Veel gestelde vragen
1. Wat is "Noord" en wat is "Zuid"?
2. Is een stedenband hetzelfde als een jumelage?
3. Hoe vind ik een ideale ‘zus’ of ‘partner’ voor mijn gemeente?
4. Is het geven? Of geven én nemen?
5. Kunnen we dat als gemeente alleen doen?
6. Is het makkelijk om er mee te stoppen?
7. Frans en Engels kennen we hier wel, maar wat met minder ‘evidente’ talen?
8. Waarom kiezen we voor die gemeente en niet voor een andere?
9. Vraagt dit veel werk van de collega-ambtenaren?
10. Hoe begin je als geïnteresseerde gemeente aan een Noord-Zuid-beleid (of een stedenband)?
11. Waarom besteden we dat geld niet gewoon aan onze eigen inwoners?
12. Wat hebben wij daar zelf aan?
13. Hoe betrekken we onze inwoners bij de stedenband?
14. Wie nemen we mee op bezoek naar onze partner?
15. Waarom nemen zowel de Vlaamse als de federale overheid initiatieven?
16. 'Wa kost da'? Krijgen wij daar subsidies voor?
17. Komen wij in aanmerking voor ondersteuning door de Vlaamse / federale overheid als wij nog geen stedenband hebben, en dat ook niet echt van plan zijn?
18. Welke zijn de voorwaarden om aan het programma te mogen deelnemen?
19. Wat zijn de voorwaarden om aan het federaal programma deel te nemen?
20. Welke punten moeten in een actieplan ter sprake komen?
21. Wie evalueert onze werking?
1.
Wat is "Noord" en wat is "Zuid"?
Vanaf de jaren vijftig stak de term ‘derde wereld’ de kop op. Dit begrip leidt tot op heden een hardnekkig bestaan en werd lange tijd slechts ‘beconcurreerd’ door de groepsnaam ‘ontwikkelingslanden’. Het gaf duidelijk weer hoe het er in het verleden voor stond: je had het ontwikkelde deel van de wereld en zij die minstens nog in ontwikkeling waren (doorgaans de ex-kolonies). Deze termen zijn uiteraard niet waardevrij. Daarom zag de ‘derdewereldbeweging’ meer graten in het neutralere begrip ‘het Zuiden’, aangezien het gros van de ‘ontwikkelingslanden’ zich ten zuiden van de evenaar bevindt/bevond. Het blijven ongefundeerde begrippen die een genuanceerd beeld van de realiteit in de weg staan.
In het voorontwerp van decreet inzake gemeentelijke internationale samenwerking staat de volgende definitie:
"Het Zuiden: de landen die als ontwikkelingslanden opgenomen zijn op de lijst van het Comité voor Ontwikkelingssamenwerking (Development Assistance Committee – DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), met uitzondering van de Economische Commissie voor Europa van de VN (UNECE)".
Het 'Noorden': staat nergens duidelijk omschreven. Het kan simplistisch omschreven worden als de rijkere landen (bijv. de OESO omvat 30 landen, waaronder de EU-landen, de VS, Australië en Japan). In de context van de (Vlaamse of federale) programma’s gemeentelijke internationale samenwerking slaat het ‘Noorden’ in de eerste plaats op ons eigen land.
top
2.
Is een stedenband hetzelfde als een jumelage?
Nee, een stedenband is een rechtstreekse samenwerking van een Vlaamse gemeente met een ander lokaal bestuur in het Zuiden. Waarbij de wederzijdse opbouw van bestuurlijke capaciteit en de versterking van plaatselijke democratiseringsprocessen centraal staan.
Bovendien kan het een middel zijn om bij te dragen tot het grote verhaal van rechtvaardiger wereldverhoudingen. De stedenband is geen doel op zich maar een model dat toelaat om zowel gemeente(-besturen) als inwoners en verenigingen in een gemeente hun specifieke rol inzake ontwikkelingssamenwerking te laten spelen.
Jumelage heeft een compleet andere voorgeschiedenis. Ze zijn ontstaan na WO II om het gebroken Europese continent te verzoenen. De kracht van de ze ‘verbroederingen’ of ‘vriendschaprelaties’ lagen in de hoop (terug) tot Europese integratie te komen. Jumelages zijn officiële samenwerkingsakkoorden tussen gemeentebesturen. Ze zijn vooral bezig met uitwisseling van burgers, verenigingen met het doel elkaar te leren kennen en te betrekken bij het Europees gedachtengoed, meestal op een vrij gemoedelijke ontspannen sfeer. In heel Europa zijn er ongeveer 15.000 jumelages.
top
3.
Hoe vind ik een ideale ‘zus’ of ‘partner’ voor mijn gemeente?
De zoektocht bestaat uit twee stappen: Weten wat je wil en de effectieve zoektocht.
1. Weten wat je wil
Aan de hand van een aantal criteria, die aansluiten bij het profiel van de eigen gemeente, kan je gestructureerde en doelbewust op zoek gaan naar een geschikte partner-zusterstad/gemeente ka je best Onder het deel ‘Stedenbanden’ vind je enkele voorbeelden van andere gemeenten.
2. De eigenlijke zoektocht
Er zijn verschillende mogelijkheden om de zoektocht aan te vatten. Je kan een heus stappenplan volgen (zie bij Stedenbanden/stappenplan). Of ten rade gaan bij andere gemeenten.
Vergeet ook niet dat de Zuiderse partner het ook met jou moet zien zitten…
top
4.
Is het geven? of geven én nemen?
VVSG, en met haar het huidige Vlaamse beleid inzake internationale samenwerking, voorstander van de wederkerigheid in de partnerrelatie. Het kan zijn dat een gemeente vanuit een oprechte gedrevenheid het ‘arme’ Zuiden technische, financiële of andere hulp wil bieden. Maar dan is de stedenband gebaseerd op een eenrichtingsverkeer. We beoordelen dit niet negatief alleen zijn er zoveel kansen om van elkaar te leren, en dus ook om elkaars bestuurscapaciteit ter versterken. Het zou zonde zijn ze te laten liggen.
top
5.
Kunnen we dat als gemeente alleen doen?
Je kan dit als gemeente alleen doen. Alleen is een van de belangrijke motieven om een stedenband te ontwikkelen, het ietwat abstracte Noord-Zuid-verhaal een concreet gezicht te geven, zowel voor de bevolking als voor de eigen ambtenaren en mandatarissen. Een stedenband biedt de unieke kans om bepaalde vooroordelen of algemene opvattingen over ‘de derde wereld’ bij te sturen en te nuanceren, reële ontmoetingen tussen Noord en Zuid op te zetten, elkaar te leren kennen en vooral te leren van elkaars visie en praktijk. De hele bevolking in het verhaal betrekken is geen evidentie. Veel gemeenten kiezen daarom voor een doelgroepenaanpak. (onderwijs, sociaal-culturele verenigingen, jeugd, milieu …).
Bovendien hebben bepaalde verenigingen en individuele burgers heel wat expertise inzake Noord-Zuid-contacten in huis. Doorgaans zit deze expertise gebundeld in de gemeentelijke raad voor ontwikkelingssamenwerking, zodat het wenselijk is op haar advies een beroep te doen. Deze raad kan tegelijk motor zijn voor de campagnes die de gemeente in het kader van haar stedenband wenst op te zetten.
top
6.
Kunnen we er makkelijk mee stoppen?
Een stedenband staat of valt met het engagement van mensen aan beide kanten. Dat is zowel de sterkte en de achillespees van de stedenband. Veel hangt ook af van hoe hoog of hoe realistisch de verwachtingen zijn. Naast leuke uitdagingen, ontmoetingen en wederzijdse ondersteuning moet er werk gemaakt worden van een verankering van dit beleid in de beide gemeenten, via de creatie van een horizontale stuurgroep, een sterke betrokkenheid van verschillende diensten, organisaties, een breed gedragen politieke beslissing, …
top
7.
Frans en Engels kennen we hier wel, maar wat met minder ‘evidente’ talen?
Bij sommige gemeenten is het spreken van één van deze talen een noodzakelijke voorwaarde voor het aangaan van een stedenband. Maar er zijn ook meerdere gemeenten die een Spaanstalige partner hebben. Toch kan de taalbarrière tijdens uitwisselingen of in mails makkelijk verholpen worden door goede tolken in te schakelen. Mits ze voldoende op de hoogte zijn van de doelen en opzet van een stedenband. Het komt vaak voor dat de gemeente daarvoor een beroep kan doen op de kring van mensen met ervaring in het Zuiden.
top
8.
Waarom kiezen we voor die gemeente en niet voor een andere?
De meeste gemeente opteren om te vertrekken vanuit het eigen gemeenteprofiel.
Als er dan een shortlist van kandidaat-partners is opgesteld is de uiteindelijke keuze afhankelijk van verschillende factoren: de voorkennis van de stad of land, reeds bestaande (en goede) contacten, de taal, de uitdagingen, … Voldoende tijd uittrekken om met enkele mogelijke partners grondig te communiceren over elkaars visie op de doelstellingen van de samenwerking, de motivatie om aan de slag te gaan, de manier van samenwerking, … is van cruciaal belang.
top
9.
Vraagt dit veel werk van de collega-ambtenaren?
De Noord-Zuidambtenaar is een spilfiguur, maar die moet niet alles op zijn of haar schouders torsen. Vaak wordt er een beroep gedaan op collega’s voor inhoudelijke discussies over het Noord-Zuidbeleid of expertise in bepaalde beleidsdomeinen zoals jeugd, milieu,… of voor de organisatie van sensibilisatieactiviteiten.
top
10.
Hoe begin je als geïnteresseerde gemeente aan een Noord-Zuidbeleid (of een stedenband)?
Eén antwoord: lees het nieuwe Noord-Zuidhandboek van de VVSG!
Volgende onderwerpen komen aan bod:
- sensibilisatie (intern en extern, draagvlakverbreding en –verdieping, ...),
- capaciteitsopbouw: aankoopbeleid, monitoren en evaluatie, een Noord-Zuidbeleidsnota, het samenspel tussen bestuur en adviesraad
- directe samenwerking met een partnergemeente: een stappenplan
Meer informatie over dit handboek.
top
11.
Waarom besteden we dat geld niet gewoon aan onze eigen inwoners?
Tja, waarom niet?
De belangrijkste drijfveer is wellicht de ervaring van heel veel mensen , in positieve of negatieve zin, dat ons dorp, onze stad geen eiland is, maar de invloeden ondervindt van wat er zich op wereldschaal afspeelt. Als je die ervaringen tot een uitdaging kan ombuigen om te leren hoe mensen aan de andere kant van de wereld tegen de dingen aankijken, dan is dit enorm deugddoend.
Door te investeren in een goed samenwerkingsverband met een stad of gemeente in het Zuiden, investeer je voor een deel – zij het onrechtstreeks – in de eigen gemeente. Wat je leert van je partner, wat je kan toepassen in je eigen bestuur, komt uiteindelijk ten goede aan de eigen inwoners. Al is dat uiteraard niet de bedoeling, het is gewoon een prettig gevolg ervan.
top
12.
Wat hebben wij daar zelf aan?
Ga hiervoor naar vraag 4 ‘Is het geven? of geven én nemen?’
top
13.
Hoe betrekken we onze inwoners bij de stedenband?
Eén gouden tip: het nieuwe Noord-Zuid-handboek van de VVSG. In het hoofdstuk over ‘Draagvlak en sensibilisatie’ vind je terug hoe aan een stedenband te beginnen. Meer informatie over dit handboek vind je op deze website.
top
14.
Wie nemen we mee op bezoek naar onze partner?
Een bezoek bolwerkt verschillende belangen tegelijkertijd: elkaar leren kennen, tot een samenwerking komen, met resultaten naar huis keren om de eigen achterban (coalitie en oppositie) te motiveren of om hun kritische bedenkingen te counteren, … Het moment in de relatie en het specifieke belang van de reis duiden aan of een delegatie nodig is.
In gemeente waar veel scepsis van het idee ‘stedenband’ waren, is gebleken dat een werkbezoek nuttig was om alle vertegenwoordigers van alle gemeenteraadfracties ‘mee’ te hebben.
Wordt de stedenband gedragen door een belangrijk deel van de gemeentelijke ploeg, dan hoef je enkel te kijken naar het specifieke belang van de reis zelf: zit het bezoek nog in de kennismakingsfase? Is het een werkbezoek rond een afgelijnd en reeds afgesproken beleidsdomein? Is het van belang bij de sensibilisatie van onze inwoners één of enkele GROS-leden uit te nodigen? …
Wees altijd duidelijk en transparant. De kritiek van ‘snoepreisjes’ is nooit ver weg. Zorg dus bij voorbaat voor een degelijke motivering en taakomschrijving van elk delegatielid. Maak duidelijk dat dit soort bezoeken hard werken is, met duidelijke afspraken en verantwoordelijkheden voor, tijdens en na het bezoek. Het maakt een evaluatie ook veel eenvoudiger.
top
15.
Waarom nemen zowel de Vlaamse als de federale overheid initiatieven?
Dat is een samenloop van omstandigheden. Een KB van december 2000 bood de mogelijkheid om, gedurende een jaar, met ervaren gemeenten uit te testen of zij wel degelijk een rol kunnen spelen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking. Het federale programma richt zich op alle Belgische gemeenten, dus ook Waalse en Brusselse gemeenten deden mee.
In datzelfde jaar stelde de toenmalige Vlaamse minister voor Ontwikkelingssamenwerking in zijn beleidsbrief dat Vlaamse gemeenten een rol konden oppakken in het ontwikkelingssamenwerkingverhaal. In de loop van 2001 werd het Vlaamse programma opgericht, als pilootprogramma voor drie jaar, en met het vooruitzicht van een wettelijk kader.
Sindsdien lopen beide programma’s parallel. Er is maar een klein aantal gemeenten dat gebruik maakt van beide programma’s. In haar memorandum voor de federale regering stelt VVSG voor om beide programma’s tot één programma te herleiden en toe te vertrouwen aan één overheid, namelijk de Vlaamse overheid.
top
16.
Wij hebben al geen geld genoeg om onze eigen taken naar behoren uit te voeren, dus 'wa kost da'? Krijgen wij daar subsidies voor?
Dit blijft een twistpunt. Je moet goed voor ogen houden dat de stedenband voornamelijk een uitwisseling van kennis en ervaring beoogt, met een beperkte ruimte voor kleinschalige investeringen. Uiteraard kosten missies en stages geld, maar tegenover een beperkte gemeentelijke financiële inbreng staat een behoorlijke subsidie, zowel via het Vlaamse als het federale programma .
top
17.
Komen wij in aanmerking voor ondersteuning door de Vlaamse / federale overheid als wij nog geen stedenband hebben, en dat ook niet echt van plan zijn?
Absoluut. Een gemeente moet eerst voldoende investeren in eigen sensibilisatie en capaciteitsopbouw vooraleer ze een engagement voor een stedenband kan opnemen. Vandaar dat in het ontwerpdecreet voor gemeentelijke internationale samenwerking twee ambitieniveaus voorzien zijn. Ofwel geef je binnen de eigen gemeente gestalte aan het beleid. Je komt dan wel niet in aanmerking voor het federaal programma, want dat subsidieert enkel de stedenband. Ofwel ga je een stedenband aan. Je moet dan wel aan enkele bijkomende criteria te voldoen. Vooral op het vlak van personeelsondersteuning, één voltijds equivalent gemeentelijk ambtenaar.
top
18.
Welke zijn de voorwaarden om aan het Vlaams programma te mogen deelnemen?
Voor het Vlaamse programma kunnen we enkel onder voorbehoud spreken over de voorwaarden, aangezien het decreet zich nog in de fase van het voorontwerp bevindt. In het eerste ambitieniveau dient een gemeente te beschikken over:
- Een schepen bevoegd voor Internationale Samenwerking
- Minstens 1 halftijdse ambtenaar, bevoegd voor Internationale Samenwerking (gemeenten met < 10.000 inwoners slechts 1/4e van een voltijds ambtenaar)
- Een sectorale beleidsnota Internationale Samenwerking
- Een erkende adviesraad
- Een afzonderlijke begrotingspost internationale samenwerking.
Voor ambitieniveau 2 (stedenband) worden bijkomende criteria gehanteerd:
- Minstens 1 voltijds equivalent ambtenaar Internationale Samenwerking
- Een strategisch actieplan waarbinnen de uitbouw van een bestuurlijke samenwerking met een gemeente in het Zuiden als strategisch doel vooropstaat
- Een operationeel actieplan met een concreet uitgetekend traject voor de stedenband
Voor beide ambitieniveaus dient een actieplan opgesteld te worden rond 2 pijlers: sensibilisatie en capaciteitsopbouw . Bij het tweede komt hier nog de stedenband bij.
top
19.
Wat zijn de voorwaarden om aan het federaal programma deel te nemen?
Bij het federale programma dient de gemeente een stedenband aan te gaan. De partnergemeenten bevinden zich in landen die voorkomen op de lijst van DGOS (onderdeel van de DAC-lijst van ontwikkelingslanden). Er zijn 3 soorten acties mogelijk:
- Zendingen van Vlaamse ambtenaren naar de partnergemeente: gericht op vorming rond een
gemeentelijk thema, waarbij kennisoverdracht plaats vindt
- Stages van buitenlandse ambtenaren in België
- Geïntegreerde projecten: het gaat om een project dat net zoals de 2 vorige acties vorming tot doel heeft, maar tot een concrete realisatie leidt i.s.m. de partner. Hieraan kan een kleine investering gekoppeld worden. Hierin wordt ook de identificatiemissie gepland, om de "diagnose" van de behoeften van de partner te verfijnen
Bij het federale programma geldt de regel dat de gemeente 15% inbrengt en de federale overheid 85% subsidieert, zowel voor de onkosten van de Belgische gemeente als voor haar partnergemeente, en dit met een max. van 50.000 euro. De betaling gebeurt in schijven.
top
20.
Welke punten moeten in een actieplan ter sprake komen?
De actieplannen in het Vlaamse programma vertrekken vanuit de beleidsnota en vormen mee de basis voor de dagelijkse werking van de Noord-Zuiddienst (maar behelzen niet de ganse werking). Hierin is plaats voor de concrete activiteiten: wie, wat, waar, wanneer en hoe? Deze worden gekaderd binnen duidelijke doelstellingen rond de drie pijlers: sensibilisatie, capaciteitsopbouw, stedenband (indien reeds aanwezig). Daarnaast worden concrete jaarlijkse resultaten geformuleerd en indicatoren om een evaluatie mogelijk te maken. Hier vind je tips voor het opstellen van een actieplan.
top
21.
Wie evalueert onze werking?
Voor het Vlaamse subsidieprogramma gebeurt de evaluatie door het Vlaams Agentschap Internationale Samenwerking (VAIS).
Voor het federale subsidieprogramma gebeurt de inhoudelijke en financiële opvolging door VVSG. Wij kregen hiertoe een mandaat van DGOS (Directie Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking) en het kabinet van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking (via de Belgische Vereniging voor Steden en Gemeenten).
Naast deze ‘officiële’ evaluatoren, is het vooral aangewezen om zelf voldoende kritisch over het eigen beleid te reflecteren. Dit kan aan de hand van volwaardige evaluatiemomenten (tussentijds of na het beëindigen van een jaar, project, …), en via een goede opvolging die voorziet in een reflectie ‘en cours de route’ over wat men aan het doen is en of men dit wel goed doet. Meer informatie hierover vind je in het handboek Noord-Zuid voor lokale besturen, onder het hoofdstuk ‘Capaciteitsopbouw’ (monitoren en evaluatie).
top