeurt op een "verdachte grond" en men gebruikt deze uitgegraven bodem ter plaatse volgens de Code van goede praktijk, dan is een technisch verslag en een bodembeheerrapport niet verplicht. (art. 51, § 3 Vlarebo)

"Verdachte gronden" zijn potentieel of effectief verontreinigde percelen. (art. 48, 5° Vlarebo)
Een potentieel verontreinigd perceel ("risicogrond") is een perceel waar milieuvergunningsplichtige inrichtingen zijn of waren gevestigd die volgens de Vlarebo-indelingslijst (bijlage I bij Vlarebo) bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. De gemeente kan uitsluitsel geven of een perceel hieronder valt of niet. Het kan ook gaan om een perceel "waarvoor aanwijzingen bestaan van een bodemverontreiniging", bijvoorbeeld een lekkende niet-ingedeelde stookolietank (een stookolietank bij een woning is pas ingedeeld vanaf 5000 l).
Een effectief verontreinigd perceel is een perceel opgenomen in het register van verontreinigde gronden bij OVAM.

De grondverzet-regeling is ook niet van toepassing op bodem uit groeven, graverijen en uitgravingen die milieuvergunningsplichtig zijn (art. 50 Vlarebo, rubriek 18 Vlarem-indelingslijst)
Top

4. Hoe werkt het bodembeheerssysteem?
Is de grondverzet-regeling van toepassing dan moet de bouwheer (van wiens grondwerk de uitgegraven bodem komt) een "technisch verslag" laten opstellen. Daarvoor moet een erkende bodemsaneringsdeskundige de kwaliteit van de uit te graven bodem bepalen aan de hand van mengmonsters op het perceel van herkomst. In het "technisch verslag" staan dan de analyseresultaten en administratieve gegevens. (art. 56 Vlarebo) Om bij eventuele verontreiniging de bouwplannen te kunnen bijsturen, is het belangrijk om dit technisch verslag tijdig te laten op te stellen en liefst vooraleer de bodem wordt uitgegraven.
Op basis van de bodemkwaliteit zoekt de bouwheer of de aannemer (of een andere betrokkene) dan een bestemming voor de uitgegraven bodem. De bodem kan ook tijdelijk gestockeerd worden op een "tussentijdse opslagplaats". Is de bodem verontreinigd (hij voldoet niet aan de bodemsaneringsnorm voor het uitgegraven perceel), dan moet deze in elk geval vóór gebruik in een "grondreinigingscentrum" gereinigd worden. De kwaliteit van de gereinigde bodem bepaalt welke bestemming ze kan krijgen.
Afhankelijk van de milieuhygiënische kwaliteit van de aangevoerde uitgegraven bodem is op het perceel van bestemming een studie van de ontvangende grond noodzakelijk. (art. 57, § 3, 4° Vlarebo) Deze studie moet bewijzen dat de uitgegraven bodem geen verontreiniging van het grondwater kan veroorzaken en dat mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen extra risico oplevert.
Is een juiste bestemming voor de afgegraven bodem gevonden, dan levert een erkende bodembeheersorganisatie een voorlopig bodembeheerrapport en vervoersdocumenten af op basis van het technisch verslag en de gegevens van de bestemming van de uitgegraven bodem. Deze vervoersdocumenten zorgen voor een sluitend transportsysteem. Hierdoor kan de erkende bodembeheersorganisatie (of de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum) de traceerbaarheid van de bodem garanderen zodat de vervoerder de juiste partij uitgegraven bodem oplaadt en op de juiste plaats van bestemming aflevert. (art. 58, 7° en 59, 7° Vlarebo)
Na het vervoer en het hergebruik van de afgegraven bodem, levert de bodembeheersorganisatie een definitief bodembeheerrapport af (art. 57 Vlarebo) als garantie dat de uitgegraven bodem correct werd vervoerd en toegepast.

De vrijstelling voor niet-verdachte bodem tot 250 m³ leidt ertoe dat nog steeds kleine porties uitgegraven bodem zonder bodembeheerrapport mag afgeleverd worden.In dat geval is de ontvanger echter niet zeker dat deze bodem terecht zonder bodembeheerrapport mag afgeleverd worden (en nog minder of deze bodem verontreinigd is of niet). Als het contract met de aannemer of de vervoerder garandeert dat de uitgegraven bodem niet verontreinigd is, ook al is een bodembeheerrapport niet wettelijk verplicht, dan is de aannemer of de vervoerder toch contractueel aansprakelijk voor eventuele vervuiling.
De bouwheer kan wel persoonlijk verklaren dat de bodem afkomstig is van een uitgraving kleiner dan 250 m³ op een niet verdachte grond, de OVAM maakte een
modelformulier voor dergelijke verklaring. Er is in dat geval natuurlijk geen garantie dat deze bodem niet verontreinigd is, daarom is het soms toch aangewezen de bodem te laten onderzoeken.
Top

5. Waar mag ik uitgegraven grond nog voor gebruiken?
Wordt de uitgegraven bodem gebruikt als bodem dan gelden volgende toepassingmogelijkheden, afhankelijk van de kwaliteit van de uitgegraven bodem en het ontvangende perceel en afhankelijk van de bestemmingstype (bodemsaneringsnorm) van het uitgegraven en het ontvangend perceel.

Het gebruik van uitgegraven bodem als bodem binnen de "kadastrale werkzone" is minder streng gereglementeerd: uitgegraven bodem die voldoet aan 80% van de bodemsaneringsnorm van het ontvangend perceel (bijlage 4 Vlarebo) mag binnen de kadastrale werkzone vrij gebruikt worden. (art. 52, 1° Vlarebo)

Een "kadastrale werkzone" is het kadastraal perceel of het gedeelte ervan waarop de uitgraving gebeurt of "meerdere kadastrale percelen met gelijkaardige milieukenmerken waarop eenzelfde project wordt uitgevoerd." Voor gronden zonder kadastraal perceelnummer valt de kadastrale werkzone samen met "het samenhangend geheel van gronden met gelijkaardige milieukenmerken waarop eenzelfde project wordt uitgevoerd." (art. 48, 7° Vlarebo)
De soepeler regels voor grondverzet binnen de kadastrale werkzone gelden ook "in het geval dat twee kadastrale werkzones met gelijkwaardige milieukenmerken ruimtelijk gescheiden zijn door één of meerdere kadastrale werkzone(s) met andere milieukenmerken en indien de ontvangende kadastrale werkzone gelijkaardige milieukenmerken bezit als de kadastrale zone waarvan de uitgegraven bodem afkomstig is. " (art. 53, § 2 Vlarebo)

Wordt de uitgegraven bodem "hergebruikt als bodem" en afgevoerd naar een ander perceel dan geldt volgende cascade (van minder naar meer vervuilde af te voeren bodem:)

1.Uitgegraven bodem die voldoet aan de richtwaarde voor natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden (bijlage 7 Vlarebo) mag overal vrij gebruikt worden. (art. 53, § 1, 1° Vlarebo)

2.Uitgegraven bodem die voldoet aan de algemene richtwaarde (bijlage 8 Vlarebo) mag overal behalve in natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden vrij gebruikt worden. (art. 53, § 1, 3° Vlarebo)

In beide voorgaande gevallen (niet-verontreinigde bodem), kan de uitgegraven bodem ook dienen om groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten op te vullen, zelfs als het voor het ontvangend perceel niet gaat om functionele ophoging of aanvulling boven het maaiveld, voor het bouwrijp maken ervan of voor de realisatie van een grond- of bouwwerk erop.
In dat geval is dan wel een milieuvergunning nodig zonder dat het opvullen wordt beoordeeld als een afvalstort. (rubriek 60 Vlarem-indelingslijst, ingevoegd door art. 3 B.Vl.Reg. 31.05. 2002, B.S., 19.06.2002)
Voor alle zekerheid is een bijkomende uitzondering op de afvaldefinitie ingevoerd (art. 4 afvalstoffendecreet gewijzigd door art. 34 decreet 04.04.2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, B.S., 25.08.2003: "Zijn geen afvalstoffen als bedoeld in dit decreet: (…) 4°. bodem, uitgegraven buiten ontginningsgebieden, die vrij kan worden hergebruikt als bodem of als bouwstof."), maar deze wijziging is nog niet in werking getreden.

Uitgegraven bodem die wel voldoet aan de algemene richtwaarde (bijlage 8 Vlarebo) maar niet aan de richtwaarde voor natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden (bijlage 7 Vlarebo) mag toch in natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden gebruikt worden, maar dan alleen onder de volgende voorwaarden (art. 53, § 1, 2° Vlarebo):
- als het ontvangend perceel ook zelf niet voldoet aan de richtwaarde voor natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden (bijlage 7 Vlarebo) en
- als de uitgegraven bodem minder verontreinigd is dan het ontvangend perceel.

3.Uitgegraven bodem die niet voldoet aan de algemene richtwaarde (bijlage 8 Vlarebo) mag alleen worden gebruikt onder volgende voorwaarden (art. 53, § 1, 4° Vlarebo):
- als het ontvangend perceel niet ligt in natuurgebied of grondwaterbeschermingsgebied;
- als het ontvangend perceel ook zelf niet voldoet aan de algemene richtwaarde (bijlage 8 Vlarebo);
- als de uitgegraven bodem minder vervuild is dan het ontvangend perceel en
- als een bodemsaneringsdeskundige bewijst dat het gebruik van de bodem geen extra milieurisico's zal opleveren.

4.Als de uitgegraven bodem bovendien niet voldoet aan de bodemsaneringsnorm van het uitgegraven perceel (bijlage 4 Vlarebo), dan moet die vooraf worden gereinigd. Is deze bodem niet reinigbaar en bestaat ervoor geen nuttige bestemming, dan kan deze enkel nog naar de stortplaats. Als het om een "nieuwe" bodemverontreiniging gaat, ontstaan na 29 oktober 1995, dan zal de bouwheer moeten instaan voor de sanering.

Bevat de uitgegraven bodem een verontreiniging waarvoor geen bodemsaneringsnormen bestaan, dan moet een bodemsaneringsdeskundige bewijzen dat het gebruik van de bodem geen extra milieurisico's zal opleveren. (art. 52, 3° en 53, § 1, 4° Vlarebo)
Bevat de uitgegraven bodem te veel stenen en/of ander bodemvreemde materialen (glas, metaal en hout), dan moet die in elk van de voorgaande gevallen van de bodem worden gescheiden. (art. 52, 4° en 53, § 1, 6° Vlarebo)

Wordt de uitgegraven bodem binnen hetzelfde werk als bouwstof gebruikt, dan gelden de voorwaarden uit het Vlarea voor het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstoffen in of als bouwstof. (art. 55 Vlarebo)

Top

 

6. Wat zijn bodembeheersorganisaties?
Een bodembeheersorganisatie is de spin in het web van de grondverzet-regeling. Op basis van een onderzoek van de uitgegraven grond ("technisch verslag") door de bouwheer, garandeert zij in een "bodembeheerrapport" aan de ontvanger van uitgegraven grond dat deze geen nieuwe bodemverontreiniging zal veroorzaken.

De afgelopen twee jaar was de Grondbank vzw de enige erkende bodembeheersorganisatie maar sinds 15 juni 2004 is de Grondwijzer vzw erkend als tweede bodembeheersorganisatie.
Doordat er nu twee bodembeheersorganisaties zijn, moeten gemeenten opletten dat zij, bij overheidsopdrachten voor grondwerken, een aansluiting van de aannemer eisen bij "een" bodembeheersorganisatie; men mag niet met naam verwijzen naar de Grondbank alleen.
Technische verslagen die door de Grondbank conform verklaard werden, worden door Grondwijzer aanvaard (zij het niet gratis). Dat betekent dat de aannemer niet bij dezelfde bodembeheersorganisatie moet zijn aangesloten als degene die het technisch verslag conform verklaarde (= keuze van de opdrachtgever of de bodemsaneringsdeskundige).

In het begin had de Grondbank vzw een monopoliepositie met als gevolg dat de voorwaarden die zij stelden om een bodembeheerrapport af te leveren, soms bovenop de geldende regelgeving kwam.

Zo aanvaardt de Grondbank alleen de technische verslagen die zijn opgesteld door bodemsaneringsdeskundigen die bij hen zijn "aangesloten". De minister vindt dat een bedembeheerorganisatie een technisch verslag moet aanvaarden als het opgesteld is door een (van overheidswege erkende) bodemsaneringsdeskundige en voldoet aan de code van goede praktijk (opgesteld door de OVAM : art. 56, § 1 Vlarebo) en het model van de bodembeheersorganisatie.

De Grondbank wil ook alleen bodembeheerraporten afleveren aan aannemers die zich aansloten bij de Grondbank: de Grondbank moet immers garanderen dat de bodem volgens de regels is uitgegraven, vervoerd en hergebruikt door die aannemer, terwijl er hiervoor geen erkenning van overheidswege is uitgewerkt. Aannemers die niet zijn aangesloten bij een bodembeheersorganisatie, kunnen dit alsnog doen na de gunning en voor de start van de werken. Dat vindt althans OVAM in een antwoord op een brief van ons. In een artikel in BinnenBand van december 2003 onderschrijft de directeur-generaal van de Grondbank deze zienswijze: "In het bestek zal de opdrachtgever de contractuele voorwaarde opnemen dat de aannemers en vervoerders betrokken bij het grondverzet zich contractueel verbonden hebben met een erkende bodembeheersorganisatie op het moment dat zij zullen starten met de werken." ( Dillen, Marc, "Grondverzet: voor opdrachtgevers is het 5 voor 12", BinnenBand, december 2003, p. 26-27- toch eigenaardig dat niet de OVAM, maar wel de Grondbank hierover een artikel schrijft in het blad van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden).
Als aannemers niet projectmatig maar alleen structureel (bv. op jaarbasis) zouden kunnen aansluiten bij een bodembeheersorganisatie, dan zou een overheid volgens de milieuregelgeving een grondwerk alleen mogen gunnen aan een aannemer die al lid is van een van beide vzw's. Aannemers uitsluiten alleen omdat ze geen lid zijn van een bepaalde privé-organisatie is echter ketterij volgens de wetgeving overheidsopdrachten (meer bepaald art. 16 en 19 van het K.B. 08.01.1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken). Vandaar dat de OVAM erop aandrong dat aannemers van grondwerken ook projectmatig mogen aansluiten bij een bodembeheersorganisatie.

Over deze gevolgen van de monopoliepositie van de Grondbank hebben wij minister Sannen bevraagd. Hier vindt u onze vraag en het antwoord van de minister.
Top

7. Wat met uitgegraven bodem bij wegenwerken?
De grondverzet-regeling moet toegepast worden als de uitgraving gebeurt op een "verdachte grond". Een perceel kan ook een "verdachte grond" zijn omdat er "aanwijzingen bestaan van een bodemverontreiniging". Zo zijn wegenissen en wegbermen van drukke wegen veelal (licht) verontreinigd met zware metalen (lood) en PAK's en zijn wegenissen in oude stadskernen veelal (licht) verontreinigd door het gebruik van as als dooimiddel. Wegenissen en wegbermen langs nieuwe wegen of op minder druk bereden wegen zijn meestal geen "verdachte grond". (Zie hiervoor de code van goede praktijk voor het gebruik van uitgegraven bodem , p. 14)
Bodem uitgegraven bij werken in of langs drukke of oude wegen zal dus steeds onder de grondverzet-regeling vallen, ook voor kleine partijen.

Er zijn gelukkig twee versoepelingen van de grondverzet-regeling die kunnen toegepast worden bij wegenwerken:

Versoepeling 1: hergebruik binnen de "kadastrale werkzone"
Een "kadastrale werkzone" is het kadastraal perceel of het gedeelte ervan waarop de uitgraving gebeurt of "meerdere kadastrale percelen met gelijkaardige milieukenmerken waarop een zelfde project wordt uitgevoerd." Voor gronden zonder kadastraal perceelnummer valt de kadastrale werkzone samen met "het samenhangend geheel van gronden met gelijkaardige milieukenmerken waarop een zelfde project wordt uitgevoerd." (art. 48, 7° Vlarebo)
De soepeler regels voor grondverzet binnen de kadastrale werkzone gelden ook "in het geval dat twee kadastrale werkzones met gelijkwaardige milieukenmerken ruimtelijk gescheiden zijn door één of meerdere kadastrale werkzone(s) met andere milieukenmerken en indien de ontvangende kadastrale werkzone gelijkaardige milieukenmerken bezit als de kadastrale zone waarvan de uitgegraven bodem afkomstig is. " (art. 53, § 2 Vlarebo)

Als de uitgraving uit een "verdachte grond" minder dan 250 m³ bedraagt en men gebruikt deze uitgegraven bodem binnen dezelfde "kadastrale werkzone", dan is een technisch verslag en een bodembeheerrapport niet verplicht, zolang men dan de code van goede praktijk volgt. (art. 51, § 3 Vlarebo, p. 51 en 52 van de code van goede praktijk en p. 4 addendum 2 code van goede praktijk).
Voor uitgravingen van meer dan 250 m³ is altijd een technisch verslag en een bodembeheerrapport nodig. Wel kan de "werkwijze voor nutsbedrijven" gevolgd worden, waarbij een technisch verslag
zonder
analyseresultaten
(= goedkoper) kan volstaan als de bodem ter plaatse opnieuw wordt gebruikt. (p. 57 van de code van goede praktijk)
Het gebruik van uitgegraven bodem als bodem binnen de "kadastrale werkzone" is bovendien minder streng gereglementeerd: uitgegraven bodem die voldoet aan 80% van de bodemsaneringsnorm van het ontvangend perceel (bijlage 4 Vlarebo) mag binnen de kadastrale werkzone vrij gebruikt worden. (art. 52, 1° Vlarebo)

Versoepeling 2: afvoer van < 250 m³ bodem uitgegraven uit verdachte grond
Wordt de uitgegraven bodem niet ter plaatse hergebruikt, dan mogen die kleine partijen uitgegraven bodem van verdachte gronden bij elkaar gebracht worden tot een volume van maximaal 250 m³. Een technisch verslag en een bodembeheerrapport blijven echter verplicht. Voordeel is echter dat deze partij van maximaal 250 m³ dan gezamenlijk kan geanalyseerd worden volgens de onderzoeksstrategie voor "gestockeerde bodem samengesteld uit verschillende partijen" (p. 29 code van goede praktijk).
Voor gemeenten kan het daarom interessant zijn om een eigen tussentijdse opslagplaats (TOP) te organiseren, desnoods samen met aangrenzende gemeenten (bv. via een intercommunale). Op die manier kunnen ook voordeliger raamcontracten met een bodembeheerorganisatie en met erkende bodemsaneringsdeskundigen bekomen worden. Dergelijke TOP kan echter niet zelf bodembeheerrapporten afleveren, dit kan alleen als de Minister op advies van de OVAM de TOP erkent en daarvoor moet de TOP een private handelsvennootschap zijn (art. 57, § 1 en 59, 1° Vlarebo). Voor opslag van meer dan 1000 m³ uitgegraven bodem is wel een milieuvergunning nodig (rubriek 61 Vlarem).
Top

 

8. Mag een containerpark nog uitgegraven bodem aanvaarden?
Een gemeente kan nog steeds kleine porties niet-verdachte uitgegraven bodem aanvaarden op het containerpark, maar dit is niet zonder risico's.
Als de grondverzet-regeling niet toepasselijk is (geen "verdachte grond" en minder dan 250 m³), mag je de uitgegraven bodem zonder technisch verslag of bodembeheerrapport vervoeren en gebruiken. De gemeente kan bijvoorbeeld de uitgegraven bodem aanvaarden op het containerpark, maar er is wel een risico aan verbonden: hoe kan de gemeente zeker zijn dat de aangevoerde bodem niet onder de grondverzet-regeling valt of dat die niet verontreinigd is? De bouwheer kan wel persoonlijk verklaren dat de bodem afkomstig is van een uitgraving kleiner dan 250 m³ op een niet verdachte grond, de OVAM maakte een
modelformulier voor dergelijke verklaring. Er is in dat geval natuurlijk geen garantie dat deze bodem niet verontreinigd is, daarom is het soms toch aangewezen de bodem te laten onderzoeken.

Is de grondverzet-regeling wel van toepassing ("verdachte grond" of meer dan 250 m³), dan moet de bouwheer zijn perceel laten onderzoeken (technisch rapport) en op voorhand een bestemming vinden voor de uitgegraven bodem. De ontvanger krijgt dan de garantie dat de aangevoerde bodem zijn perceel niet vervuilt. Die garantie wordt geboden door een bodembeheersorganisatie die een bodembeheerrapport aflevert. Dergelijke uitgegraven bodem kan ook tijdelijk gestockeerd worden, maar dat mag alleen op een "tussentijdse opslagplaats", dit is een privé-organisatie die hiervoor specifiek erkend is door OVAM (art. 59 Vlarebo).
Top

9. Informeer de bouwheer hierover bij een vergunningsaanvraag
Langzaam maar zeker raken de betrokkenen mensen meer en meer op de hoogte van de grondverzet-regels. Een belangrijke, maar moeilijk te bereiken doelgroep, is de particuliere bouwheer. Die zou bereikt kunnen worden door informatie over de grondverzet-regeling te geven naar aanleiding van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning. Bij de stedenbouwkundige vergunning kunnen gemeenten verwijzen naar de grondverzet-regels, bijvoorbeeld als volgt:

De bouwheer dient rekening te houden met de grondverzet-regels (hoofdstuk 10 Vlarebo). Bedoeling is hiermee de verplaatsing van bodemverontreiniging bij uitgravingen te vermijden.
Wanneer bodem uit "verdachte gronden" (mogelijks verontreinigde percelen) of in grote hoeveelheden (>250 m³) wordt uitgegraven, moet de bouwheer nagaan of de uit te graven grond verontreinigd is. Dit gebeurt door een "technisch verslag" te laten opmaken door een erkend bodemsaneringsdeskundige.
De ontvanger van de uitgegraven bodem zal dan de garantie hebben dat de uitgegraven bodem zijn perceel niet vervuilt. Dit gebeurt door het afleveren van een "bodembeheerrapport" door een "bodembeheerorganisatie".
Meer informatie bij OVAM
http://www.ovam.be of tel. 015-284284.
Top

10. Wat zijn de meerkosten voor de gemeenten?
Het hele systeem biedt de zekerheid dat de grond op een wettige manier wordt afgevoerd en geen nieuwe verontreiniging (met de saneringsplicht vandien) doet ontstaan. Maar daar staan natuurlijk enkele meerkosten tegenover, ook al blijkt de uitgegraven bodem helemaal niet verontreinigd te zijn. En zelfs als de uitgegraven bodem verontreinigd is: in hoeverre is de gemeente verantwoordelijk voor de diffuse verontreiniging van het openbaar domein (bv. ondergrond van wegen)?

1. De bouwheer zal voor het begin van de werken een technisch verslag moeten laten opmaken door een bodemsaneringsdeskundige.

2. De bodembeheersorganisaties vragen een dossierkost voor het al of niet conform verklaren van een technisch verslag.

Een bouwheer kan zich "aansluiten" bij een bodembeheersorganisatie. De "aansluiting" is een soort van contractueel abonnement, je wordt géén lid van de vzw en je hoeft ook niet "aangesloten" te zijn om als bouwheer op een bodembeheersorganisatie een beroep te mogen doen. "Aangesloten" bouwheren geniete bv. lagere tarieven voor de conformverklaring van een technisch verslag.

3. Ook de werken zelf kunnen iets duurder uitvallen dan vroeger: enerzijds zal de manier van uitgraven voorzichtiger moeten gebeuren en anderzijds zal het afvoeren van licht verontreinigde grond die niet overal kan hergebruikt worden, minder opbrengen of meer kosten dan vroeger.

4. Voor de aflevering van een bodembeheerrapport vragen de bodembeheersorganisaties aan de aannemer een dossierkost naargelang het volume van het grondverzet en de bestemming van de uitgegraven bodem.

De tarievenvindt u op de websites van de Grondbank of de Grondwijzer zelf.

Sommige gemeenten verbieden systematisch in hun bestekken voor wegenwerken om uitgegraven bodem in de sleuf opnieuw te gebruiken. Ten onrechte wordt hiervoor verwezen naar het standaardbestek 250 van de wegenbouw waar zo'n bepaling niet in te vinden is. Het systematisch verbieden om uitgegraven bodem opnieuw in de sleuf te gebruiken is volgens OVAM niet gewenst omdat het vanuit milieuoogpunt aangewezen is om de (schaarse) primaire delfstoffen optimaal in te zetten als vervanging van uitgegraven bodem. Bovendien is het afvoeren ervan een onnodige meerkost als de uitgegraven grond ter plaatste opnieuw kan gebruikt worden. Zo'n verbod is alleen te verantwoorden als het bouwtechnisch noodzakelijk is (vb. omwille van de stabiliteit van het voetpad) om de uitgegraven bodem te vervangen door bv. zand of een ander stabiliserend product.
Top

Meer info …
…is te vinden op de website van OVAM.
Daar vindt u namelijk de codes van goede praktijk, antwoorden op veel gestelde vragen, de oplijsting van de erkende bodemsaneringsdeskundigen, bodembeheersorganisaties, tussentijdse opslagplaatsen en grondreinigingscentra en de brochure ‘Te maken met grondverzet? Opgelet’.
De Minister stuurde ook een omzendbrief aan de gemeenten: M.O.(Vl.) 26.11.2003 nr. LNW-2003/1 betreffende de toepassing van Vlarebo bij werken met grondverzet, B.S., 11.12.2003
Inforum
Voor veel gestelde vragen en voor de brochure kunt u ook terecht op de Vlaamse infolijn, tel. 1700

Ook
de Grondbank en de Grondwijzer, de bodembeheersorganisaties, hebben uitgebreide websites.
Top

(Steven Verbanck, stafmedewerker leefmilieu, 19.08.2004)

 Documenten

 Links

| |